Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikertje:
- Max de Leeuw (Utrecht, 25 augustus 1936 – Utrecht, 18 mei 2009)
Onderduikgevers:
- Jan Dirk van Kleef, timmerman (Zeist, 12 maart 1911 – Utrecht, 20 augustus 1986), en
- echtgenote Johanna Anna van Kleef-Verschuur (Hoorn, 21 maart 1915 – Utrecht, 29 mei 1993) te Utrecht
Thuiswonende kinderen (zoon – 1939 en zoon – 1941)
In 1935 kwamen Jo (Joseph) en Corrie (Kaatje) de Leeuw-Benninga naar Utrecht, waar ze op Lijnmarkt 37 een koosjere brood en banketbakkerij begonnen. Jo de Leeuw was een goede banketbakker. In de zaak konden klanten ook warme maaltijden eten, afhalen of laten bezorgen. In de lunchroom stonden tien tafels en veertig stoelen. Toen de zaak geopend werd, bevond zich pal aan de overkant de broodjeszaak van de bekende bokser Ben Bril, die de reclameleus ‘Beter Belegde Broodjes Bij Ben Bril’ voerde. Later zou Bril zijn zaak verhuizen naar het Vredenburg, maar hij bleef klant bij De Leeuw. Diens zaak liep zo goed, dat de lening van 1.500 gulden van (schoon)vader Sander Benninga in Deventer al binnen één jaar afgelost kon worden. Vaste klant was, behalve Ben Bril, juwelier Schaap op de Steenweg.
In augustus 1936 werd zoontje Max geboren. De foto’s getuigen van een warm gezin dat het echter tijdens de bezetting zwaar te verduren kreeg.
Het begon ermee dat Jo de Leeuw in 1940 opgeroepen werd voor het leger vanwege de mobilisatie. Hij werkte als kok voor 400 man in een ondergrondse keuken op de Grebbeberg maar werd al snel krijgsgevangen gemaakt. Zijn echtgenote kreeg eerst te horen dat hij gesneuveld zou zijn, en wat later dat hij toch nog leefde maar zijn beide benen was verloren. Beide schokkende berichten bleken onjuist. De twee werknemers Alex van Dijk en Bram Cohen hadden tijdens zijn afwezigheid de zaak met zijn echtgenote Corrie draaiende gehouden.
Blijkbaar kwam er ernstige intimidatie van nationaalsocialisten. De schrijfster Ina Boudier-Bakker schreef op 4 augustus 1941: ‘’t Gaat nog door met verfkladden. Op de Lijnmarkt zijn de huizen der Jodenzaken helemaal met verf besmeten, tot aan de ramen toe.’ Verder volgden de rampzalige anti-joodse maatregelen in elkaar in hoog tempo op.
In augustus 1942 moest Jo de Leeuw in opdracht van de Joodse Raad in Utrecht koosjere krentenbollen te bakken voor de joodse mensen – veel klanten en andere bekenden – die vanaf het Maliebaanstation naar Kamp Westerbork werden afgevoerd. De zaak van het echtpaar De Leeuw-Benninga was toen al voorzien van een groot bord met de tekst ‘joodse zaak, alleen voor joden’. Voor het bakken van de koosjere krentenbollen moest Jo de Leeuw uitwijken naar Springweg 24, waar hij de oven van zijn niet-joodse collega Hendrik Jan Nijenhuis mocht gebruiken, uiteraard onder rabbinaal toezicht: ‘Toen ik op een gegeven moment geen kolen voor de oven kreeg, heb ik tot onze onderduik brood gebakken bij Nijenhuis op de Springweg. Ik had daar een kamer en als het gevaarlijk was, gingen we daar slapen.’ Gedurende enkele weken moest Jo de Leeuw ’s avonds tegen 7 uur op het Maliebaanstation zijn. Daar stonden de treinen met goederenwagons klaar, waarmee joodse inwoners van Utrecht gedeporteerd werden. Voordat de deuren gesloten werden, moest hij de mensen twee krentenbollen geven.
Inmiddels waren joodse mensen begonnen onder te duiken. Jo de Leeuw bood zijn twee werknemers aan om te betalen voor hun onderduik. De op Lijnmarkt 37 inwonende Alex van Dijk, die vroom was, meende echter stellig dat God hem wel zou beschermen. En Bram Cohen was bang dat zijn familie wat zou overkomen als hij geen gehoor zou geven aan de oproep voor de Arbeitseinsatz. Beiden werknemers zouden de bezetting niet overleven, Alexander van Dijk, werd op 22 april 1943 naar Kamp Vught gebracht, op 7 juli via Kamp Westerbork gedeporteerd naar Sobibor, waar hij na aankomst op 9 juli meteen werd vermoord. Over de tragische gang van Bram Cohen zijn nog geen precieze gegevens bekend.
Jo de Leeuw had geen Sperr en liep zelf dus ernstig gevaar als hij de broodjes naar het station bracht. ‘Daarna mocht hij steeds als enige de fuik weer uit’, vertelde zijn na de bevrijding geboren dochter Lenie, ‘totdat er op een avond niet meer genoeg Joden waren om de trein te vullen. Hij hoorde ze zeggen: ‘Stop die bakker er dan maar bij.’ Toen is hij onder de wagons door gevlucht.’
