Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 211-224; licht gewijzigd)
In memoriam:
Onderduikers:
- Hartog Komkommer, reiziger in dranken (Amsterdam, 24 mei 1891 – Mauthausen, 12 april 1945), bereikte de leeftijd van 53 jaar
- Joseph Posener, leraar MO gymnastiek (4 september 1908 – Mauthausen, 14 maart 1945), bereikte de leeftijd van 36 jaar
- echtgenote Esther Posener-Goudsmit (9 augustus 1909 – Auschwitz, 6 september 1944), bereikte de leeftijd van 35 jaar
- zoontje Frits Leendert Posener (Amsterdam, 11 november 1940 – Auschwitz, 6 september 1944), bereikte de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden
- Schoontje Soesman, ongehuwd, kamerverhuurster (Zwartewaal, 25 augustus 1883 – Auschwitz, 6 september 1944)
Overige onderduikers (overlevenden):
- Mietje Komkommer-de Vries (Amsterdam, 23 september 1892), gehuwd met Hartog Komkommer
- dochter Sara Komkommer (Amsterdam, 18 april 1916)
- Lena Velleman, tijdens de bezetting ongehuwd, geen beroep (Amsterdam, 22 november 1922 – Amsterdam, 17 april 2012)
Onderduikgeefster:
- Jacoba Hendrika Vrij, vanaf eind 1940 gescheiden, pensionhoudster (Zwartewaal, 8 mei 1897 – Oudenrijn, 5 april 1949)
Twee kinderen (1924, 1930)
De woning Frank van Borselenlaan 4 kent een zeer beladen oorlogsgeschiedenis. In 1940 betrekt Ko (Jacoba Hendrika) Vrij met haar kinderen Dick en Enny het grote pand. Ze zijn afkomstig uit Den Briel.
Echtgenoot en vader Cornelis Ribbe is een bekende Briellenaar. Hij exploiteert in die plaats een grote banketbakkerij, waar onder meer de indertijd vermaarde Ribbe’s Brielsche zandtaartjes gebakken worden. Nadat Jacoba Hendrika Ribbe-Vrij er in 1938 achter is gekomen dat haar man een relatie met een winkelmeisje heeft, is Ko, zoals ze genoemd wordt, stante pede vertrokken. De scheiding zal pas op 16 december 1940 volgen, maar Ko Vrij zal altijd de achternaam Ribbe blijven gebruiken.
Nadat ze even door haar ouders in Zwartewaal wordt opgevangen, verhuist ze naar Rotterdam, waar zij en haar beide kinderen op 14 mei 1940 ter nauwer nood ontkomen aan het grote bombardement. Een nicht van Ko Vrij woont in Zeist en daar vertrekken ze dan naartoe. Voor 48 gulden per maand kunnen ze het grote huis op Frank van Borselenlaan 4 huren. Omdat de alimentatie van 125 gulden per maand niet toereikend is voor het levensonderhoud van haar gezin, besluit Ko Vrij om kamers te verhuren.
In oktober 1942 gaat Ko Vrij met zoon Dick naar Rotterdam, voor een verjaardagsfeestje bij een joodse vriendin uit Zwartewaal. Als ze daar horen dat ze Zeist kamers verhuurt, wordt haar gevraagd of ze onderduik wil bieden aan drie joodse Amsterdammers die zich nu in Rotterdam bevinden. Het gaat om het echtpaar Hans (Hartog) en Marie (Mietje) Komkommer-de Vries en hun dochter Zus (Sara) Komkommer. De stevige, spontane maar wat naïeve Ko stemt toe, en reist met zoon Dick en het joodse gezin terug naar Zeist.
De spanningen lopen hoog op tijdens de reis, omdat op het balkon van de trein een verdacht type – een SD’er? – staat te roken, dat veel belangstelling lijkt te hebben voor Zus Komkommer. Weliswaar dragen de Komkommers hun jodenster niet meer, maar een deels mislukte poging van Zus Komkommer om haar kapsel te blonderen heeft haar een opvallend uiterlijk gegeven. Dick Ribbe probeert de man aan de praat te houden. Als die in Gouda uitstapt, vrezen Ko Vrij en haar medereizigers dat hij hen gaat aangeven. Net voordat de trein verder rijdt, probeert de man vergeefs om opnieuw in te stappen, maar de treindeuren sluiten zich voor zijn neus. In grote spanning wordt de reis naar Utrecht vervolgd, met de vrees dat de Sicherheitspolizei ze daar zal opwachten. Dat blijkt echter niet het geval. Toch nemen ze in grote haast de tram naar Zeist, waar ze bij de halte Renesselaan uitstappen en snel naar de Frank van Borselenlaan lopen.
