Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikers:
- Alice Haas-Cerf, weduwe (Leipzig-Duitsland, 7 september 1888 – Ede, 4 maart 1961)
- zoon Fritz Gerhard Haas, eigenaar van een vleeswaren- en conservenfabriek (Leipzig-Duitsland, 25 december 1910 – Renkum, 17 februari 1958) en
- partner Matthea van Leeuwen (Amsterdam, 29 augustus 1915 – Leiden, 12 juli 2011)
Onderduikgever:
- Johannes Frederik Carrière, ambtenaar gemeentesecretarie Zeist (Utrecht, 20 december 1905 – Leeuwarden, ???)
- Louise Dirkje Carrière-Tigchelhoven (Renkum, 12 december 1911)
Kinderen tijdens de bezetting?
Op 26 februari 1938 kwam Ger (Fritz Gerhard) Haas uit het Duitse Leipzig naar Amsterdam. Als zijn beroep werd in het bevolkingsregister ‘Directeur NV Edua’ genoteerd. Hij was gevraagd voor de functie van mededirecteur in het bedrijf van de joodse Amsterdammer Eddy (Eduard) Klisser. Dat zou tot najaar 1939 duren. In 1938 ontmoette Ger Haas in Amsterdam Thea (Matthea van Leeuwen), met wie hij later zou trouwen. In augustus van datzelfde jaar werd hij bezocht door zijn ouders, het echtpaar Benno (Benjamin Joel) en Alice Haas-Cerf, die toen kennis maakten met hun toekomstige schoondochter. Na hun terugkeer in Leipzig maakten ze daar de ‘Reichskristallnacht’ van 9 op 10 november 1938 mee, waarin de nazi’s verwoestend huishielden. Benno Haas werd gearresteerd, maar werd vanwege zijn slechte gezondheid weer naar huis gestuurd. Hij werd daarna gedwongen om zijn bedrijf, de Leipziger Tapisserie Fabrik M.Littauer, te verkopen en vertrok onder begeleiding van Eddy Klisser in januari 1939 naar Amsterdam, met achterlating van zijn bezittingen. Op 16 maart 1939 werd het echtpaar Haas-Cerf formeel opgenomen in het Amsterdamse bevolkingsregister.
Ger Haas en zijn ouders bleven ongeveer nog een half jaar in Amsterdam wonen. Op 2 september 1939 namen Benno en Ger Haas de firma Welma, Vleeschwaren- en Conservenfabriek in Ede over van de Duitse worstfabrikant Friedrich Welker die eind van dat jaar failliet werd verklaard. Daarbij kregen ze financiële steun van een andere joodse Duitser. Het bedrijf werd voortgezet onder de naam Haas & Zoon Vleeschwaren- en Conservenfabriek en was gevestigd op Kamperfoelielaan 49 (later vernummerd naar 55-57).
Op 13 september 1939 verhuisden Haas en zijn ouders naar Ede, waar ze op dat adres gingen wonen en werken. Volgens de (klein)zonen André Werner en Ronald Haas kwam hun moeder Thea van Leeuwen ook mee naar Ede, maar ze werd op 12 september 1940 pas formeel uitgeschreven uit het Amsterdamse bevolkingsregister.
Een poging van Ger Haas en (de katholieke) Thea van Leeuwen om in 1939 in Ede te trouwen, stuitte op het feit dat ook in Nederland de criminele Neurenbergse rassenwetten van het bevriende Duitsland (…) werden aangehouden. Daarna leefden ze samen als waren ze getrouwd, met instemming van de wederzijdse ouders. Ook tijdens de bezettingsjaren zouden ze onafscheidelijk blijven.
Na de Duitse inval op 10 mei 1940 leek het er even op dat het bedrijf, dat vanaf 5 April 1940 Vleeschwaren- & Conservenfabriek Haas & Zoon heette, zonder problemen voortgezet kon worden. Op 19 juni liet de Commissaris van Gelderland nog weten dat niet voldaan hoefde te worden aan verzoeken van de bezetter om joodse winkels als zodanig met een bordje te markeren. Idem wat betreft verzoeken om lijsten van joodse ingezetenen. Maar op 25 juni werden Benno en Ger Haas en vier andere, eveneens uit Duitsland afkomstige joodse inwoners van Ede opeens gearresteerd door Duitse politiemensen en ingesloten op het politiebureau van Ede. Dit met het oog op een schimmig gebleven onderzoek. De volgende dag mochten ze alweer naar huis en Josef Grosz, een van de andere joodse arrestanten, werd zelfs naar huis gebracht door de Duitse politie, omdat hij slecht ter been was.