Dat was in 1943. Het echtpaar De Leeuw-Benninga besloot om onder te duiken. Al in 1942 had Jo de Leeuw onder de nabijgelegen Domtoren zijn zesjarige zoontje Max meegegeven aan leden van het Utrechtse studentenverzet. Daarna dook hij met zijn echtgenote onder op Korte Nieuwstraat 3 en na een jaar volgden andere adressen.
Vermoedelijk was Egelinglaan 23 het zoveelste onderduikadres van Max de Leeuw. Hij werd op dat adres ondergebracht bij het gezin Van Kleef-Verschuur dat twee jonge zoontjes (1939, 1941) had en dat op 11 december 1942 in de Egelinglaan was komen wonen. Max werd op dat adres gelegaliseerd bij de gemeente Zeist, als ‘Max van Leeuwen’, met de juiste geboortedatum maar als geboorteplaats Soekaboemi in Nederlands-Indië. Vaak werd voor joodse onderduikers een afkomst uit Nederlands-Indië gefingeerd om donkere haren en ogen te verklaren.
Hoelang de kleine Max op Egelinglaan 23 bleef, en hoe hij het daar had, is niet bekend. Uiteindelijk zou hij op 21 adressen verblijven en had daar later nooit meer over kunnen en willen praten. Het enige wat hij zei: ‘Ik heb 23 moeders gehad, mijn eigen, 21 anderen en weer mijn eigen.’
In elk geval was hij alweer elders op 30 juni 1944 en daarmee ontkwam hij aan arrestatie, deportatie en erger. Op die vrijdag kwamen drie jodenjagers uit Utrecht naar Zeist om de zevenjarige ‘Max van Leeuwen’ en de even oude Jack Eljon te arresteren. Iemand had de jongetjes verraden. Gelukkig maakten de oorlogsmisdadigers de keuze om eerst ‘Max van Leeuwen’ te zoeken. Max was dus al weg. Zijn voormalige onderduikgever Jan van Kleef kreeg een pistool tegen zijn hoofd, maar uiteindelijk vertrokken de oorlogsmisdadigers na een huiszoeking. De overbuurman van Egelinglaan 16 hoorde van de geschokte Van Kleef dat de drie mannen op weg waren naar ‘Henkie Mulder’ of Broertje’, zoals Jack Eljon in de buurt werd genoemd. De overbuurman startte meteen een reddingsoperatie waardoor Jack Eljon – ‘Henkie Mulder’ zat op een nabijgelegen schooltje – net op tijd in veiligheid kon worden gebracht.
Max de Leeuw kwam na andere – vaak nare – onderduikadressen uiteindelijk op een goed onderduikadres terecht, bij het gezin van boekhouder Jan (Jan Willem) en echtgenote Jet (Colette Henriette) Kobus-Kerkhoven – bijna vijftigers – in Espe, waar hij de bezetting overleefde. Het duurde nog maanden voor hij herenigd werd met zijn ouders die ook in onderduik overleefd hadden. Lenie de Leeuw: ‘Mijn moeder dacht inmiddels dat hij dood was.’ Er bleef altijd warm contact met de onderduikgevers in Epse.
De ouders van echtgenoot Jo, Max (Marcus Joseph) en Lize (Elisabeth) de Leeuw-Mesritz overleefden niet. Kleindochter Lenie de Leeuw: ‘Mijn oma had een blindedarmontsteking. Ze is op de operatietafel in de steek gelaten door een NSB-arts toen hij erachter kwam dat zij joods was. Ze is gewoon vermoord.’ Lize de Leeuw-Mesritz overleed op 1 januari 1942 in het ziekenhuis van haar woonplaats Winterswijk. Haar echtgenoot dook onder. In september 1942 verzocht de burgemeester van Winterswijk in het Algemeen Politieblad om zijn opsporing, aanhouding en voorgeleiding. Max de Leeuw, veehandelaar, woonachtig op Kreilstraat 23 had zijn woning zonder de vereiste vergunning verlaten. Hij dook onder in Utrecht, waarschijnlijk omdat zijn zoon Jo daar relaties had. Net als duizenden andere joodse onderduikers werd hij verraden voor kopgeld dat toen nog zeveneneenhalve gulden bedroeg. Hij werd gearresteerd door de Utrechtse politie op zijn onderduikadres in Utrecht-Tuindorp en op 11 mei 1943 ingesloten in barak 61 (bed 479) van Kamp Westerbork. Een week later moest hij op transport naar Sobibor, waar hij meteen na aankomst werd vermoord, op 21 mei 1943, zestig jaar oud.
Ook de vier zusters en twee broers van Marcus Joseph de Leeuw, hun huwelijkspartners en kinderen werden vermoord. Zijn echtgenote Elisabeth de Leeuw-Mesritz had een ongehuwde broer die in juli 1945 stierf en ook als oorlogsslachtoffer is aangemerkt.
