Tijdens de bezetting werden in Zeist meer dan 900 personen met valse gegevens opgenomen in het lokale bevolkingsregister, voor een groot deel joodse onderduikers en onderduikers voor de Arbeitseinsatz. Dit bericht beschrijft een adres met een of meer valse registraties van nog niet geïdentificeerde personen, die op grond van hun gegevens als joods worden aangemerkt: kinderen, vrouwen, mannen die qua leeftijd duidelijk niet in aanmerking kwamen voor de Arbeitseinsatz, echtparen en ouders met een of meer kinderen. Een overzicht van adressen is te vinden via valse registraties van onbekende onderduikers.

Het staat niet vast dat de betrokken personen werkelijk op die adressen ondergedoken waren.

Wie weet meer? Wie iets meer weet over dit adres en/of de genoemde onderduikers wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 294-298)

Onderduikers:

  • ‘Karel’ (of ‘Carl’)
  • een of meer gezinnen, zoals een gezin waarvan alleen de echtgenoot/vader van joodse komaf is
  • een of meer echtparen van wie de kinderen elders zijn ondergebracht
  • een of meer personen op doorgang, zoals eenmaal acht tegelijk
  • Hartog Bril (Amsterdam, 24 september 1924 – Rotterdam, 6 augustus 1966)
  • ‘Peter’ (alias ‘Jacob Jacobs’?)
  • de heer ‘De Groot’ en de heer ‘De Jong’
  • ‘Loesje’

Op Hartog Bril na kan de werkelijke identiteit van de uitsluitend onder pseudoniem genoemde personen niet met zekerheid achterhaald worden

Onderduikgevers:

  • Klaasje Timmerman, gescheiden, pensionhoudster (Leusden, 10 juni 1891 – Zeist, 22 november 1972)

Kinderen (1921, 1923 en 1924)

De navolgende beschrijving is geheel ontleend aan het boek ‘Klaasje, Hoe een kleine vrouw groot was, Drie en een half jaar joodse onderduikers’, dat Klara van der Waals over haar moeder schreef. De beschrijving van de gang van zaken rond Hartog Bril klopt niet helemaal met bekende gegevens – is hiervoor enigszins aangepast. Voor zijn onderduik op Ernst Casimirlaan 45 is nog geen bevestiging verkregen. Verder worden mensen in het boek niet met hun werkelijke naam genoemd, en er worden ook weinig of geen feitelijke persoonsgegevens gegeven, zodat hun werkelijke identiteit zich niet laat achterhalen. Het onderduikadres Ernst Casimirlaan 45 valt daarom vooralsnog in de categorie ‘Niet-bewezen, onderduikers niet bekend’.

Klaasje Timmerman trouwt in 1920 in Zeist, maar haar huwelijk houdt slechts tot medio 1927 stand. Om de kost te verdienen voor haarzelf en haar twee zoontjes en dochtertje begint Klaasje – in navolging van veel andere Zeistenaren – een familiepension in een ruime nieuwbouwwoning op Ernst Casimirlaan 45.

Haar pension blijkt tijdens de bezetting een uitkomst. Ze kerkt in de Oosterkerk en de illegaal werkers onder haar medekerkgangers bezorgen Klaasje Timmerman joodse pensiongasten. Lees: onderduikers. Die worden bijvoorbeeld gestuurd door dominee Gerrit Lugtigheid en LO-leider Carie Stomp. De enige eis die Klaasje stelt, is dat onderduikers er niet ‘te joods’ uitzien, omdat ze dat te gevaarlijk vindt.

Een van de eerste onderduikers is ‘Karel’, een uit Duitsland afkomstige jongeman. Zijn ouders zijn eerder al het naziregime in Duitsland ontvlucht, en zijn doorgereisd naar Engeland. ‘Karel’ is voor zijn opleiding in Nederland gebleven. Hij heeft in Gouda gewoond, maar de anti-joodse maatregelen, zoals de invoering van de jodenster, hebben hem grote angst aangejaagd. Hij wil de ster niet dragen en is daarom ondergedoken in het pension op Ernst Casimirlaan 45.