Ko Vrij heeft haar eerdere huurders, het gezin De With, gevraagd om plaats te maken voor de nieuwkomers. Het gezin kan verhuizen naar het Griffensteynseplein, maar is nu wel op de hoogte van de onderduiksituatie.
Op dezelfde verjaardag in oktober 1942 is aan Ko Vrij gevraagd of ze ook Schoontje Soesman wilde opnemen. Ook dat heeft Ko goed gevonden. Schoontje, voormalig kamerverhuurster van beroep, komt korte tijd later op eigen gelegenheid naar Zeist. Haar aanwezigheid vormt wel een extra belasting, want ze lijdt aan open tbc. Ze verblijft geïsoleerd op de zolder.
Bij onderduikgeefster Ko Vrij zelf wordt nog in 1942 borstkanker geconstateerd. De arts vertelt haar zoon Dick, dat zijn moeder nog zeven jaar heeft, een prognose die uit zal komen.
Er zijn dan dus vier onderduikers op Frank van Borselenlaan 4: Schoontje Soesman, Hans, Marie en Zus Komkommer die overigens ook de naam Celina gebruikt. Als koerier fungeert voor hen Bob Goudsmit. Hij brengt wekelijks films, sigaretten en geld waarmee voor de onderduik betaald kan worden. Zus Komkommer heeft als secretaresse voor hem gewerkt.
Hans Komkommer is een prettige onderduiker, maar zijn echtgenote en dochter zijn mondaine en redelijk dominante types. Dat irriteert af en toe.
Een uitkomst is wel dat Marie Komkommer-de Vries uitstekend kan koken. Ze bakt voor elke sabbat een appeltaart. De bijdrage van de zieke Schoontje Soesman aan het huishouden beperkt zich tot het schillen van aardappels.
Al gauw worden op voorstel van koerier Bob Goudsmit zijn zuster Els Posener-Goudsmit, haar echtgenoot Jo Posener, beider zoontje Fritsje (Frits Leendert) Posener op dit onderduikadres ondergebracht. En daarna komt ook Bobs verloofde Leny (Lena) Velleman als laatste, in november 1942. Ze komt van een ander onderduikadres af. Zware slagregens vergezellen ‘Liesje van der Velden’, zoals haar onderduiknaam zal worden, en haar begeleider op de korte wandeling naar Frank Van Borselenlaan 4.
Voor kleine Fritsje Posener wordt een onderduikadres gevonden, waar hij met andere onderduikertjes kan spelen. Hij gaat daar een paar dagen na aankomst in Zeist naar toe. Voortaan zoekt Enny Ribbe het jongetje elke woensdag op zijn onderduikadres op. Ze speelt dan met hem en kan later zijn ouders vertellen hoe het met hem gaat. Ze is onder de indruk van de Poseners die ze bijzondere, prettige mensen vindt.
Vrijwel elke ruimte in Frank van Borselenlaan 4 is nu in gebruik. Voor de hoofdbewoners is nog maar weinig ruimte. In een kamertje beneden achter (anno 2019 onderdeel van de keuken) slaapt Dick Ribbe. In de keuken staat, vlak naast de deur naar de gang, een grote zwarte kachel voor de verwarming, die met kolen (cokes en antraciet) wordt gestookt. Ko Vrij en dochter Enny slapen in een bed op de grote kamer aan de voorkant van de eerste verdieping.Verder hebben op de eerste verdieping de onderduikers Leny Velleman en Zus Komkommer een klein kamertje aan de voorkant. Ze slapen in een twijfelaar. In de grote kamer aan de achterkant slaapt het echtpaar Komkommer-de Vries. Jo en Els Posener-Goudsmit wonen op de kleinste kamer achter. Dat is ook de ‘woonkamer’ voor de onderduikers die, op Leny Velleman na, nooit beneden komen in verband met de grote ramen op de begane grond. In die ‘woonkamer’ woont men ook. Op zolder verblijft de zieke Schoontje Soesman.
Er zijn schuilplaatsen met doorgangen achter de lambrisering op de zolder. Aan de noordwestkant zit een luik in de lambrisering, waardoor het huis van nummer 2 bereikt kan worden, waar een radio verstopt zit, terwijl nummer 6 bereikt kan worden via een luik aan de voorkant. Daar woont een echtpaar, waarvan de vrouw een geboren Duitse is. Maar ze is uitermate anti-Duits.
