Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)

Onderduikers:

  • Carl Friedrich Sonnenfeld, kunsthistoricus, fabrikant van mode-artikelen (Hamburg-Duitsland, 22 oktober 1895 – 6 december 1956)
  • echtgenote Else Sonnenfeld-Gamitzer, leidster rusthuis (Hagen-Duitsland, 3 oktober 1897 – Haifa-Israël, 8 september 1994)
  • zoon Walter Gustav Sonnenfeld (Hagen-Duitsland, 11 juli 1925 – Amsterdam, 4 oktober 2004)

Onderduikgeefster:

  • Neeltje Maria Krijgsman-Beddigs, weduwe (Rotterdam, 24 oktober 1881 – Zeist, 30 november 1945), bijgestaan door een van haar beide volwassen dochters en schoonzuster (?):
  • dochter Anna Jacoba Krijgsman, onderwijzeres (Zeist, 17 maart 1915 – Rijnsburg, 5 oktober 1996)
  • schoonzuster Suzanna Krijgsman, ongehuwd, onderwijzeres bewaarschool (Kralingen, 16 november 1883 – Utrecht, 3 mei 1956)
  • Op 1 mei 2021 reageerde Marieke Siblesz op een interview met de beide auteurs in de NRC van 30 april 2021:

‘*Naar aanleiding van het verhaal in NRC schrijf ik u omdat ik benieuwd ben of u het onderduiken van een echtpaar met hun zoon bij mijn grootmoeder ook heeft opgenomen in het boek.

Ik begrijp dat u en uw man graag iedereen die in onderduik zat in Zeist willen herdenken.

Helaas weet ik alleen dat zij Esther heette en haar zoon Walter.

Mijn grootmoeder woonde In de Fransen van de Puttelaan in Zeist en ze heette N. Krijgsman-Beddigs.*’

Naar aanleiding van deze reactie ontstond er een emailwisseling, waarbij al gauw de identiteit van de onderduikers bepaald kon worden. Duidelijk werd dat het ging om het echtpaar Carl Friedrich en Else Sonnenfeld-Camnitzer met zoon Walter, ook gelet op naoorlogse contacten. Deze drie onderduikers waren in het bevolkingsregister van Zeist ingeschreven onder de valse namen ‘Johan en Else Zonneveld-Gamnitzer’ en ‘Walter Zonneveld’. Ook het merendeel van de overige gegevens op de kaart waren vervalst, afgezien van het beroep van Carl Friedrich Sonnenfeld (fabrikant) en de geboorteplaats (Hagen-Duitsland) van Else Sonnenfeld-Camnitzer. ‘Johan Zonneveld’ zou bijvoorbeeld geboren zijn in Langbroek, waar hij met zijn echtgenote op het niet-bestaande adres Dorpsstraat 23 zou hebben gewoond.

De registraties vertonen enkele, in kennelijke haast gemaakte slordigheden. Zo zou Zonneveld, voordat hij naar Zeist kwam, in Amsterdam gewoond hebben en zijn echtgenote niet. Zoon Walter zou een heel andere route gevolgd hebben dan zijn ouders die genoteerd werden als ‘Karel en Else Zonneveld-Camnitzer’ en zou geboren zijn in Venlo, net als zijn vader ‘Karel Zonneveld’.

Het joodse gezin Sonnenfeld-Camnitzer had in het jaar van de machtsovername door Hitler gewoond in het Duitse Hagen, met een bloeiende joodse gemeenschap. In de hoop de nazi-propaganda en boycotmaatregelen af ​​te zwakken, was eind maart 1933 een advertentie verschenen in de Hagener Zeitung, geplaatst ondertekend door de synagogegemeenschap van Hagen, de Centralverein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens en de Reichsbund jüdischer Frontsoldaten, waarin “elke inmenging van het buitenland in de binnenlandse Duitse omstandigheden” werd afgewezen. Als gevolg hiervan moesten sommige joodse zakenlieden hun bedrijf opgeven. Het klimaat was al gauw steeds guurder geworden en in september 1933 was het gezin Sonnenfeld-Camnitzer naar Amsterdam gevlucht. Carl Friedrich Sonnenfeld was een oorlogsinvalide uit WO I, maar had desondanks geen toekomst meer gezien in Duitsland. In Amsterdam had het gezin op verschillende adressen gewoond en vanaf 1936 op Euterpestraat 78, waar ze onder meer een rusthuis vestigden. Else Sonnenfeld-Camnitzer had daar de leiding over gekregen.