Ondanks de tegenover Grosz betoonde wellevendheid jegens hadden de arrestaties onrust gewekt en zou uit het vervolg door een stroom van anti-joodse maatregelen blijken dat die onrust terecht was.
Zo lang Ger Haas de fabriek kon voortzetten, stelde hij vlees- en viswaren ter beschikking aan illegaal werkers die daarmee krijgsgevangenen- en concentratiekampen konden voorzien. Wel lijkt het erop dat hij al vroeg voorzorgsmaatregelen nam. Op 3 maart kwamen zijn zwager en schoonzuster Wiebe en Nellie Ossendorp-van Leeuwen ook naar Ede en ze zouden in november tegenover de fabriek komen wonen. Ossendorp ging als bedrijfsleider werken voor Vleeschwaren- & Conservenfabriek Haas & Zoon. Zoals alle joodse bedrijven in Nederland, zou de fabriek in 1942 worden geliquideerd. Daarvoor werd een Duitse bewindvoerder aangesteld, de Rijksduitser Albert Henschel. Benno Haas maakte deze treurige actie niet meer mee, want hij – geboren op 21 februari 1880 in het Roemeense Czernowitz – stierf op 19 februari 1941 in Ede, twee dagen voor zijn 61e verjaardag.
De liquidatie liep minder soepel dan de bezetter beoogde. Kort na de bevrijding schreef H. de Kat die in Amersfoort ‘Accountants- en Adviesbureau in Belastingzaken’ (op 26 november 1947 failliet verklaard door de arrondissementsrechtbank in Utrecht) daar het volgende over:
‘Per 24 Augustus 1942 werd door de Wirtschaft Prüfstelle de liquidatie van Uw zaak gelast. In volledig overleg met U werd deze lastgeving gesaboteerd, door gewoon door te werken. Dit was mogelijk, doordat de aangestelde liquidateur zijn eigen lastgeving niet begreep. U werkte door alsof er niets was gebeurd en kon daardoor een belangrijke bevolkingsgroep van vleesch en conserven blijven voorzien, terwijl hieraan voor U geen enkel financieel belang was verbonden.
Bovendien werd hiermede voorkomen, dat het personeel werd opgeroepen voor de arbeidsinzet en zij dus niet in het Duitsche arbeidsapparaat werkzaam werden gesteld. Toen eindelijk in den loop van 1943 [moet zijn: 1942], de Wirtschaft Prüfstelle begreep, dat zij bij “ de neus ” werd genomen nadat ik U bijtijds wist te waarschuwen, “ dook u onder ”.
23 Juli 1943 was de werkelijke liquidatie helaas een feit geworden.’
Toen duidelijk werd dat er een keuze gemaakt zou moeten worden tussen onderduiken of gehoor geven aan een oproep voor deportatie hadden Ger Haas, zijn moeder en zijn partner Thea een daadkrachtig besluit genomen.
Dat blijkt uit een rapport van rechercheur H.A. Krevel van de gemeentepolitie in Ede: ‘Bij een, op heden, 17 november 1942, ingesteld onderzoek, omtrent de verblijfplaats van Fritz (Israel) Gerhard Haas, geboren te Leipzig 25 December 1910, fabrikant, blijkens het bevolkingsregister te Ede, Telefoonweg 4, bleek dat deze aldaar niet woonachtig was. In verband hiermede hoorde ik: Herbert Schäffer, oud 56 jaar pensionhouder, wonende te Ede, Telefoonweg 4, die verklaarde: “De Heer Haas, door U bedoeld, zoude met zijn moeder bij mij komen inwonen. Zijn moeder is op 9 November 1942 bij mij gekomen en op 10 november 1942, nadat zij bezoek van haar zoon had ontvangen, dienzelfden dag nog vertrokken en niet weder teruggekeerd. Ik heb ook niets meer van hen gehoord en kan niet verklaren, waar zij zich bevinden.”’ De rechercheur verklaarde dat moeder en zoon voortvluchtig waren en dat hun verblijfplaats onbekend was.
Bedrijfsleider en zwager Wiebe Ossendorp nam de leiding van de fabriek over tot aan de liquidatie van het bedrijf in 1943. Daarna verloor hij zijn baan.
De onbekende verblijfplaats van de voortvluchtigen was in Zeist, om te beginnen bij gemeenteambtenaar Frits Carrière en diens echtgenote, op Gijsbrecht van Amstellaan 10. Ger Haas, zijn moeder Alice Haas-Cerf en zijn partner Thea van Leeuwen bleven gedurende de hele onderduikperiode bij elkaar. Dat was tamelijk uniek. Vermoedelijk moest daar extra voor betaald worden?