Er ontstaat een soort gemeenschap, onder de vleugels van de zeer gewaardeerde Ko Vrij die door iedereen ‘Tante Ko’ wordt genoemd. Behalve de zeven joodse onderduikers op nummer 4, neemt ook het ondergedoken joodse echtpaar Leo en Henny Visschschraper-de Lange van Frank van Borselenlaan 2 daaraan deel. Op de bovenverdieping is een doorgang tussen beide panden. Leo Visschschraper is een zeer graag geziene gast, een geweldige sfeermaker.
Dochter des huizes Enny kan geen vriendinnetjes mee naar huis nemen, maar daar staat tegenover dat de onderduik bij hun thuis een spannend en geheimzinnig avontuur is. De oorlog gaat trouwens toch al niet voorbij aan de wijk. Op de hoek van de Frank van Borselenlaan en de Gijsbrecht van Amstellaan valt een Britse bom en aan het eind van de oorlog vliegen V1-bommen hoorbaar over, met hun sissende geluid. In de eerste huizen aan de Cornelis Schellingerlaan wonen NSB’ers en in het Slot zitten Duitsers. Maar de onderduiksituatie maakt het extra spannend.
Enny kijkt haar ogen uit naar de accessoires die de stadse dames Komkommer gebruiken, zoals oogschaduw, poeder, rimmel, rugkrabbertjes enzovoorts. De Komkommers roken, dragen sieraden en vooral de enkelbandjes van de dames maken indruk op Enny die 12 jaar oud is in 1942. Onder invloed van deze onderduiksters gaat ze zelf ook roken. Op zaterdagavond worden er films vertoond, er worden cabaretavondjes georganiseerd en de sabbat wordt gevierd. Zo ook verjaardagen, het zijn gelegenheden om het even gezellig te hebben. Elke middag wordt er voorgelezen. ‘Tante Ko’ zorgt iedere week voor een boek, waar dan bij toerbeurt uit voorgelezen wordt.
De onderduikers mogen soms even in de tuin komen, maar tijdens haar twee jaar durende onderduik gaat Leny Velleman slechts twee keer de straat op. Zij komt er steeds meer achter dat onderduiken erger is dan een gevangenisstaf uitzitten. Je zit gevangen en hebt bovendien de permanente angst om ontdekt te worden: ‘Alle zekerheden worden onder je weggehaald.’
Het onderduikverhaal is voor Ko Vrij begonnen met de noodzaak om extra geld te verdienen voor haar gezin. De onderduikers betalen ook kamerhuur. Van Leny Velleman is bekend dat voor haar verblijf 30 gulden per week betaald wordt. Dat heeft haar vader via haar verloofde Bob Goudsmit geregeld. Als Leny’s ouders in augustus 1943 gedeporteerd worden, stopt de betaling prompt. Ko Vrij heeft daar begrip voor en maakt er geen woorden aan vuil.
De gemeenschap op Frank van Borselenlaan 4 komt aanvankelijk ook niets te kort. De etenskast is doorgaans goed gevuld, met voedsel voor tien mensen. Banketbakker Co Ribbe draagt bij aan de voedselvoorziening door brood en roomboter te sturen. Soms laat hij ook Het Parool brengen, een belangrijke verbinding met de buitenwereld. Aan voedselbonnen is aanvankelijk geen tekort, maar als Els Posener-Goudsmit zwanger blijkt te zijn, stapt Ko Vrij naar haar illegale contact voor extra etensbonnen: ‘Ik heb er nu een die eet voor twee.’ Wat ze niet weet, is dat haar vraag op een wel zeer ongelukkig moment komt.
– 0 – 0 – 0 –
De verraadster Ans van Dijk is in de loop van 1944 te bekend geworden in Amsterdam. Daarom wijkt ze in de zomer uit naar Zeist. Daar is ze half oktober 1943 al eens geweest met drie vrouwelijke helpers, om joodse onderduikers te arresteren, maar eind juli/begin augustus 1944 wil ze met het echtpaar Willem en Branca Houthuijs-Simons opnieuw naar Zeist, zogenaamd voor drie weken vakantie. In werkelijkheid gaan de verraders op zoek naar nieuwe slachtoffers.
