Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie Appendix A van het Onderduikboek, pagina’s 585-593; volledig herschreven)

In memoriam:

  • Hilde Cahn-Samuel (Bonn-Duitsland, 26 februari 1907 – Auschwitz, 26 maart 1944), bereikte de leeftijd van 37 jaar

Overige onderduikers:

  • echtgenoot Carl Cahn, adviseur van fabrieken, fabrikant (Cochem-Duitsland, 16 oktober 1901 – 21 december 1995)
  • zoon Ruben Lothar Cahn (Keulen, 24 februari 1935 – Naarden, 31 oktober 2019)
  • Valentin Max Falk, handelaar in meubelen (Keulen-Duitsland, 12 januari 1905 – Jeruzalem – Israël, 29 april 1994)
  • echtgenote Margarethe Falk-Hanauer (Ludwigsburg-Duitsland, 8 januari 1912 – Jeruzalem – Israël, 27 februari 1990)
  • dochter Ruth Falk (Keulen-Duitsland, 1 november 1935)

Onderduikgevers:

  • Nicolaas Lambertus Herfst, verpleger (Amsterdam, 18 maart 1886 – Zeist, 22 oktober 1966), en
  • echtgenote Wilhelmina Herfst-van Drie (Amersfoort, 23 juli 1890 – Harmelen, 21 april 1981)

Een deels uitwonende zoon (1915 of 1916)

Het echtpaar Max (Valentin Max) en Grethe of Gretl (Margarethe) Falk-Hanauer vluchtte in 1938 met hun 2-jarig dochtertje Ruth uit nazi-Duitsland naar Nederland, het geboorteland van Max’ moeder. Ze verlieten Duitsland een paar maanden voor de rampzalige Reichskristallnacht en verruilden Keulen voor Den Haag. In Den Haag, waar ze zich vestigden, ontmoetten ze het eveneens gevluchte echtpaar Carl en Hilde Cahn-Samuel, dat in Wassenaar woonde. Carl Cahn was een vriend van Grethes zwager Willie. Die ontmoeting zou van groot belang zijn voor de onderduik van het echtpaar Falk-Hanauer.

Carl Cahn zou in de volgende jaren fortuin maken. In de onderduikjaren zou hij dat fortuin inzetten om anderen te steunen, zoals het verzet en ook Max en Grethe Falk-Hanauer. Bovendien zou hij in 1939 in Wassenaar bevriend raken met zijn buurman Jacob van der Gaag die onder de schuilnaam ‘Richard’ een belangrijke rol zou vervullen in het verzet tegen de bezetter. De relatie met Van der Gaag zou later onderduikplaatsen opleveren, zoals Dolderseweg 18 in Huis ter Heide.

Het ouderlijke gezin Cahn-Kahn was zionistisch. Een van de broers van Carl Cahn was gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog, en een zuster bevond zich in Engeland, maar zijn andere broer en twee zussen waren naar Palestina vertrokken. Zelf was hij na de Mittelschule in de handel in grondstoffen en machines voor bakkerijen gegaan. Hij was mede-oprichter van de Joodse jeugdbeweging Blau-Weiss in Keulen en al op jonge leeftijd een overtuigd antifascist. In 1933 was hij getrouwd met Hilde Samuel uit Bonn, waarmee hij in 1936 naar Nederland was gevlucht.

De echtparen Cahn-Samuel en Falk-Hanauer zochten naar bronnen voor inkomsten.

Nadat Grethe Falk-Hanauer een tijdje als cheffin van het hoedenatelier van de Bouwmeesterrevue had gewerkt, begon ze een eigen zaak in zelfgemaakte hoeden. Het echtpaar Falk-Hanauer kreeg echter op 1 oktober 1940 aanzegging van de bezetter om de kuststrook binnen 24 uur te verlaten. Ze vonden anderhalve kamer en volpension bij de joodse dames Vorst, op Oudegracht 39 in Utrecht. Hun vader had een grote slagerij in Zeist gehad. De vrouwen waren erg vroom en lieten duidelijk merken dat ze bezwaar hadden tegen een verhuizing op 2 oktober, de eerste dag van het joodse feest Rosj Hasjana.

In Utrecht begon het echtpaar Falk-Hanauer een handel in stola’s en avondmantels. Grethe had een partij angorawol gekocht en een breipatroon ontworpen. Er werden andere vluchtelingen geworven, die konden breien.