‘Karel’ oogt alsof hij uit India komt, met zijn bruine huid, bros geknipt donker haar en fijn getekend gelaat. Hij is een bescheiden pensiongast, zeer voorzichtig uit angst om ontdekt te worden.

Na ‘Karel’ volgen er meer joodse onderduikers. Soms een compleet gezin, als zogenaamde gewone zomergasten. Zo is er een gezin dat afkomstig is van een buitenplaats uit Zeist. Alleen de echtgenoot/vader is van joodse komaf, overigens niet religieus, en er wordt gedaan alsof hij ziek is en in het pension komt herstellen. Als duidelijk wordt dat er voorlopig geen groot gevaar dreigt voor gemengd gehuwde joodse Nederlanders verlaat het gezin het pension weer.

Er komen ook echtparen waarvan de kinderen elders zijn ondergebracht. Als de heimwee te groot wordt, gaat dochter Klara van de pensionhoudster wel eens poolshoogte nemen op de onderduikadressen van de kinderen.

De afdeling Zeist van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO) brengt regelmatig mensen die in de knel zitten en na korte tijd verder gebracht worden. Eenmaal maar liefst acht mensen tegelijk.

In de tuin kunnen de pensiongasten met enige moeite gezien worden door de achterburen op Charlotte de Bourbonlaan 48. Daar woont nota bene het gereformeerde gezin van Willem en Maria Johanna van Geelkerken-Lakerveld, waarvan nog twee volwassen kinderen thuis wonen. Willem van Geelkerken is directeur van de Arbeidsbeurs in Zeist. Zijn oudste zoon Cees van Geelkerken (1901) is de tweede man van de NSB en enkele andere gezinsleden zijn hun broer gevolgd. Zo is een jongere broer lid van de NSB en de WA, de knokploeg van de NSB. Klaasje Timmerman en haar pensiongasten ondervinden nooit overlast van hun achterburen.

De volgende, vaste onderduiker is ‘Henny’, een jongen van 17-18 jaar, ‘met een heel typisch joods uiterlijk’. Zijn familie drijft in Utrecht een bekend horecabedrijf. Zijn oudste broer is een bokskampioen, maar met vrouw en kind al gedeporteerd (zouden overleven). Deze beschrijving kan op niemand anders duiden dan Ben Bril die met zijn echtgenote Celia Bril-Blits een broodjeszaak op het Leidseveer heeft geëxploiteerd, en dat betekent dat ‘Henny’ diens 12 jaar jongere broer Hartog is. Als onderduiker vindt Klaasje Timmerman Hartog Bril wat ondoordacht en onvoorzichtig.

Hij wordt gevolgd door ‘Peter’, een magere, kleine man die op een avond ontsnapt is uit Kamp Westerbork. Na allerlei omzwervingen is hij in Zeist aangekomen. Onderduiker ‘Henny’ schrikt zichtbaar van zijn entree. ‘Peter’ blijkt een neef waar de familie Bril vanwege een ruzie niet meer mee om gaat. Meteen stelt Klaasje Timmerman dat familiestrubbelingen geen enkele rol mogen spelen in deze onderduiksituatie.

Lang houdt ‘Peter’ het niet uit in het pension. Hij mist zijn vrouw en kinderen vreselijk en op een ochtend verdraagt hij het gemis niet meer. Hij besluit om ze op te zoeken. Dat voornemen moet eerst gemeld worden bij de LO, maar ‘Peter’ verlaat nog diezelfde ochtend om ongeveer half elf het pension. Onderweg wordt hij staande gehouden door de zeer ‘foute’ politieman Evert Drost. Die wantrouwt de NSB-insignes die ‘Peter’ bij wijze van dekmantel draagt, de 5-jaren-speld en de Wolfsangel, het insigne van de NSB-jeugd. Drost vraagt ‘Peter’ naar zijn lidmaatschapsnummer, en neemt hem mee naar het politiebureau, om het nummer te controleren. Als Drost zich op het bureau even verwijdert, nemen ‘goede’ agenten een bezwarend adreslijstje van ‘Peter’ over. Hoe het de onderduiker verder vergaat, is niet bekend.