Eerst echter nemen ze poolshoogte. Ans van Dijk en haar eveneens joodse helpster Branca Simons gaan op de fiets op verkenning uit. Ze zien de Zeistenaar L.L. voorbij fietsen, een 24-jarige vertegenwoordiger in auto-onderdelen. Of er voor L. in die tijd nog goed te verdienen valt, is de vraag. Hij zou tijdens de bezettingstijd minstens drie keer in aanraking komen met de Zeister politie. Eerst op maandag 24 mei 1943:
‘12.30 uur In cel 12 ter beschikking van C. v. P. gesteld L [naam voluit in rapport], geboren 10 October 1919 te Amsterdam, vertegenwoordiger, wonende Charlotte de Bourbonlaan 58 te Zeist, verdacht van diefstal van F. 125 ten nadeel van Mevr. Stolwijk, Bergweg 66a te Zeist, gepleegd in de week van 11/18 April 1943.’
Twee dagen later is L.L. op last van de waarnemend korpschef vrijgelaten.
Op die zomerdag in 1944 ziet L.L. er volgens Ans van Dijk nogal joods uit (wat hij overigens niet is). Om met hem in contact te komen, fingeren de verraadsters een lekke band. Als die truc werkt, praten ze in een plaatselijk café nog wat met L., waarbij ze hem om een vakantieadres vragen. Ze hebben zich voorgesteld als ‘Ans de Jong’ en ‘Jopie Visch’, en ze laten doorschemeren dat zij betrokken zijn bij de ondergrondse en daardoor kunnen beschikken over grote hoeveelheden distributiebonnen.
L.L. lijkt nogal gecharmeerd van Branca Simons. In elk geval vertrouwt hij de beide vrouwen en vertelt ze dat ook hij betrokken is bij het illegale werk. Ans van Dijk en Branca Simons beschikken nu zowel over een vakantieadres in Zeist als over een contact in de illegaliteit aldaar. Nog voordat de ‘vakantie’ in Zeist daadwerkelijk aanbreekt, is er regelmatig contact tussen L. en het ‘verzet’ in Amsterdam. De Zeistenaar gaat een paar keer op bezoek in Amsterdam en leert Willem Houthuijs, alias ‘Meerman’, kennen, de echtgenoot van Branca Simons. ‘Meerman’ strooit met gratis bonkaarten, die hij van de Sicherheitspolizei heeft meegekregen, om vertrouwen te winnen, en vraagt L.L. of hij misschien adressen van ondergedoken joden weet. Die kunnen de bonkaarten vast wel goed gebruiken. Ook Ans van Dijk hoort L. uit over de onderduikadressen, waarbij de Zeistenaar vertelt dat er in Zeist een geheime zender is. Bij zijn eigen vader, wel te verstaan.
Intussen is het echtpaar Houthuijs-Simons eind juli 1944, samen met Ans van Dijk en haar vriendin Mies de Regt, naar Zeist gekomen. Ze zijn door L.L. verwezen naar een pension in de Berkenlaan. Al in de eerste nacht vergiftigen ze de verhuurster. Ze geven haar ’s nachts paling en na een aantal uren krijgt de pensionhoudster helse pijnen. Poedertjes van haar huisarts helpen niet en na vier dagen wordt ze opgenomen in het ziekenhuis in Zeist. Pas vier weken later wordt ze uit het ziekenhuis ontslagen. Haar gasten zijn dan al ruimschoots vertrokken, maar niet nadat ze haar kledingkast hebben leeggeplunderd.
In diezelfde periode wordt L.L. ’s avonds laat weer opgepakt. Uit het politienachtrapport van donderdag 27 op vrijdag 28 juli 1944:
‘22.45 uur Wordt door Hamelink, wachtmeester A.K.D., aan het bureau gebracht:
L.L. [naam voluit in rapport], geboren te Amsterdam 10 0ctober 1919, vertegenw. auto onderdeelen, wonende te Zeist, Ch. De Bourbonlaan no. 58.
Bovengenoemd persoon moet morgenochtend worden overgebracht naar het Hoofdbureau van Politie te Utrecht.’
De afkorting AKD staat voor de Arbeits Kontroll Dienst die jaagt op mannen voor de Arbeitseinsatz. L. zou naar Duitsland moeten, maar om onduidelijke redenen wordt hij al gauw weer vrijgelaten.