Het gezin Cahn-Samuel had in die tijd nog financiële problemen. Ze kwamen daarom korte tijd inwonen op de anderhalve kamer op Oudegracht 39, met hun zoon Ruben die een jaar ouder was dan Ruth. Maar dat duurde niet lang. Via Bodegraven verhuisden ze naar Deventer, waar ze terecht konden bij Jacob Salomon en Erna Erwteman-Kurz. In Deventer leerde Carl Cahn de voormalige bakker J.B. Peters kennen. Peters deed in bakkerijproducten en Cahn had in zijn oude studieboeken iets gevonden over surrogaatproducten. Samen zetten ze in februari 1941 de groothandel PeJa in bakkersproducten en vervangingsmiddelen op. Eind juli 1941 verhuisde PeJa naar Polstraat 35-37-39, waar het bedrijf verschillende surrogaatproducten ging produceren, zoals Roer-om voor cakes zonder boter, Panko voor pannenkoeken zonder vet, Klop-op als vervanging voor slagroom en Op-Sla als vervanger voor mayonaise. Een adviseur bedacht uitstekende namen en slagzinnen: ‘Panko, ze vliegen eruit’ en ‘Mina Bakgraag’. Een reclamecampagne op nationaal niveau werkte en op den duur waren in PeJa zo’n tachtig mensen aan het werk. Het werd een uitermate succesvolle onderneming.

Panko zou trouwens een verzetskreet worden. Dan zongen mensen:*

*‘*Panko, ze vliegen eruit!

Panko, ze vliegen eruit!

Volgend jaar de tiende mei

Is ons Holland vast weer vrij

Panko, ze vliegen eruit!

Het echtpaar Falk-Hanauer verhuisde in mei 1941 naar een groot huis aan de Stadhouderslaan, waar ze inwoning kregen. In de loop van 1942 kwam daar iemand van de joodse gemeente aan de deur, met een oproep voor Kamp Westerbork. Het werd volgens Grethe Falk-Hanauer gebracht als een soort kamperen, maar er stond wel een waarschuwing onder aan de oproep: als ze daar niet binnen 24 uur gehoor aan gaven, zou aangifte worden gedaan bij de politie.

Er werd koortsachtig overlegd. Grethe Falk-Hanauer overtuigde haar echtgenoot Max ervan dat ze moesten onderduiken. Joodse vrienden zeiden daarop tegen hem dat Grethe te veel boeken van Karl May en detectives had gelezen. In Kamp Westerbork kon je niets gebeuren, maar als je als wegblijver gearresteerd werd, zou je in een strafkamp terecht komen. Ze besloten toch onder te duiken en brachten hun huisraad zo lang onder bij anderen (de kritische vrienden zouden overigens ook al gauw onderduiken). ‘VOW’, zou in het bevolkingsregister van Utrecht genoteerd worden, hetgeen ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ betekende.

Goede kennissen in Utrecht waren in principe bereid om dochtertje Ruth op te nemen, maar de echtgenoot wilde wel eerst aan Anton Mussert – die hij ooit een dienst had bewezen – gaan vragen, of die ervoor kon zorgen dat ze daar geen problemen mee zouden krijgen. In plaats daarvan wist het echtpaar Falk-Hanauer via een bevriende studente tijdelijk onderduik te krijgen bij haar ouders in Tilburg. Na een overnachting bij een ander joods gezin reisde het gezin Falk-Hanauer naar Tilburg.

De tijdelijke onderduikgever was directeur van de Heidemaatschappij en er kwam iemand op bezoek, die voor die organisatie hout van Polen naar Nederland moest brengen. De bezoeker was zeer geschokt over wat hij in Polen had gezien. Hij vertelde dat daar kampen waren met mensen die behandeld werden als beesten. Er was een prikkeldraadomheining en in de hoeken waren hoge torens waarop zich bewakers met mitrailleurs bevonden. De man was niet bereid om terug te gaan naar Polen. Na het vertrek van de bezoeker meende zijn directeur dat de man – anders heel nuchter en reëel – rijp was voor de psychiater, nu hij opeens van die ongeloofwaardige verhalen ophing. Er zou wel iets schokkends gebeurd zijn.

Het gezin Falk-Hanauer was er al drie weken, maar wilde nu snel weg. (Achteraf zou blijken dat de onderduikgevers veel andere onderduikers zouden helpen.) Ze belden met het echtpaar Cahn-Samuel in Deventer en konden daar meteen terecht.