De agenten waarschuwen de LO-voorman Siem de Man, die ook in de Ernst Casimirlaan woont en op zijn beurt Klaasje Timmerman waarschuwt. Zij treft meteen voorzorgsmaatregelen, door de onderduikers ‘Karel’ en Hartog Bril in een muurkast te verbergen. Er volgt echter geen huiszoeking. ‘Peter’ is dus niet doorgeslagen, maar de schrik is enorm.

Hoewel niet alle details kloppen, zou dit de arrestatie zijn van de man die zich ‘Jacob Jacobs’ noemt. Op woensdagavond 30 juni 1943 loopt hij met een vijfjaren-NSB-insigne op de revers op de Montaubanstraat in Zeist. Daar loopt hij uitgerekend de fanatieke Drost tegen het lijf, die hem aanhoudt voor nader onderzoek. Daarbij blijkt dat ‘Jacobs’ joods is.

Er komen nog enkele individuele onderduikers, zoals de heer ‘De Groot’, een joodse Zeistenaar die een zaak heeft op hoek Hogeweg/Slotlaan. Hij is gehuwd met een christelijke vrouw, met wie hij de kerk bezoekt. Zijn kinderen zijn gedoopt en bezoeken een christelijke school. Als uitgezocht is welke regels er gelden voor gemengd gehuwde joden in Nederland, meent hij dat er voorlopig geen groot gevaar dreigt en gaat hij weer terug naar huis.

Later komt een joodse onderwijzer, de heer ‘De Jong’. Hij heeft samen met een andere man ondergedoken gezeten op een zolder in Driebergen. De andere man is gestorven en ‘De Jong’ heeft niets meer te eten. Klaasje Timmerman krijgt extra bonnen om hem te verzorgen.

Tenslotte wordt begin januari 1945 ‘Loesje’ gebracht, een kort dik meisje met een lage ontwikkelingsgraad. Ze wordt veel geplaagd door Hartog Bril en na korte tijd wordt ze elders ondergebracht.

Intussen heeft ‘Karel’ geen geld meer, maar hij mag blijven. Tot zijn eigen opluchting vinden illegale werkers een legale baan voor hem op een buitenplaats in Zeist.

Hartog, die goed met ‘Karel’ overweg kon, mist zijn maatje nu. Hij wordt zelf ook elders ondergebracht, op Amalia van Solmslaan 65. Daar wordt hij op 15 januari 1945 gearresteerd. Hartog Bril is een van de tien gevangenen in het politiebureau, die spectaculair bevrijd wordt door het verzet.

Of er na de bevrijding nog veel contact is tussen Klaasje Timmerman en haar voormalige onderduikers is niet bekend. ‘Karel’ stuurt een bedankbrief, maar Hartog Bril heeft blijkbaar geen positieve gevoelens overgehouden aan zijn onderduikperiode. Als hij en zijn beroemde broer, bokser Ben Bril, Klaasje Timmerman een paar maanden na de bevrijding tegenkomen op de Hogeweg in Zeist, zegt Hartog Bril iets tegen zijn broer, waarna beiden hun hoofd omdraaien.

Bronnen:

  • Klara van der Waals, ‘Klaasje, Hoe een kleine vrouw groot was, Drie en een half jaar joodse onderduikers’, Kontrast, 2003
  • Zie het bewezen onderduikadres Amalia van Solmslaan 65 voor de arrestatie van Hartog Bril

1. Ernst Casimirlaan 45

2. Klaasje Timmerman op de cover van de door haar dochter geschreven boek

3. Hartog Bril alias Henny