– 0 – 0 – 0 –
Zijn snelle vrijlating stelt L.L. in staat om de illegale werker ‘Meerman’ (Willem Houthuijs) in contact te brengen met de uitgever Jo Snelleman die bonkaarten voor onderduikers verzorgt. L. vertrouwt Willem Houthuijs volledig en overtuigt Snelleman. Die brengt op zijn beurt ‘Meerman’ in contact met Ko Vrij. ‘Meerman’ wil namelijk zien waar zijn bonnen uiteindelijk terecht komen. Om die reden wil hij ook eerst kennismaken met de onderduikers zelf. Hij wordt uitgenodigd bij Ko Vrij en komt een dag later op bezoek. Ook de onderduikgeefster vertrouwt hem volledig, laat hem de schuilplaatsen zien, stelt hem voor aan de onderduikers en vertelt dat ook de buurman onderduikers in huis heeft. Zij noemt nog meer adressen, zoals Krugerlaan 9. ‘Meerman’ beloont haar met bonkaarten. ‘Hij deed zich voor als illegaal en wilde helpen met bonnen. Hij beloofde voor de te Zeist ondergedoken joodse kinderen te zullen zorgen voor schoenen, kleren e.d.’ vertelt onderduikster Sara Komkommer na de bevrijding.
Niet iedereen is gecharmeerd van ‘Meerman’ en sommigen krijgen argwaan. Tijdens zijn bezoek komt er een meisje langs dat actief is in een illegale organisatie. ‘Meerman’ weet haar niet te overtuigen. Ze deelt haar twijfels met buurman Abraham den Hoed op Frank van Borselenlaan 2 en samen proberen ze zo snel mogelijk een nieuw adres voor de onderduikers te zoeken.
Ook de onderduiksters Leny Velleman en haar vriendin Sara Komkommer vertrouwen de man niet. Leny Velleman in een latere terugblik: ‘Een enkele keer kwam er een meneer bij ons, meneer Meerman. Tante Ko vond hem wel sympathiek, en hij bracht etensbonnen van de zwarte markt voor ons. … Op een dag werd het vliegveld van Soesterberg gebombardeerd. Meneer Meerman was toevallig bij ons en hij trok spierwit weg toen het bericht kwam. Het viel enorm op. We waren juist erg blij en lieten dat ook merken. Hij zat als versteend aan tafel. Toen voelde ik dat hij een verrader was.’
Maar stoppen kunnen ze hem niet, ook niet omdat ze niet kunnen bewijzen dat hij een verrader is. Ze blijven de man wantrouwen en er komt spanning in het huis te hangen. Later zal blijken dat Frank van Borselenlaan 4 in de gaten wordt gehouden. De onderduikers overwegen nog om uit te wijken naar een kippenhok op de Gijsbrecht van Amstellaan – nota bene van een NSB’er die niet al te verkeerd is – maar de meesten besluiten te blijven omdat ze als onderduikers de ernst van de situatie onderschatten. Het is ook al zo lang goed gegaan, dat maakt minder alert.
Het wantrouwen van Leny Velleman en Zus Komkommer groeit echter zodanig, dat ze op 18 augustus 1944 besluiten te vertrekken. Ze proberen onderduik te krijgen bij het gezin De With, aan het nabij gelegen Griffensteynseplein. Maar mevrouw De With vindt dat Zus Komkomer er ‘te joods’ uitziet, en onder het motto ‘samen uit, samen thuis’ gaan de twee vrouwen terug naar Frank van Borselenlaan 4. Ko Vrij heeft Meerman al verteld dat de meisjes bang voor hem zijn geweest, maar wel weer terug zullen komen.
Deze mededeling heeft ingrijpende gevolgen. Nog diezelfde avond laat volgt de grote inval. Leny Velleman: ‘Rond half twaalf die avond, stopte er een militaire Duitse truck voor het huis. Iedereen in huis werd naar de zolder gedirigeerd, ook tante Ko. De zolder werd een verzamelplek. Ook onderduikers, die op andere adressen verbleven en verraden waren, werden daarnaar toe gebracht. Verder nog zo’n twintig illegale werkers uit Utrecht, die verrast waren tijdens het drukken van krantjes.’ Er is geen ontkomen aan. Er zijn in de voorafgaande onderduikperiode wel oefeningen gehouden door de onderduikers, om zich snel te verbergen, maar tijdens de overval kruipt er niemand achter de luiken. Dat zou ook geen zin gehad hebben, want de verrader kent alle schuilplekken.
Leo Vischschraper is op het moment van de stormachtige inval op nummer 4. Hij probeert nog wel weg te komen, maar dat lukt niet meer en ook hij wordt gearresteerd.