Carl Cahn kreeg zelf op 20 april 1942 een oproep van de Emigratieafdeling van de Joodse Raad, Lijnbaansgracht 366, dat hij zich met zijn gezin van drie personen op 12 mei 1942 om half twaalf moest melden. Hij was van plan gehoor te geven aan die oproep, maar nadat er op hem ingepraat was, bracht hij een bezoek aan Kamp Westerbork (!). Bij terugkomst in Deventer bleek hij genezen van de bereidheid om zich te melden. Toen het ook in Deventer gevaarlijk werd, regelde hij een plek bij een boer in Bathmen die tegen stevige betaling onderduik gaf aan het gezin Falk-Hanauer en zijn zoontje Ruben. Het bleek geen prettig verblijf, maar de beide kinderen Ruth en Ruben bleven er voorlopig. Voor de volwassenen huurde Cahn een afgesloten pakhuis naast zijn fabriek en liet die verbouwen tot onderduikverblijf. In het bedrijf mocht hij niet meer komen*.* Later: ‘Na zes uur, als iedereen weg was, sloop ik door een geheime ingang mijn eigen bedrijf in.’

Voor een meer definitieve onderduikplaats voor de beide kinderen Ruben en Ruth belde Grethe Falk-Hanauer met een kinderarts in Utrecht, dr. Johanna Stalling-Schwab. Die wist een adres: kindertehuis Zonneschijn aan de rand van Zeist, waar 32 kinderen waren. Het tehuis werd geleid door een zuster Kramer en een zuster Moll van Charante, verantwoordelijk voor de gezondheid en de netheid respectievelijk voor de gezelligheid. Er was nog plaats en eerst werd Ruth Falk gebracht en later ook Ruben Cahn. Grethe Falk-Hanauer ging elke week kijken hoe het met de kinderen ging. Er was een prachtige ruimte met speelgoed, maar later had ze begrepen dat de kinderen daar nooit mochten spelen. Financieel gezien, werd er geen misbruik gemaakt van de situatie; voor joodse onderduikertjes werd hetzelfde tarief gehanteerd als voor anderen.

De echtparen Cahn- Samuel en Falk-Hanauer leefden ongeveer een jaar in onderduik in het verbouwde pakhuis in Deventer. Een zwarthandelaar bracht voedsel en Cahns compagnon en advocaat brachten elke dag een stapel geld. Via een kruidenier die illegaal contacten had, kochten de echtparen voor achthonderd gulden per stuk een stapel persoonsbewijzen die gestolen waren in Schoorl en Midwoud in Noord-Holland. Ze waren uitgeschreven voor jongens van dertien jaar, maar met een scheermesje en een typemachine konden ze het geboortejaar vrij eenvoudig veranderen. Max Falk koos een persoonsbewijs op naam van Gerardus Druiven uit Schoorl en zijn echtgenote een persoonsbewijs op naam van Cornelis Stapel uit Midwoud. Cornelis werd veranderd in Cornelia. De Cahns kozen voor de achternaam Koenders. De kinderen in Zonneschijn leefden daar ook verder onder onderduiknamen. Ruth had aanvankelijk de achternaam Bots gekregen, van een bevriend gezin in Zwolle, maar later was het ‘Marietje Druiven’ geworden. Ruben Cahn werd Rudi (Rudolf) Koenders.

Intussen liet zuster Kramer van Zonneschijn in Zeist bij telefonisch contact weten dat er in Amsterdam een besmettelijke ‘kinderziekte’ was uitgebroken. Toen Grethe Falk-Hanauer de volgende dag poolshoogte ging nemen, werd duidelijk wat de ‘kinderziekte’ inhield. Op de 33 kinderen waren er nu 18 joods, een risicovolle concentratie van onderduikers. Besloten werd om Ruben en Ruth weg te halen uit Zonneschijn en naar een minder gunstig gelegen kindertehuis op Spoorlaan 5 in Bosch en Duin te brengen. Daarna leek een inval in Zonneschijn ophanden te zijn, waarop de joodse kinderen her en der werden ondergebracht. Het bleek loos alarm. Alle kinderen werden weer opgehaald, terwijl Ruben en Ruth uiteindelijk ook teruggingen naar Zonneschijn.

Anno 2020 zal Ruth Vleeschhouwer-Falk vertellen dat ze geen slechte herinneringen heeft. Wel werd er veel aandacht besteed aan het eten, want het was nu eenmaal een herstellingsoord. Dat ging dan inderdaad soms op een manier die nu niet meer zou kunnen. En toen eigenlijk ook niet kon. Na de bevrijding zal ook blijken dat er ook een achternichtje van Ruths vader in Zonneschijn verbleef, als kindermeisje. Het is Wilma (Wilhelmine) Meijer (Keulen, 21 juni 1922). Zij zou de oorlog overleven.

Na ongeveer een jaar kwamen de volwassenen in Deventer in problemen. De verhuurder van het pakhuis overleed onverwacht en zijn erfgenaam bleek overal rond te bazuinen hoe dapper die verhuurder was geweest, door zijn pakhuis aan joden te verhuren.