Zelf gevlucht, hadden ze in Nederland meegekregen hoe het de familie in Duitsland was vergaan. Elses zuster Grete was getrouwd met schoenenhandelaar Hugo Gross. In 1936 hadden zij hun mooie zaak ver onder de prijs moeten verkopen. Aantekening hierover in de stadskroniek van Gelsenkirchen, op 18 oktober 1936 (vertaald): ‘Zoals de National-Zeitung bericht, zijn twee grote joodse winkels aan de Bahnhofstrasse onlangs weer in Arisch bezit gekomen. De National-Zeitung schrijft: “Het representatieve bedrijfspand van de schoenen-Jood Gross is overgenomen door porseleinhuis Kettgen, terwijl de meubel-Jood Broch in de glazen doorgang plaats heeft gemaakt voor de Arische meubelhandelaar Heiland. Dit is weer een succesvolle stap richting de ‘ont-joodsing’ van de Bahnhofstrasse, die is doorgevoerd, is meer toe te juichen, aangezien deze grootste winkelstraat in onze geboortestad niet ten onrechte als hun vlaggenschip kan worden beschouwd.”

Hun gezin had moeten verhuizen naar een etagewoning die tijdens de Reichspogromnacht van 9 op 10 november 1938 totaal verwoest werd. Vier dagen later schreef de gewaarschuwde Carl Sonnenfeld daarover aan het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen (vertaald):

Ter RECHTVAARDIGING van dit verzoek wil ik u meedelen dat mijn schoonzuster naar bovenstaand adres is gevlucht, omdat er waarachtig niet één kopje of stuk wasgoed intact bleef in haar appartement, en haar echtgenoot voor haar ogen ernstig werd mishandeld, wat ze onder bedreiging met een revolver mee moest aanzien. Hij werd verbonden en naar de gevangenis gebracht.

Hugo Gross – een met het ijzeren kruis gedecoreerde oorlogsveteraan uit WOI – was met knuppels ernstig mishandeld door een SA-bende, tot bloedens toe.

Het klemmende verzoek van Carl Sonnenfeld, zelf ook veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, betrof de toelating van de twee, zwaar getraumatiseerde dochtertjes van het getroffen gezin, Lieselotte (14,5) en Ursula (11). Het echtpaar Sonnenfeld-Camnitzer verklaarde zich bereid om de kinderen in huis te nemen en voor ze te zorgen. (De kinderen kwamen, maar werden uiteindelijk los van elkaar ondergebracht in andere gezinnen. Hun ouders kwamen in 1939 ook en in Nederland beleefden ze vervolgens een zware martelgang na de Duitse inval. Hugo Gross zou vermoord worden in Auschwitz.)

Tijdens de bezetting kreeg Carl Sonnenfeld aanvankelijk een Sperr vanwege zijn belang voor de Wehrmacht. Zijn echtgenote had een eigen Sperr (een voorlopige vrijstelling van deportatie), als leidster van het rusthuis Euterpe, op Euterpestraat 78. Deze straat kende de nodige joodse bewoners. Zo hield het echtpaar Friedrich Nathan en Franziska Spanier-Jungbluth in de buurpanden 80 en 82 een pension – dit echtpaar en hun twee kinderen zouden vermoord worden.

De Euterpestraat werd gedurende de bezetting berucht vanwege de vestiging van het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in Nederland en van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung.

Dochter Lore Sonnenfeld (1922) was in 1941 naar Palestina vertrokken. In augustus 1943 moesten haar ouders en broer Walter nog verhuizen naar Afrikanerplein 13 I, maar hun Sperren waren toen waarschijnlijk al vervallen. Zij besloten onder te duiken en werden mogelijk gescheiden ondergebracht. Dat wil zeggen, de beide ouders werden onder hun valse identiteiten geregistreerd op Charlotte de Bourbonlaan 20, met ingang van 27 september 1942, terwijl zoon Walter niet in Zeist geregistreerd werd. Op enig moment kwamen ze gezamenlijk in onderduik op Fransen van de Puttelaan 26.