De overvallers halen vervolgens Fritsje Posener op, en ze pakken en passant bij de buren van het gezin Hardeman de joodse jongetjes Jos Frankfoorder en Jacky Jäger op.
De Sicherheitspolizei slaat op deze vrijdag 18 augustus toe. Op aanwijzing van ‘Meerman’ arresteert een commando bestaande uit twee Duitse en vijf Nederlandse rechercheurs op zo’n zes verschillende adressen in totaal negen joodse onderduikers en vijf onderduikgevers. Er worden die dag tien joodse onderduikers en 10-15 onderduikgevers en illegale werkers gearresteerd, waaronder L.L. en de rest van zijn ouderlijke gezin. De rechercheurs hebben de zender in beslag genomen. Bij een vuurgevecht vallen aan Nederlandse kant twee doden. Alle arrestanten worden bijeengebracht op de zolder van het huis van Ko Vrij, op Frank van Borselenlaan 4.
Op de dag van de overval is dochter Enny Ribbe aan het begin van de avond druiven gaan halen in Bunnik. Als ze uren later thuis komt, staat er een medewerker van de Sicherheitspolizei met een machinepistool voor het huis en die brengt haar naar de zolder. Daar zitten dan al rond de 30 mensen op de grond die bewaakt worden door een andere Sipo-man met een machinepistool. Af en toe worden nieuwe arrestanten naar de zolder gebracht. Als iemand naar het toilet moet, gaat dat onder bewaking. Ko Vrij heeft in de consternatie nog kans gezien om een papieren zak met juwelen tussen de verwarming in de kamer te laten zakken. De vele weckflessen met groente en ander eten worden door de overvallers in de kelder kapot gegooid. Om een uur of 4 ’s ochtends op vrijdag 19 augustus 1944 komen er twee grote, open overvalauto’s die alle gevangenen opladen. De joodse mensen in de ene grote overvalwagen en de anderen in de andere wagen. De gevangenen worden overgebracht naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam. Hun de bezittingen worden in beslag genomen en ze worden verhoord. De joodse arrestanten worden van daaruit vervolgens naar Kamp Westerbork gebracht. Een aantal niet-joodse arrestanten wordt via het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Amsterdam overgebracht naar Kamp Amersfoort
In de politierapporten van Zeist is overigens van deze actie niets terug te vinden.
De 14-jarige Enny Ribbe blijft alleen achter. Ze wordt opgevangen door de buren. Haar ouderlijk huis wordt afgesloten door de Duitsers, maar later kan ze er naar terugkeren en zal ze er de oorlog uitzitten.
Enny’s broer Dick Ribbe was ten tijde van de overval niet thuis (studeerde in Boskoop), en wordt bij thuiskomst door directeur Gerritsen van NV Koninklijke Zilverfabriek Gerritsen & Van Kempen, een goede kennis die op de Waterigeweg woont, bij de tram opgewacht en tijdelijk in Groenekan ondergebracht. Na een paar weken komt hij weer terug naar Zeist.
De onderduikers zijn op 21 augustus 1944 afgeleverd in Kamp Westerbork en ondergebracht in de strafbarak 67. Op 3 september volgde deportatie naar Auschwitz van alle joodse arrestanten uit de Frank van Borselenlaan, met het laatste transport dan daar van uit Kamp Westerbork naar toe gaat.
Vermoedelijk is Joseph Posener met een van de dodenmarsen in het concentratiekamp Mauthausen terechtgekomen en op 14 maart 1945 in dit kamp vermoord. Esther Posener-Goudsmit en Frits Leendert Posener zijn op de dag van aankomst in Auschwitz al vermoord, op 6 september 1944, net als de zieke Schoontje Soesman.
Marie Komkommer-de Vries is gered door haar dochter Sara, die haar bij de selectie in Auschwitz meegetrokken heeft naar de goede rij. Ze is zwaar mishandeld in het kamp en moet de rest van haar leven een rugband dragen. Moeder en dochter hebben het kamp overleefd. Net als Leny Velleman komen zij op 15 juni 1945 terug in Amsterdam. Echtgenoot en vader Hans Komkommer is vermoedelijk met één van de dodenmarsen uiteindelijk in het concentratiekamp Mauthausen terechtgekomen en in dit kamp op 12 april 1945 omgekomen.