Er begon onmiddellijk een zoektocht naar nieuwe onderduikadressen. Navraag bij garagehouder Urban in Doorn – waar joodse bekenden uit Utrecht waren ondergedoken – leverde een onderduikplek op bij een boer in Driebergen, die vooral geïnteresseerd was in geld. De Cahns konden door bemiddeling van zijn voormalige Wassenaarse buurman Jacob van der Gaag terecht op een adres in Huis ter Heide (dat was voor Van der Gaag de bescheiden aanzet tot spectaculaire verzetsactiviteiten).

Omdat de boer in Driebergen een kleine ruimte beschikbaar stelde in een allesbehalve hygiënische omgeving, en het echtpaar Cahn-Samuel samen met een niet-joods echtpaar van Deventer naar Bussum kon verhuizen, besloten Max en Grethe Falk-Hanauer naar Huis ter Heide te fietsen. Per slot wisten de potentiële onderduikgevers daar niet hoe hun onderduikers heetten en hoe ze er uit zagen.

Hoewel ze daags tevoren te horen kregen dat het echtpaar Nico (Nicolaas) en Mien (Wilhelmina) Herfst-van Drie in Den Dolder bang was geworden, en toch geen onderduik meer wilde verschaffen, gingen Max en Grethe Falk-Hanauer toch naar Dolderseweg 18. Ze hadden namelijk geen alternatief, anders dan de boer in Driebergen. Huize Herfst-van Drie bleek in alle opzichten een fijne onderduikplek. Na enkele dagen kaartte onderduikgeefster Mientje Herfst-van Drie haar angst aan voor het geven van onderduik aan joodse mensen, maar Max en Grethe mochten toch blijven.

De beide kinderen Ruben Cahn en Ruth Falk verbleven nog in Zonneschijn in Zeist, maar hun ouders waren niet gerust. Ze hadden het angstige gevoel dat er wat te gebeuren stond. Er werd weer contact gezocht met Van der Gaag. Diens echtgenote was rooms-katholiek en haar broer controleerde kloosterscholen.

Via hem werd Ruben Cahn (‘Rudi Koenders’) ondergebracht in een nonnenklooster in Blerick, waar hij rooms-katholiek gedoopt werd. Later zou hij over zijn doop door de nonnen vertellen: ‘Die pakten elk zieltje. Daarna belandde ik in een gereformeerd gezin, waar ze me vertelden dat alle katholieken heidenen zijn.’ Zijn onderduikgeschiedenis en die van Ruth Falk is illustratief voor het gezeul met joodse onderduikertjes van het ene naar het andere adres.

Korte tijd later werd er voor Ruth ook een plek gevonden in een klooster. Voorwaarde was dat het echtpaar Falk-Hanauer een brief schreef, die de nonnen bij eventuele problemen zou vrijwaren. In die brief moest staan dat de ouders van ‘Marietje Druiven’ overleden waren, maar voor hun dood bepaald hadden dat ‘Marietje’ voor een rooms-katholieke opvoeding naar een klooster moest worden gebracht. Het was een hele zware gang voor de ouders om hun kinderen met zo’n brief achter te laten op het adres van een bemiddelaar, zonder dat ze wisten waar ze naar toe gingen.

Uit veiligheidsoverwegingen mochten ze niet weten dat ‘Rudi Koenders’ naar een nonnenklooster in Blerick was gebracht en ‘Marietje Druiven’ naar het zeer arme klooster Abshoven van Duitse nonnen, in Abshoven in de gemeente Sittard-Geleen. Eerst was ‘Marietje’ nog een tijdje in Utrecht ondergebracht. Toen duidelijk was geworden dat ze in Abshoven terecht kon, was ze daarnaartoe gebracht. Aan de moeder-overste was in het Duits uitgelegd wat er in de brief stond, die ‘Marietje’ bij zich had, niet wetende dat het meisje Duits verstond. De zevenjarige Ruth had drie weken lang dag en nacht gehuild, tot een Nederlandse non haar had weten te troosten. Die had haar onder meer uitgelegd dat haar ouders nog leefden.

Daarna had ‘Marietje’ met de andere kinderen gespeeld, tot ze na een verblijf van drie maanden in Abshoven ernstig ziek werd. Toen ze dat van de bemiddelaars hoorde, was Grethe Falk-Hanauer meteen met de trein naar Zuid-Limburg gespoord. Ze had haar dochtertje na onderzoek in het ziekenhuis in Sittard – tbc? – mee naar huis genomen. De moeder-overste van het klooster had de duizend gulden voor verzorging terug willen geven, maar het geld mocht blijven. De kleine Ruth was koortsig en hoestte zo, dat de coupé leegliep wegens angst voor een besmettelijke ziekte.