Fransen van de Puttelaan 26 was een vrijstaand pand dat ontworpen en bewoond werd door de architect Hugo Gerardus Krijgsman (Kralingen, 6 augustus 1881 – Zeist, 6 november 1941). Hij had het kavel van 8 are 40 ca op 10 juni 1924 voor 4.000 gulden gekocht. Krijgsman woonde al in het begin van de 20e eeuw in Zeist, aanvankelijk (rond 1910?) op Herenstraat (nu Herenlaan) 59 en later op Steinlaan 29 en 14. Op 30 mei 1912 was hij getrouwd met de onderwijzeres Neeltje (Nelly) Maria Beddigs, waarna het echtpaar op Steinlaan 38 ging wonen. Hij was van beroep bouwkundig tekenaar en later architect chef de bureau bij de bekende Zeister architecten Theo en Jan Stuivinga die onder meer het Zeister gemeentehuis ontwierpen. Zelf had hij in 1926 een prijs gewonnen met het ontwerp van de Nassaukerk in Amsterdam.

De Fransen van de Puttelaan was in die tijd anders van vorm dan tegenwoordig: 14 woningen rechts en 12 woningen links. De woningen waren ruim opgezet. Op nummer 26 woonden de weduwe-moeder (in 1934 overleden) en ongehuwde zuster van Hugo Krijgsman in. De bewoning van de laan verraadde een zekere allure. Zo woonden er eind jaren dertig douairière C.W. van Asch van Wijk (nummer 3), jonkheer mr. W.C. Bosch van Oud-Amelisweerd (10), de dames De Monté ver Loren (24) en op nummer 5 werkgever Th.F. Stuivinga van Hugo Krijgsman.

Het gereformeerde echtpaar Krijgsman-Beddigs was actief in Zeist geweest. Hugo Krijgsman was in de jaren 1921-1941 penningmeester of bestuurslid van de Bijzondere ULO-school op Gereformeerde grondslag in de Fransen van de Puttelaan. Neeltje Krijgsman-Beddigs zat in het lokale comité voor handwerken. De inwonende (schoon)zuster Suzanna Krijgsman was in 1917 en 1918 secretaresse geweest van het Comité voor de Zending (ook Medische) van de Gereformeerde kerken van Utrecht en Gelderland. Er waren dus connecties en bovendien woonde op nummer 20 H.G. Sliedrecht die geparenteerd was aan de nodige onderduikgevers.

De twee dochters Ans en Nel (1915, 1919) van het echtpaar Krijgsman-Beddigs waren bij het begin van de bezetting al volwassen. Oudste dochter Ans was leerling-verpleegster en woonde tijdens de bezetting in Den Haag.

Hugo Krijgsman overleed in 1941, op 60-jarige leeftijd.

Wanneer de onderduik begon voor het echtpaar Sonnenfeld-Camnitzer is niet duidelijk. Gelet op hun valse registratie in Zeist zijn ze geholpen door illegaal werkers. Als ze inderdaad in Zeist eerst op Charlotte de Bourbonlaan 20 ondergedoken hadden gezeten, zullen ze in 1943 of 1944 naar Fransen van de Puttelaan 26 gekomen zijn. Wie daarin bemiddelde, is niet bekend. De onderduikers kregen de beschikking over de ruime zolderverdieping (met twee kamers) van het grote huis. Toen op zeker moment twee Duitse officieren ingekwartierd werden, bleven de onderduikers op de zolder. Op Fransen van de Puttelaan 26 zou nu niet gauw meer naar joodse onderduikers gezocht worden. De onderduikers overleefden de bezetting en kregen in 1949 de Nederlandse nationaliteit.

Waar haar echtgenoot dus in het begin van de bezetting was overleden, was Neeltje Krijgsman-Beddigs in november 1945 gestorven. Ze had dat jaar, na de bevrijding, nog de huwelijken van haar beide dochters meegemaakt.