Van de andere gevangenen worden een aantal na Dolle Dinsdag 5 september naar Zwolle gebracht, waaronder bijvoorbeeld Jo Snelleman die tijdens die reis overigens ontsnapt. Moeder en zoons L.L. worden echter op 8 december 1944 vrijgelaten uit Kamp Amersfoort. De moeder en jongste zoon (17) zijn opgepakt vanwege de zender die vader L. in zijn bezit had gehad. Bij zoon L.L. (25) is geen reden voor de arrestatie vermeld en ook niet voor de voorkeursbehandeling ten opzichte van andere illegale werkers. Vader L. zal op 11 oktober naar Neuengamme worden gedeporteerd. Hij zal overlijden in concentratiekamp Bergen-Belsen. Zoon L.L. zal op donderdagavond 15 maart 1945 opnieuw door de politie opgepakt worden:
‘21.00 uur Door ondergeteekenden aan het bureau gebracht en geplaatst in pass. kamer, als verdacht van overtreding Ec. delict: L.L. [naam voluit in rapport], geb. te Amsterdam 10 Oct. 1919, vertegenw. Wonende te Zeist, Ch. de Bourbonlaan no. 58 o.d.W – v.d. Schoot’
De volgende dag worden de goederen van L.L. in bewaring genomen, waarna hij om 20.00 uur ’s avonds naar huis mocht.
Moeder Ko Vrij is naar een vrouwengevangenis in Amsterdam gebracht, aan de Amstelveense straat. Het is de bedoeling dat ze van daar naar Kamp Vught wordt getransporteerd, maar Dolle Dinsdag 5 september gooit roet in het Duitse eten. In de ontstane paniek stellen de Duitsers een deel van de gevangenen in vrijheid. Een gevangen genomen jonge illegale werkster, die ook weg mag, zorgt er voor dat Ko Vrij ook in de rij van vrij te laten mensen komt te staan.
Na haar vrijlating duikt Ko een maand onder. Men weet wel waar ze zit, want Enny stuurt regelmatig pakjes naar haar. Na een maand wordt Ko weer teruggebracht naar Zeist, door politieagenten in een auto (…) Enny Ribbe: ‘Ik was iets aan het doen met de vensterbank op de grote kamer voor en ineens zie ik daar een grote politie auto stoppen waar mijn moeder uitkomt. We waren zo ongelofelijk blij.’ Ko Vrij neemt vrijwel gelijk weer onderduikers voor de Arbeitseinsatz in huis, die tot de bevrijding blijven.
Met het verraad in Zeist is een eind gekomen aan de verradersactiviteiten van Ans van Dijk en haar trawanten. Die zien elkaar pas weer na de bevrijding in de verhoorkamers van de gevangenis. Op 20 juni 1945 wordt Ans van Dijk gearresteerd in het huis van haar vriendin in Rotterdam. Er volgt een groot proces tegen de verraders. Daarbij nemen Branca Simons en ‘Meerman’ L.L. nadrukkelijk in bescherming. Ze hebben het een gemene streek gevonden van Van Dijk om de zender te verraden. Afgesproken was om ‘alleen’ de joodse onderduikers te verraden. L. had volgens haar niets te maken met het verraad, maar die veronderstelling blijft bij gebrek aan onderzoek in nevelen hangen.
Op 24 februari 1947 wordt Ans van Dijk door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam tot de doodstraf veroordeeld voor het verraad van ongeveer 700 onderduikers. Zelf houdt ze het dan op 100) gevallen. Ze stelt krankzinnig van angst te zijn geweest, en met het verweer alleen uit lijfsbehoud gehandeld te hebben, gaat ze in beroep. Op 24 september 1947 bevestigt de Bijzondere Raad van Cassatie haar straf. Ook haar verzoek om gratie werd afgewezen. In januari 1948 werd zij in het Fort Bijlmer in de toenmalige gemeente Weesperkarspel door een vuurpeloton om het leven gebracht.
De bereidheid van ‘Tante Ko’ om zeven onderduikers in huis te nemen, heeft haar ongelofelijk veel ellende bezorgd. In de eerste plaats is er het blijvende trauma van de inval en het lot van de gearresteerden, maar ook wordt haar onbeperkte vertrouwen in de verrader haar zwaar aangerekend door de buren en door de later terug gekeerde Marie Komkommer-de Vries en Sara ‘Zus’ Komkommer. Volgens dochter Ennie Ribbe volgen zelfs financiële claims. Na moeilijke jaren overlijdt Ko Vrij op 5 april 1949 aan borstkanker.
Leny Velleman overleeft het concentratiekamp ook. In een interview in dagblad Trouw van 27 januari 2005 beschrijft Leny Boeken-Velleman de gang die ze na 18 augustus 1944 heeft gemaakt. Ze heeft nog tweemaal de kans gekregen om te vluchten, maar durfde dat niet.