De ouders van Corrie de Leeuw-Benninga en hun vier kinderen overleefden in onderduik. Een gehuwde zuster van Sander Benninga eveneens, maar haar echtgenoot werd vermoord. Zo ook de andere twee broers en twee zusters, hun huwelijkspartners en kinderen. Van echtgenote Bertha Benninga-Zadoks werden de beide zusters (een was gehuwd met een broer van Sander Benninga), hun huwelijkspartners en kinderen vermoord, op twee kinderen na.
In totaal 44 moordslachtoffers. De wederzijdse families waren grotendeels uitgemoord. Corrie de Leeuw-Benninga heeft nog jarenlang psychische gevolgen gevoeld van de bezetting, waarin ze zo veel dierbaren verloor.
De behandeling van joodse overlevenden – per slot ook zwaar getraumatiseerde slachtoffers – was onvoorstelbaar kil. In een uitzending van RTV Utrecht vertelde Lenie in 2020 over de moeilijkheden die haar ouders na de bezetting ondervonden.
Jo en Corrie de Leeuw-Benninga kregen het huurpand Lijnmarkt 37 niet meer terug. Daarmee waren ze hun koosjere banketbakkerij annex lunchroom in de Utrechtse binnenstad ook kwijt. Dat gold ook voor hun persoonlijke bezittingen en een fors deel van hun kapitaal. ‘Mijn ouders waren na de oorlog alles kwijt’, aldus Lenie de Leeuw. ‘Hun zaak was weg, hun goederen hadden ze in kisten opgeslagen in de Leeuwenberghkerk, maar die waren direct gestolen.’ Jo de Leeuw had zijn spaargeld in bewaring gegeven bij bakker Nijenhuis op Springweg 24, maar dat kreeg hij netjes terug. Echter, een fors deel van dat spaargeld raakte hij kwijt aan verplichtingen aan de Belastingdienst, die hij tijdens de onderduik onmogelijk had kunnen nakomen.
Ook had het gezin De Leeuw-Benninga dus geen woning meer. Ze werden aanvankelijk opgenomen door het gezin van de joodse bakker Straus op Steenweg 27. Later konden ze hun intrek nemen in een huis op Zadelstraat 32, waar eerst een NSB’er had gewoond. Met een metalen bed, een vloerkleed en twee houten kistjes, afkomstig uit de huisraad van mensen die de oorlog niet hadden overleefd, bouwde het gezin een nieuw bestaan op. Zelfs voor deze huisraad werd geld gevraagd, wat ze overigens niet betaalden. Er werd een nieuwe handel opgezet, die uitgroeide tot een groothandel in speelgoed op Kanaleneiland. Dat moet enorme veerkracht hebben gevergd van door de bezetting zwaar getraumatiseerde mensen. ‘Als je opgroeit in een gezin met zo'n achtergrond, dan heb je als kind altijd een rugzak’, zegt Lenie over haar jeugd in de jaren vijftig en zestig.
Utrecht heeft inmiddels erkend dat de stad zich indertijd ‘uiterst zakelijk en ongastvrij’ heeft opgesteld naar de terugkerende joodse inwoners die het zo zwaar hadden gehad. ‘Het past ons spijt te betuigen en een financieel gebaar te maken richting de Joodse gemeenschap in Utrecht’, aldus de gemeente in 2020. Als gebaar heeft de gemeente met vertegenwoordigers van die gemeenschap besproken hoe de compensatie van 300.000 euro kan worden besteed.
Bronnen:
- Mededelingen van Lenie de Leeuw
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Max van Leeuwen’
- Duchjewry.org, Lijnmarkt Utrecht
- ITS Arolsen, Joodse Raad-kaarten voor Joseph de Leeuw en Alexander van Dijk
- Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie, ‘Jodenjacht, De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog’, Uitgeverij Balans, 2011, 91
- Zie het bewezen onderduikadres Van der Merschlaan 52 (onderduikverhaal Jack Eljon)
- www.rtvutrecht.nl/nieuws, ‘Utrecht betuigt spijt voor kille ontvangst Joodse inwoners na WO2: ‘Mijn familie was alles kwijt’’, 17 december 2020
- Ineke Inklaar, ‘Lijnmarkt 37’, Binnenstadskrant Utrecht, nummer 2, 2021
- Jim Terlingen, ‘De Joodse Raad van Utrecht’, Brave New Books, 2022, Utrecht
1. Egelinglaan 23
2. Het huwelijk op 28 augustus 1935 van de ouders van Max, het echtpaar Jo de Leeuw en Corrie de Leeuw-Benninga
3. Lijnmarkt 37 in juni 1936, met personeel
4. Opening in 1935 van de brood en banketzaak aan de Lijnmarkt
5. Vader Jo met jodenster
6. Een kijkje in het fotoalbum, Max met zijn vader Jo de Leeuw, in 1942
7. Max met zijn vader Jo en moeder Corrie (Kaatje)
8. Moeder Corry en zoontje Max in juni 1941
9. Max tijdens zijn onderduik in Zeist, in november 1943
10. Valse persoonsregistratie voor Max de Leeuw
11. Max en onderduikgevers Kobus uit Epse in september 1946
12. Max met zijn zusje Lenie in 1949