Waarom ze in Zeist onderdoken, en daar de onderduikadressen wisten te vinden, is onbekend. Wel bleek later dat ze tijdens de bezetting in contact stonden met belangrijke illegaal werkers, zoals Johan ‘Tinus’ Doorn, het echtpaar Truuke en Jaap (Jacob Leon) de Wolff-Kruijt en de met hen samenwerkende Kees Kirpenstein. Laatstgenoemde zou Ger Haas op enig moment zelfs 3.100 gulden onderduikkapitaal lenen.
Ger Haas en Alice Haas-Cerf hadden voor de onderduik de beschikking over valse persoonsbewijzen, op naam van ‘Apolonia van Buuringen’ (een bestaande identiteit) respectievelijk ‘Josef Hubert Palmen’ (idem?) van de Technische Nothilfe. Op het persoonsbewijs van Thea van Leeuwen was genoteerd dat ze gehuwd was met J.H. Palmen, zodat zij en Ger Haas voor getrouwd door konden gaan.
De drie onderduikers zouden tot februari 1944 bij het echtpaar Carrière-Tigcheloven blijven. In die tijd werkte Ger Haas mee aan illegale activiteiten. Hij verzamelde adressen en schreef duizenden enveloppen voor de ‘Oranjekrant’. Ook zijn echtgenote werkte mee. Als koerierster verspreidde zij de Oranjekrant en ook vervoerde ze bonnen voor onderduikers.
Dat eindigde begin 1944 omdat er een conflict ontstond tussen de onderduikers en hun onderduikgever. Na de bevrijding zou Frits Carrière zich in het kader van de Bijzondere Rechtspleging moeten verantwoorden.
De drie onderduikers verhuisden naar Van der Merschlaan 28. Later zouden ze nog achtereenvolgens onderduiken op Woudenbergseweg 3 en Van de Poll-laan 3. Ze haalden zo de bevrijding. Al waren er beslist kritieke momenten geweest, waarop arrestatie had gedreigd of waarop Ger Haas ernstig ziek werd. Thea Haas-van Leeuwen zou na de bevrijding vertellen dat hij tweemaal tijdens een bezoek aan de tandarts was gearresteerd, maar beide keren was vrijgekomen, dankzij de medewerking van Zeister politiemannen.
Na de bevrijding probeerden Ger Haas en Thea van Leeuwen de fabriek in Ede weer voort te zetten. De lokale autoriteiten hadden weinig gevoel voor die uitdaging, getuige het feit dat er vier keer proces-verbaal tegen hem werd opgemaakt. Eenmaal wegens het leveren van vlees en vleeswaren zonder daarvoor bonnen in te nemen en driemaal wegens werken op tijden dat dit verboden was (overtreding van de Arbeidswet). Ondanks het geploeter ging in 1952 de fabriek failliet. Haas ging toen als regiovertegenwoordiger werken voor een Leids bedrijf. Op 18 maart 1946 trouwden hij en Thea van Leeuwen eindelijk formeel voor de wet.
Het echtpaar had een sociale instelling, want ondanks de ellendige onderduikjaren en de moeite om weer een behoorlijk bestaan op te bouwen, namen ze de ontredderde joodse vluchteling Ernst Koslowsky (Breslau, 1906) uit Kamp Westerbork op in hun woning. Ook was hun adres Kamperfoelielaan 55-57 al in juli 1945 het adres van het voorlopig provinciaal bureau voor het Verbond van Statenloze Slachtoffers van het Fascisme. Zelf golden ze na de bevrijding eerst als ‘vijandelijk onderdaan, en moesten ze ‘ontvijand’ worden, want Nederland zag zelfs in – door de nazi’s tot statenloos verklaarde – joodse Duitsers potentiële vijanden.
Ze vergaten hun helpers niet. Zo bleven ze bevriend met het echtpaar De Wolff-Kruijt dat helaas vroeg overleed. Voor Kees Kirpenstein liet Ger Haas een boom in Israël planten.
Ondanks de geboorten van twee zoontjes in 1947 en 1949 moeten het soms bittere jaren zijn geweest voor het echtpaar Haas-van Leeuwen. De band met (schoon)moeder Alice Haas-Cerf vervaagde, toen zij apart ging wonen. Hun vriend Eddy Klisser was op 21 mei 1943 vermoord in Sobibor.
In 1948 begon Ger Haas een procedure om genaturaliseerd te worden. Ondanks een verklaring van 28 oktober 1948 van de Officier van Justitie in Arnhem, waarin onder meer stond dat hij in Zeist uitnemend illegaal werk moest hebben verricht, had die procedure pas op 2 mei 1952 het gewenste resultaat.
