Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement; zie ook Amalia van Solmslaan 28)

Onderduikers:

  • Emanuel Davidson, inkoper bij de HEMA (Amsterdam, 19 augustus 1902 – Groningen, 3 november 1955) en
  • echtgenote Hannah Davidson-de Jong (Tottenham-Londen, 8 september 1902 – Wormerveer, 30 januari, 1969)
  • zoon Leonard Davidson, scholier (Amsterdam, 24 mei 1927 – Krimpen aan den IJssel, 12 juli 2011)

Onderduikgevers:

  • Albertus van Wijnen, gepensioneerd schoolhoofd uit Nederlands-Indië (Vlaardingen, 24 juli 1890 – Zeist, 18 oktober 1969) en
  • echtgenote Pieternella Johanna van Wijnen-van den Sanden (Rotterdam, 9 november 1892 – Zeist, 18 september 1976)

Inwonend:

  • Cornelia Catharina van Wijnen-Blommestijn (Vlaardingen, 24 september 1867- Den Haag, 1949)
  • Geertruida Willemina Verwoert, huisverzorgster bij het Groene Kruis (Lienden, 11 augustus 1919 – Heteren, 17 september 2001)

Geen kinderen

Naar aanleiding van een interview in de NRC op 1 mei 2021 neemt Barbara Davidson contact op. Haar grootouders en vader hebben in Zeist ondergedoken gezeten op twee adressen van mensen die elkaars achterburen waren.

Extra bijzonder aan het onderduikverhaal van het echtpaar Davidson-de Jong en hun zoon Leo is onder meer dat ze er in geslaagd zijn om lang bij elkaar te blijven en dat zoon Leo (Leonard) – later een bekend journalist bij het Algemeen Dagblad – op bijzondere wijze verslag heeft gedaan van zijn onderduikervaringen.

Het echtpaar of hun Zeister onderduikgevers had(den) ongetwijfeld contacten met illegaal werkers. Een andere bijzonderheid is namelijk dat ze in Zeist verblijven onder valse identiteiten van nog levende Zeistenaren.

Emanuel Davidson wordt in het bevolkingsregister Zeist ingeschreven onder de valse identiteit ‘Gerard Geuchien Siemons’, geboren op 14 september 1904 in Djocjakarta, een Nederlands-Hervormde onderwijzer. Als adres in Zeist wordt Ruijsdaellaan 12 in Huis ter Heide genoteerd, met 22 oktober 1941 als vestigingsdatum. Dit is de bestaande identiteit van een gepensioneerde onderwijzer uit Nederlands-Indië. De werkelijke G.G. Siemons zal op 16 april 1944 in Zeist trouwen. De namen van zijn ouders zijn op het valse persoonsbewijs veranderd.

Hannah Davidson-de Jong heeft zich volgens haar persoonsbewijs op 16 juni 1941 op Ruijsdaellaan 12 gevestigd. Ze heeft een slecht vervalst persoonsbewijs op naam van ‘Alida Coljee, hulp in de huishouding, geboren op 27 november 1900 in Zeist en sinds 1937 weduwe van Johannes Nicolaas Gomersbach. De werkelijke Alida Coljee zal na de bevrijding overlijden.

Er bestaan tijdens de onderduikperiode in Zeist dus twee Gerard Geuchien Siemons’en en Alida Coljee’s met dezelfde geboortegegevens. Of de houders van de bestaande identiteiten weet hebben van het gebruik ervan voor joodse onderduikers is niet bekend.

Zoon Leo heeft geen vervalst persoonsbewijs. Omdat hij klein van stuk is, kan hij doorgaan voor een jongen die nog geen zestien jaar oud is.

Het eerste onderduikadres in Zeist betreft tijdelijke opvang, omdat in de woning van de achterburen – aangrenzende tuinen – eerst voorzieningen (schuilplaatsen) gemaakt moeten worden door de heer des huizes die aannemer is. Het eerste onderduikadres zal later aanvankelijk geduid worden als Amalia van Solmslaan 26, maar uit een latere beschrijving van Leo Davidson en de aanwijzing dat de tuinen van beide panden aan elkaar grenzen, is af te leiden dat het om Amalia van Solmslaan 28 gaat. Daar wonen namelijk de door Leo genoemde onderduikgevers, het echtpaar Leen en Jans Hilgeman-Verhoef. Dan moet het eerste opvangadres Frederik Hendriklaan 31 zijn. Dat klopt met de beschrijving van de bewoners door Leo Davidson.

Op beide adressen is overigens sprake van een hartelijke ontvangst en goede verzorging.