Het transport is op 6 september 1944 aangekomen in Auschwitz-Birkenau, waar ze nodeloze dwangarbeid moest verrichten. Tweeënhalve maand later, toen de Russen in opmars waren, is ze naar Tsjecho-Slowakije gebracht. In Kratzau moest ze onder meer aardappelen op het station lossen en in een munitiefabriek werken. Maar ze onderging er ook een soort medisch experiment. Een lila glimmende zalf deed haar navel opzwellen, die vervolgens door een gevluchte Mengele afgeknipt werd. Uiteindelijk stort ze in: ‘Ik had vlektyfus gehad, was kaalgevreten door de luizen, liep met die harde buik rond en had achttien gaten in mijn billen door veretteringen. Je kunt de littekens nog zien. Ik was he-le-maal op. Pas toen mocht ik in de barak blijven.’ Terwijl zij in de barak lag, werd het kamp bevrijd. Het ‘welkom’ in Nederland was kil, ijskoud. Haar ouders en broer bleken vermoord te zijn. Leny trouwde in mei 1947 met Sven (Samson) Boeken die bijna drie jaar in Auschwitz had gezeten.
– 0 – 0 – 0 –
Op 6 juni 2007 brengt Leny Boeken-Velleman een onverwacht bezoek aan Frank van Borselenlaan 4. Ze overlijdt vijf jaar later.
In 1996 heeft Matthijs Smits een bezoek gebracht aan Auschwitz-Birkenau. Daarbij is zijn oog gevallen op een koffer op de hoog opgetaste berg bagage. Een koffer met de naam Sara Komkommer uit Amsterdam. Die naam is als het ware zijn gids door het kamp geweest. Na afloop heeft hij ‘Tribute to Sara’ geschreven, er van uitgaande dat ze hetzelfde lot had ondergaan als al die andere slachtoffers. Toch kan hij haar naam niet vinden in allerlei slachtofferlijsten.
En dan krijgt Smits in de zomer van 2009 het boek van Leny Boeken-Velleman onder ogen en leest hij dat Sara Komkommer Auschwitz overleefd heeft.
NB/ Vanwege een mogelijk dubieuze rol is de naam van de Zeister illegaal werker L.L. in voorgaande beschrijving niet voluit genoemd.
Bronnen:
- Zie de bewezen onderduikadressen Frank van Borselenlaan 2 en Krugerlaan 9
- Mededelingen van Enny de Bie-Ribbe
- Zie Hoofdstuk II van het Onderduikboek, ‘1943, woensdag 29 september’ (eerste actie Ans van Dijk c.s. in Zeist)
- Gemeentearchief Zeist, archief gemeentepolitie, toegang 3500, politiedagrapporten van 24 mei 1943, politienachtrapport van 27/28 juli 1944 en politiedagrapport van 15 maart 1945
- Leny Boeken-Velleman, ‘Breekbaar, maar niet gebroken, Het verhaal van een Auschwitz-overlevende’, Verbum Holocaust Bibliotheek, 2008, 46-58
- Trouw van 27 januari 2005, interview van Nienke Ledegang met Leny Boeken-Velleman:‘Ik dacht: Wie werkt, wordt niet vermoord’
- Mededelingenblad ‘In Beeld’ van Monument Kamp Amersfoort, nummer 45, september 2016 (betreft het ouderlijke gezin van L.L.)
- Wikipedia, Ans van Dijk
- www.joodsmonument.nl, ‘Tribute to Sara’ – betreft Sara Komkommer
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Hartog, Mietje en Sara Komkommer, Lena Velleman en Samson Boeken
1. Frank van Borselenlaan 4
2. Ko Vrij
3. Ko Vrij (links achter) met haar onderduikers
4. Fritsje Posener (april 1943)
5. Enny Ribbe
6. Poesieversje voor Enny Ribbe, gemaakt door tante Els Posener-Goudsmit
7. Poesieversje voor Enny Ribbe, gemaakt door oom Jo Posener die zijn professie van gymleraar niet verloochende
8. Ko Vrij in mei 1942, gestimuleerd door de dames Komkommer, met lipstick
9. Opvoering van een cabaretnummer door de onderduikers Jo Posener en Sara ‘Zus’ Komkommer
10. Het gezin Velleman-Frenkel
11. Leny Velleman in het begin van de bezetting