Helaas kreeg Ger Haas een hersenbloeding en moest hij opgenomen worden. Hij leek te herstellen en zicht op ontslag uit het ziekenhuis te krijgen, maar een tweede hersenbloeding werd hem fataal. Ger Haas overleed na een twee jaar durend ziekbed, al op 17 februari 1958, pas 47 jaar oud en een jong gezin achterlatend. Het lijkt niet gewaagd om te veronderstellen dat de spanningen van de Duitse jaren dertig, de bezettingsjaren en de verwerpelijke ‘ontvijandingsprocedure’ hun tol eisten.
Echtgenote Thea Haas-van Leeuwen kreeg extra moeilijke jaren, maar wist zich goed staande te houden. Zij werd verkoopster en later cheffin van een kledingzaak, bereidde een start als horeca-onderneemster voor. Ze combineerde uiteindelijk haar werk in de kledingzaak met een pension dat in de garnizoensstad Ede rendeerde. Gasten waren militairen, toeristen en plaatsgenoten die tijdelijk onderdak nodig hadden. Daarnaast was zij sociaal actief, in de ouderraad van de school van haar beide zoons en in de Jeugdraad van Ede. Door hard te werken, kon ze zelfs haar zoons laten studeren.
Bronnen:
- Mededelingen van André Werner Haas
- Fragment van een ondertekende verklaring d.d. 26 november 1957 van Fritz Gerard Haas voor de aanvraag van herstelbetaling
- Gemeentearchief Ede, archief gemeentepolitie, toegang 1006, inventarisnummer 365, rapport 720-H van rechercheur H.A. Krevel
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Josef Hubert Palmen’ en ‘Apolonia van Buuringen’
- Legitimatie van ‘J.H. Palmen’, als medewerker van de Technische Nothilfe
- Zie de valse registraties van ‘Josef Hubert Palmen’ en ‘Apolonia van Buuringen’ op Slotlaan 193 en Slotlaan 12 (Donkerelaan 14)
- Zie de bewezen onderduikadressen Van der Merschlaan 28, Woudenbergseweg 3 en Van de Poll-laan 3
- Proces-verbaal van 22 oktober 1948 van de gemeentepolitie Zeist voor het onderzoek naar de illegale activiteiten van F.G. Haas tijdens de bezetting (kopie in bezit van de auteurs)
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inventarisnummer 97739 (dossier 15779), J.F. Carrière (dossier nog niet geraadpleegd)
- Verklaring van 8 juni 1945 van de Binnenlandse Strijdkrachten, dat F.G. Haas politiek betrouwbaar was
- Verklaring van 12 september 1945 van J.F. Carrière over illegaal werk van F.G. Haas
- Verklaring van 16 september 1945 van W. Hartog over leveringen van F.G. Haas, bestemd voor krijgsgevangenen- en concentratiekampen
- Vincent Lagerwij en Gert Plekkringa, ‘Ede 1940-1945’, Uitgeverij BDU, Barneveld, 1990
- Bericht in De Grafschapper en Nijmeegsch dagblad van 19 juli 1945 en De waarheid van 21 juli 1945 over de betrokkenheid van F.G. Haas bij het Verbond van Statenloze Slachtoffers van het Fascisme
- Rapport Onderzoek Levensvatbaarheid Firma Haas & Zoon, C.V. te Ede, door Accountantskantoor H. de Kat, Amersfoort, 27 augustus 1945
1. Gijsbrecht van Amstellaan 10
2.1. Bericht in De Avondpost van 7 december 1939
2. Van links naar rechts Ger Haas, Benno Haas, Alice Haas-Cerf, Cato Klisser-de Jong en Eddy Klisser in 1938 in restaurant Meerrust, Dorpsstraat 5, Warmond
3. Fragment van de verklaring van Ger Haas over zijn onderduikadressen
4. Valse persoonsregistratie van Fritz Gerhard Haas op naam van ‘Josef Hubert Palmen’ in het Zeister bevolkingsregister
5. De valse registratie van Alice Haas-Cerf in het bevolkingsregister van Zeist, als ‘Apolonia van Buuringen’
6. Het persoonsbewijs van Matthea van Leeuwen, waarop ‘J.H. Palmen’ als haar echtgenoot werd geduid (later gecorrigeerd)
7. Verklaring over het foutieve persoonsbewijs van Alice Haas-Cerf
8. Handafdruk van Eddy Klisser. Hij zou vermoord worden op 21 mei 1943 in Sobibor. (digitaal joods monument)
9. De verklaring van accountant H. de Kat uit Amersfoort