Het echtpaar Davidson-de Jong heeft een afweging gemaakt voordat ze besloten hebben om onder te duiken. De anti-joodse maatregelen hebben hun leven ook onmogelijk gemaakt. Zo moet zoon Leo Davidson tot zijn zeer grote verontwaardiging naar de joodse Mulo in de Christiaan de Wetstraat, wat dagelijks een halfuur heen en terug fietsen betekent, totdat ook fietsen niet meer mag. Het gaat maar door en het echtpaar voorziet grotere ellende. Omdat ze niet in een Sperr van de Joodse raad geloven, hebben ze besloten om onder te duiken. Wat betreft de gang naar Zeist en de onderduik op dat eerste adres aldaar zal Leo Davidson het volgende schrijven:

BEERTJE BLEEF THUIS

Het werd augustus 1942. We voelden dat ook wij spoedig aan de beurt zouden zijn. De concentratie van de Joden uit het hele land in bepaalde wijken in Amsterdam, was in volle gang. Het bedrijf van Puls werkte op volle toeren. In ‘sperren’ en functies bij de Joodsche Raad hadden mijn vader en moeder geen enkel vertrouwen. Er kwam bericht dat er een onderduikadres voor ons was.

Op een warme zomeravond verlieten we ons huis, opnieuw bleven opa en oma achter – bejaarden lieten de Duitsers nog ongemoeid in dat stadium.

We hadden in de dagen ervoor nog wat spulletjes bij niet-joodse vrienden ondergebracht. Wat antiek, zilver, grammofoonplaten, een enkel boek en wat familiepapieren. Ook dat was verboden. Verder bleef alles achter, ook mijn mooie speelgoed, mijn autootjes, mijn elektrische trein, mijn bruine beertje, dat ik als baby had gekregen, enkele keren door moeder opgelapt en dat altijd op de ombouw van opklapbed had gestaan….

Bij ons hadden we alleen een onopvallende tas met wat kleren. Vrienden zouden via onze contactman de rest wat we nodig hadden, nasturen. Natuurlijk hadden we de sterren met het woord Jood van onze kleren afgeknipt.

Mijn ouders gingen nog snel even naar de overkant om afscheid te nemen van de De Jongs. Ik vond dat te gevaarlijk en ging vast op weg.

Mijn vriendinnetje Renée Gompes was enkele weken eerder al door haar ouders weggebracht naar een onderduikadres. Zij zouden later volgen. “Renée is weg”, was alles wat ze erover zeiden. Ik was kapot, hoewel het toen niet meer ‘aan’ was tussen ons. Maar ik heb wel in haar kamertje staan janken. [René Gompes zal de oorlog ook in onderduik overleven. Zij is enig kind van Daniël en Anna Gompes-Hegt die op 21 mei 1943 vermoord worden in Sobibor.]

We liepen zo rustig mogelijk richting Ceintuurbaan. Mijn ouders aan een kant van de straat, ik aan de overkant. Ik meen dat we de eerste nacht in de Jan van der Heijdenstraat hebben doorgebracht bij de niet-joodse moeder van een half-joodse secretaresse van de HEMA. Een piepkleine bovenwoning, benauwd en beklemmend.

Maar onze gastvrouw was begrijpend en lief. Haar dochter kwam ’s avonds met ons praten. Iedereen was overstuur.

De volgende ochtend kwam een ons onbekende meneer ons halen. In de tram naar het Centraal Station, zonder persoonsbewijs want daar stond immers je eigen naam in en een J. nu was je iemand anders. De trein in naar Utrecht en daar in de tram naar Zeist. Een korte wandeling en we waren op ons eerste – tijdelijke – onderduikadres: een groot vrijstaand huis, bewoond door een echtpaar zonder kinderen van in de vijftig. Hij had in Nederlands-Indië gewerkt als onderwijzer, zij was stokdoof. Ze hadden een nicht in huis van jong in de twintig waar de heer des huizes opvallend veel belangstelling voor toonde.

De ontvangst was allerhartelijkst, alsof we graag geziene gasten waren, oude bekenden.

De volgende ochtend werden we gewekt door de heer des huizes met een kopje thee, terwijl hij zong: “Heēla gij bloempjes, slaapt gij nu nog!” Wonderlijk dat zoiets onnozels je bij blijft. Waarschijnlijk sneed het door je heen in die emotioneel geladen dagen.

We bleven er veertien dagen terwijl in het huis in de laan erachter – de tuinen grensden aan elkaar – alles in gereedheid werd gebracht voor de drie onderduikers. Daar zouden we langer blijven.