Onderduikgeefster Mien Herfst-van Drie had aangegeven uit veiligheidsoverwegingen pertinent geen joodse kinderen in huis te willen hebben, maar na een telefoontje vanuit een klein restaurant aan de Amersfoortsestraatweg mocht Ruth – onder voorwaarden – mee komen. Al gauw raakten de onderduikgevers vertederd door het zieke kind, dat na onderzoek door de Zeister huisarts Kamerling en het Zeister ziekenhuis geen tbc bleek te hebben, maar een vrij zeldzame ziekte die gelukkig snel genas.

In het voorjaar van 1943 ontstonden nieuwe problemen. In Huis ter Heide was een arrestatieploeg actief en in heel Zeist joeg de foute agent Evert Drost op onderduikers. Er werden veel mensen opgepakt. Daarbij had de zoon van Nico en Mientje Herfst-van Drie een vriendin waarvan de vader bij de NSB zat. Dat meisje was niet welkom op Dolderseweg 18 en vroeg zich hardop af of het echtpaar Herfst-van Drie wat te verbergen had. Dat echtpaar werd bang en vroeg de onderduikers om bij razzia’s de woning aan de achterkant te verlaten. Dat risico wilden Max en Grethe Falk-Hanauer niet nemen. Ze besloten om het gevaar weg te nemen voor hun onderduikgevers en een nieuwe onderduikplaats te zoeken.

Inmiddels was Carl Cahn illegaal actief geworden. Toen hij geraadpleegd werd, wist hij te vertellen dat er in de Lage Vuursche een hele groep onderduikers onder de grond zat. Met de eigenaar van de locatie zouden goede afspraken gemaakt kunnen worden. Per fiets vertrok het echtpaar Falk-Hanauer richting de Lage Vuursche, hun koffer achter op de ene fiets en Ruth achter op de andere fiets. Toen ze zo langs Hotel Hiensch in Den Dolder kwamen, overwogen ze om daar hun intrek te nemen, maar ze fietsten toch door. Aangekomen in de Lage Vuursche bleek daar net een arrestatieploeg geweest te zijn, en ze maakten meteen rechtsomkeert. Met heel veel moeite en overtuigingskracht wisten ze een kamer in Hotel Hiensch te krijgen, onder het mom dat ze weg hadden gemoeten uit de kuststrook. Ze zouden enige tijd in het hotel verblijven. Op de eerste avond werden ze al uitgenodigd door de hotelhouder voor een gezellig drinkgelag met kennissen en een arrestatieploeg.

Max Falk was het binnen zitten beu en ging er twee keer op uit. De eerste keer ging hij met Ruth zwemmen in Bilthoven en moest hij een wegversperring met controle omzeilen. De tweede keer ontkwam hij in Doorn nipt aan arrestatie.

Ruben Cahn zat nog steeds in een onbekende plaats in een klooster, en zijn ouders vonden het gebrek aan contact moeilijk. Ruben en Ruth waren al eens naar een kindertehuis in Bosch en Duin gebracht, toen het gevaarlijk leek in Zonneschijn. Met de leidster van dat tehuis, Alberdina van Sluijs-Tjaden, had Carl Cahn al eens besproken dat hij Boslaan 1 in Zeist wilde kopen, als kindertehuis voor Ruben en Ruth. Alberdina Tjaden-van Sluijs – gescheiden, maar nog steeds de achternaam van haar echtgenoot gebruikend – vond dat een uitstekend idee, omdat haar tehuis op Spoorlaan 5 in Bosch en Duin ongunstig gelegen was. Zo gezegd, zo gedaan – geld speelde voor Cahn geen enkele rol meer – op voorwaarde dat er buiten Ruben en Ruth geen andere joodse kinderen zouden worden opgenomen.

Op zekere dag zaten Max en Grethe Falk-Hanauer bij Hiensch te eten, toen de hen bedienende ober opeens zei: ‘Ik geloof dat het ook hoog tijd wordt dat u eens hier weggaat.’ De zoektocht naar een nieuw adres duurde gelukkig kort, want Nico en Mientje Herfst-van Drie kwamen vragen of ze terug wilden komen naar Dolderseweg 18. Dat gebeurde en in april 1943 kwamen Carl en Hilde Cahn-Samuel daar ook naar toe. Ze waren ontsteld, omdat Erna Erwteman-Kurz – waar ze in Deventer nog een tijd bij hadden gewoond – in Apeldoorn gearresteerd was. Het was mogelijk dat zij adresinformatie bij zich had gedragen, wat korte tijd later door een inval op het woonadres in Bussum bevestigd leek te worden. Het echtpaar Cahn-Samuel mocht in Huis ter Heide blijven tot ze een nieuw adres gevonden hadden, wat vrij gauw lukte. Ze vertrokken naar een pension in Bussum, in welke gemeente ze zich met hun valse persoonsbewijzen inschreven.