Tussen die dochters en met name Else Sonnenfeld-Camnitzer bleef een band. Zo ging kleindochter Marieke Siblesz van de onderduikgeefster met haar moeder op bezoek bij het gezin Sonnenfeld-Camnitzer. Maar halverwege 1951 gingen de echtelieden apart wonen en begin december 1956 scheidden Carl Friedrich Sonnenfeld en Else Camnitzer officieel van elkaar. Sonnenfeld was in de zomer van 1955 vertrokken naar Vevey aan de Zwitserse Rivièra. Zoon Walter Gustav Sonnenfeld was eind 1952 al vertrokken naar Lima in Peru, maar keerde vijf jaar later terug naar Amsterdam en bleef daar tot zijn dood in 2004 wonen.

Else Camnitzer hertrouwde na de scheiding, in mei 1958, in het Engelse Bornemouth met de in Roemenië geboren Erich Mokrauer. Ze reisde een klein jaar na het huwelijk voor enkele maanden naar Israël, maar van 1958 tot 1971 woonde ze weer op haar Amsterdamse adres, om vervolgens voorgoed naar Israël te vertrekken. Van daaruit stuurde ze als dank naar de dochters van haar onderduikgeefster jaarlijks een kist met sinaasappels. Ze overleed in 1994, 96 jaar oud. De overlijdensdatum van haar eerste echtgenoot Carl Sonnenfeld is niet bekend.

Het onderduikhuis aan de Fransen van de Puttelaan bleef na de bevrijding nog meer dan tien jaar in de familie. Het pand werd tot haar overlijden in 1956 bewoond door Suzanna Krijgsman. Daarna werd het huis verhuurd aan het echtpaar Bij ’t Vuur-Overmaat, de ouders van auteur Heleen bij ’t Vuur van het Onderduikboek, die in haar jeugd in de voormalige onderduikruimte sliep. De woning werd nog in 1956 vernummerd naar 34 en 36 (wel één kadastrale eenheid).

De administratieve connectie met co-auteur Gerrit van der Vorst bestaat in dit geval overigens uit het gefingeerde, voormalige woonadres van Walter Sonnenfeld in Venlo, Kaldenkircherweg (Kaldenkerkerweg) 110, 13 nummers verwijderd van het voormalig ouderlijke woonhuis van Van der Vorst.

Bronnen:

  • Mededelingen van Marieke Siblesz
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Johan en Else Zonneveld-Gamnitzer’ en ‘Walter Zonneveld-Camnitzer’
  • Geheugen van Zeist, collecties: adresboeken en oude kranten
  • spurenimvest.de, Spuren im Vest, Judem im Vest Recklinghausen, Lieselotte Gross
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Karl I. Sonnenfeld en Else S. Camnitzer
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Carl Friedrich Sonnenfeld, Else Camnitzer, Walter Gustav Sonnenfeld, Lore Sonnenfeld en Erich Mokrauer
  • www.joodsamsterdam.nl, Euterpestraat (geen vermelding van het echtpaar Sonnenfeld-Camnitzer)
  • Wikipedia, Jüdische Gemeinde Hagen, Nassaukerk en Theo Stuivinga

1. Fransen van de Puttelaan 34

2. Fransen van de Puttelaan 34, voor de bezetting

3. Achterzijde van het huis in vroeger tijden

4. De Synagoge van Hagen, verwoest tijdens de Reichspogromnacht (Wikipedia)

4.a. Het dringende verzoek van Carl Sonnenfeld aan het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen

5. De vervalste persoonsregistratie van Carl Friedrisch Sonnenfeld in het bevolkingsregister van Zeist

6. De vervalste persoonsregistratie van Else Sonnenfeld-Camnitzer in het bevolkingregister van Zeist

7. De valse persoonsregistratie van zoon Walter in het bevolkingsregister in Zeist

8. De Nassaukerk in Amsterdam, ontworpen door architect Hugo Krijgsman

9. Het gezin Krijgsman-Beddigs omstreeks 1925

10. Neeltje Krijgsman-Beddigs op oudere leeftijd

11. De Joodse-Raad-kaart van Else Sonnenfeld-Camnitzer