Het was eigenlijk ook een vrij normale logeerpartij. Ik ging zelfs op een avond naar een feestje bij de buren, een verjaardag van de beeldschone dochter van die mensen. Ze heette Rietepiet. Ik heb vanuit de tuin van ons echte onderduikadres nog dikwijls door de struiken naar Rietepiet gekeken. Op het feestje was ik ‘Leo uit Amsterdam’.

Het echte onderduiken gebeurde op de Amalia van Solmslaan 26 bij LEEN en JANS HILGEMAN en hun kleine kinderen LETTY en GERDA.

(Het juiste adres is Amalia van Solmslaan 28.)

Op Frederik Hendriklaan 31 wonen de gepensioneerde onderwijzer Albertus van Wijnen, voormalig schoolhoofd uit Nederlands-Indië, zijn echtgenote Pieternella van der Sanden, zijn moeder en de nog ongehuwde Geertruida Willemina Verwoert. Laatstgenoemde is huisverzorgster bij het Groene Kruis, waarvoor de heer des huizes bestuurlijk actief is geweest.

Het kinderloze echtpaar Van Wijnen-van der Sanden is eind maart 1935 vanuit Bussum naar Zeist gekomen en ze zijn ongetwijfeld de eerste bewoners van het pand.

Albertus van Wijnen heeft zich in Zeist ontpopt tot een uiterst actief bestuurder. Zo is hij voorzitter geweest van het lokale Groene Kruis, van de afdeling Zeist-Bunnik, van de liberale Staatspartij en van de afdeling Zeist van de vereniging ‘Eenheid door democratie en de Vereeniging voor Neutraal Voorbereidend Onderwijs’. Verder is hij lid (geweest) van de Oranje-vereniging, de ‘Vereeniging tot opvoeding van half verweesde, verwaarloosde en verlaten kinderen’, het burgercomité tot behoud van het ziekenhuis, en – tot in 1941 – van de gemeenteraad namens de Liberale Staatspartij.

Naast dat alles is Albertus van Wijnen een actieve esperantist. In de naoorlogse jaren vinden regelmatig bijeenkomsten van lokale esperantisten plaats in zijn woning.

Echtgenote Pieternella van Wijnen-van den Sanden heeft zich ook niet onbetuigd gelaten, als secretaresse van de bazarcommissie van het Groene Kruis, bij een collecte voor het Dorus Rijkers-fonds en als pianiste bij bijeenkomsten van de vereniging van slechthorenden. Bij die vereniging is zij betrokken omdat ze slechthorend is.

In zijn verschillende bestuurlijke hoedanigheden heeft Albertus van Wijnen meerdere mensen leren kennen, die tijdens de bezetting onderduik geven of ander illegaal werk doen. Zoals SDAP-raadslid Johan Scheps, de weduwe Bakhuis-Wolters (voormalig SDAP-raadslid) en de prominente Zeistenaar Dirk Brandwijk.

Op vrijdag 1 oktober 2021 bezoeken Barbara Davidson en haar beide dochters Zeist, na die dag eerst een bezoek aan het Holocaust-namenmonument in Amsterdam te hebben gebracht. Vanaf de plek waar eerst een tramhalte was bij het Walkartpark maken ze de wandeling die de grootouders en vader van Barbara indertijd – onder totaal andere omstandigheden – gemaakt moeten hebben naar Frederik Hendriklaan 31. Daar mogen ze binnen kijken en dat herhaalt zich op Amalia van Solmslaan 28. De schuilplaats die er ooit was, is er niet meer.

Bronnen:

  • Mededelingen van Barbara Davidson en van Marijke en Gerard van Delft-Verhoek
  • Verhaal Leo Davidson (juni 1991)
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Gerard Guechien Siemons’ en ‘Alida Coljee’
  • www.geheugenvanzeist.nl, collectie, oude krantenberichten over het echtpaar Van Wijnen-van den Sanden
  • Myheritage, persoonsgegevens van betrokkenen
  • Zie het bewezen onderduikadres Amalia van Solmslaan 28

1. Frederik Hendriklaan 31

2. Emmanuel en Hannah Davidson-de Jong

3. Advertentie in de Zeister Post van 12 mei 1945

4. Leo Davidson in 1945 als militair

5. Bericht uit de Zeister Post van 13 oktober 1945 over de nieuwe gemeenteraad van Zeist, met onder meer A. van Wijnen

6. Leo Davidson weer als burger

7. De voormalige onderduikgevers Van Wijnen-Blommestijn

8. idem, tijdens een avondje met andere Esperantisten