In Huis ter Heide vonden weer razzia’s plaats en het werd er te gevaarlijk voor het echtpaar Falk-Hanauer. Ze verhuisden naar Doorn, naar twee onderwijzeressen (Schuddebeurs), bij wie eerder een joodse onderduikster opgepakt was. Ze waren welkom, en mochten het zegel van de onderduikkamer verbreken. Na overleg met helpers verlieten ze de te kleine kamer en gingen ze terug naar Huis ter Heide. Van daaruit probeerden ze elke dag om een goede onderduikplek in Bussum of Naarden te vinden. In november 1943 werd er een hele etage gevonden, maar de verhuurster koos al gauw voor andere huurders, omdat ze de indruk had gekregen dat ze met joodse onderduikers van doen had. Onverrichter zake ging het echtpaar Falk-Hanauer voor even terug naar Huis ter Heide.

Uiteindelijk werd via de VVV in Bussum prima woonruimte gehuurd bij een ouder echtpaar Van Schaik in een vrijstaande, grote villa in Bussum. Er waren ook andere gegadigden, maar later bleek dat de gestorven dochter van de verhuurders bij een spiritistische seance gekozen had voor het echtpaar Falk-Hanauer. In december 1943 werd er verhuisd, na een jaar vooral ondergedoken te zijn geweest op Dolderseweg 18.

Bijna kwam er een kink in de kabel, omdat de kolenboer in Bussum van een collega in Zeist had gehoord dat de huurders van Van Schaik joods zouden zijn: ‘Van Schaik, jij durft!’ Grethe Falk-Hanauer had zich er uit kunnen praten, onder verwijzing naar de formele inschrijving bij de gemeente Bussum. Het klikte verder geweldig met de verhuurders – ‘Opa en oma’ van Schaik vroegen op zekere dag waarom Ruth in een kindertehuis zat. Grethe had daarop gezegd dat het te maken had met haar gemengde huwelijk en dat Ruth erg leek op haar joodse grootmoeder (Max Falk was geregistreerd als half-joods). Dat vonden de verhuurders niet, toen ze Ruth zagen. Ze waren meteen dol op het meisje dat mocht blijven.

Carl en Hilde Cahn-Samuel woonden in dezelfde wijk in Bussum, waar Carl betrokken was geraakt bij communistisch verzet. Toen de Van Schaiks eind januari 1944 een dag en een nacht weg waren, kwamen ze voor de gezelligheid samen een grote puzzel leggen. Ze wilden niet blijven en vertrokken na het begin van de Sperr-tijd. Die nacht werden ze gearresteerd. Max en Grethe Falk-Hanauer kwamen daarachter, toen ze de volgende dag met hun vrienden wilden bridgen. Uit angst dat het adres van Ruben en/of hun eigen adres ergens in het pension van Carl en Hilde Cahn-Samuel gevonden zou worden, werd preventief actie ondernomen. Ruben werd snel ondergebracht bij het echtpaar Herfst-van Drie op Dolderseweg 18 en zelf vertrok het echtpaar Falk-Hanauer voor een week naar hun vrienden in Zwolle. Toen de kust veilig was, keerden ze terug naar Bussum. (Intussen was bij de buren van hun Zwolse vrienden wel de verdenking ontstaan dat de ‘Druivens’ joden waren, maar die verdenking wisten ze later weg te werken.) Het echtpaar Falk-Hanauer had kort voor de arrestatie van het echtpaar Cahn-Samuel nog tienduizend gulden van hen geleend. Dat geld was niet genoeg om hen vrij te kopen. De voormalige compagnon van Carl Cahn in Deventer weigerde om het vereiste grote bedrag beschikbaar te stellen. Op 9 maart 1944 werd het ongelukkige echtpaar ingesloten in de strafbarak van Kamp Westerbork en op 23 maart werden ze gedeporteerd naar Auschwitz.

Onwetend van het lot van zijn ouders beleefde Ruben Cahn bij het echtpaar Nico en Mien Herfst-van Drie een prettige onderduiktijd. ‘Rudi Koenders’ ging door voor een jongetje dat als gevolg van de bombardementen op Rotterdam dakloos is geworden en daarom bij zijn oom en tante woonde. Het zou voor hem verreweg het beste onderduikadres worden, dat hij tijdens de bezetting had gehad. Het echtpaar Herfst-van Drie had een gigantische tuin waar hij volop kon spelen, terwijl hij elders stil moest zitten of – bij de nonnen in Blerick – onderworpen werd aan een weinig pedagogische behandeling. De tuin grensde aan het vliegveld Soesterberg en soms kropen Ruben en zijn speelmakkertjes onder het prikkeldraad door, om snoep te bietsen bij Wehrmacht-soldaten. Hij kreeg dan geweldig op zijn donder van zijn onderduikmoeder die, zoals hij zei, ‘haar op haar tanden had’. Toen er Duitse soldaten het huis binnenkwamen, stuurde Tante Mientje Ruben naar zijn kamer. Van daaruit kon hij horen hoe ze de binnendringers afbekte. Ze raakte er ook niet ondersteboven van toen er eind 1944 afweergeschut in de tuin werd geplaatst en gebruikt werd tijdens bombardementen op vliegveld Soesterberg. Rubens latere herinneringen: ‘Oom Nico vond het houten huis niet veilig. Als de sirenes loeiden haalde hij mij uit bed en kropen we in de diepe greppel die hij in de tuin had gegraven. We lagen op onze rug op een deken in de greppel en keken naar de bommenwerpers die boven onze hoofden de bomluiken openden. De zoeklichten en het geluid van het afweergeschut, de ontploffende bommen. Het leek wel een beetje oudjaar hier, alleen was het lawaai nog een tikje heftiger, Mientje bleef ijskoud, maar wel lekker warm, in bed. Die vond het niet nodig om de nachtkou in te gaan.

In Bussum kreeg ‘Gerardus Druiven’ via de gemeente Bussum een oproep voor graafwerkzaamheden, maar hij werd vrijgesteld omdat zijn echtgenote een vervalst document kon laten zien, dat hij in Duitsland werkzaam was. Een probleem bleef wel dat bij een scherpe beoordeling aan de persoonsbewijzen te zien was, dat er aan geknoeid was. Dat probleem werd opgelost door de documenten aan te schroeien – ‘we konden ze nog net uit de kachel redden’ – waarna ze van de gemeente nieuwe persoonsbewijzen kregen. De onderduiksituatie leek behoorlijk veilig. Zo veilig, dat het echtpaar Herfst-van Drie ook wel eens op bezoek kwam met Ruben.

De spoorwegstaking leidde tot de Hongerwinter en dat werd ook in Bussum een hele moeilijke tijd. Maar het echtpaar Falk-Hanauer en dochter Ruth overleefden.

Erna Erwteman-Kurz was op 23 april 1943 als strafgeval in Kamp Westerbork geïnterneerd. Drie dagen later was ze gedeporteerd en op de dag van aankomst in Auschwitz vermoord, op 30 april 1943.

De zwangere Hilde Cahn-Samuel bleek ook na aankomst in Auschwitz meteen vermoord te zijn. Haar echtgenoot Carl had een helletocht langs een aantal kampen doorstaan. Naar verluidt, was zijn gedrag in Auschwitz voorbeeldig geweest. Hij zou met zijn boksvaardigheden indruk op bewakers hebben gemaakt.

Ruben Cahn was vijf toen de oorlog begon en tien toen de bevrijding kwam. Zijn moeder was dus vermoord en zijn vader getraumatiseerd teruggekeerd. In 2011 zou hij tegen een journaliste van De Gooi- en Eemlander zeggen, dat je over de oorlog maar beter niet te veel kon praten: ‘Mijn herinneringen zitten onderin de modder opgeslagen. Ik hou er niet van om daar in te roeren.’ Na zijn rooms-katholieke doop en zijn verblijf bij een gereformeerd gezin stuurde zijn vader hem naar joodse les in de synagoge van Bussum, zodat hij een keuze kon maken. Ofschoon hij verbonden bleef aan de synagoge ging hij zichzelf later als atheïst beschouwen. Rooms-katholiek was hij toen al lang niet meer, dat had zijn vader ongedaan gemaakt: ‘Tijdens een borrel bij ons thuis in Ankeveen zei de pastoor tegen mijn vader dat ik katholiek was, want ik was gedoopt. Mijn vader haalde me uit bed, goot een fles jenever over mijn hoofd en zei ‘Zo, nu heb ik het ongedaan gemaakt.’ Ik weet nog dat het prikte in mijn ogen en dat ik er niets van begreep. Maar katholiek ben ik dus niet meer.

Hij kon niet aarden op school: ‘Jongetjes als ik belandden een beetje in een vacuüm. Onze ouders waren dood, of de weg kwijt. Ze waren gekwetst op zoveel manieren.’ Carl Cahn hertrouwde in 1948 met Heintje Stork (Meppel, 1911), die hij in het verzet had leren kennen. Afwisselend woonde hij in het Gooi en in Italië. Hem werd het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

Ruben zelf ging naar een tehuis en werd opgeleid voor de landbouw in Israël. Tijdens de Sinaï-campagne in 1956 deed hij dienst bij de gepantserde tanktroepen. Daarna kwam hij terug naar Nederland, waar hij trouwde met Carla Swalef die zelf als kind ondergedoken had gezeten in Venlo. Ook haar vader was actief geweest als illegale werker en ook hem werd het Verzetsherdenkingskruis toegekend. (Het zo lang miskende illegaal werk door joodse inwoners van Nederland is nog steeds een onderbelicht onderwerp.)

Het gezin Falk-Hanauer keerde naar de bevrijding terug naar het eerdere woonadres aan de Stadhouderslaan in Utrecht. Maar indachtig de onderduikhulp die ze in Zeist hadden gekregen, vestigden ze zich in 1946 op Homeruslaan 6, toevallig een van de voormalige onderduikhuizen in Zeist.

In 1950 werd Max Falk genaturaliseerd tot Nederlander. In de memorie van toelichting op de desbetreffende wet stond dat hij en zijn echtgenote tijdens de bezetting steun hadden verleend aan het verzet. Dat betrof vooral illegaal werk dat Grethe Falk-Hanauer had verricht. Het echtpaar was toen al weer volop in zaken gegaan. Max Falk stond eerder in Den Haag te boek als handelaar in meubelen, maar zijn echtgenote Grethe was van professie hoedenmaakster en coupeuse. Het echtpaar had inmiddels de in 1916 opgerichte dameshoedenzaak Maison Kuiper op Slotlaan 68 gekocht. Enkele leden van de familie Kuiper waren NSB’er geweest en daarom was de zaak tijdens de bezetting enigszins verlopen.

Zoon Rob Falk (geboren in 1948) later: ‘Het is onbegrijpelijk dat mijn ouders – gevluchte joden – de naam van de zaak hielden. Het heeft ze gelukkig geen kwaad gedaan, want zij hadden grote successen.’ Het echtpaar Falk-Hanauer toonde na drie-en-een-half jaar onderduik een geweldige veerkracht, zakelijk inzicht en gevoel voor haute couture. Aanvankelijk begonnen ze damesconfectie te verkopen, maar vanaf de jaren vijftig bouwden ze Maison Kuiper uit tot een damesmodezaak met nationale faam. Vanaf 1957 was de zaak gevestigd in het Arcadegebouw, een prachtige nieuwe winkelgalerij volgens het Algemeen Handelsblad. Op dat adres – Slotlaan 40-42 – ontvingen ze onder meer koningin Juliana en prinses Beatrix. Hun modeshows in Figi, Slot Zeist, Esplanade in Utrecht, het Hilton-hotel of het Concertgebouw in Amsterdam werden druk bezocht door de fine fleur van Nederland en trokken veel aandacht van moderedacties. Een chauffeur haalde in een prachtige Rolls Royce klanten op uit het hele land. Marguerite, zoals Grethe een enkele keer in een krantenbericht werd genoemd, vergat haar joodse komaf niet. Op joodse feestdagen werd de zaak gesloten en dat meldde ze per advertentie aan de clientèle. Zeist telde in de jaren vijftig en zestig nog maar enkele joodse gezinnen. Toen dochter Ruth in het Zeister Slot trouwde, was dat het eerste joodse huwelijk na de bevrijding. De bar miswa van zoon Rob (Juda) was eveneens de eerste in Zeist na de bevrijding. Het joodse aspect kende ook een keerzijde. Eenmaal werd op een van de grote winkelruiten met mayonaise een groot hakenkruis getekend.

Op haar hoogtepunt had Maison Kuiper zestig personeelsleden in dienst. De crisis van de jaren tachtig betekende het einde. Na veertig jaar, op 28 februari 1986, moest Rob Falk de deuren van het familiebedrijf sluiten. Maar hij had de ondernemersgenen van zijn ouders meegekregen. Enkele jaren later wist hij van het door hemzelf opgerichte Falk Couriers een succesvol bedrijf te maken.

Het echtpaar Falk-Hanauer had zich al eerder laten inschrijven bij hun jongste dochter in Amsterdam, maar ze gingen eigenlijk in Israël wonen, waar oudste dochter Ruth als kinderpsychiater werkte. Na twee wereldoorlogen te hebben meegemaakt, zochten ze naar veiligheid. Ze overleden daar in 1990 en 1994, wat merkwaardigerwijs in het Amsterdamse bevolkingsregister werd genoteerd alsof Amsterdam nog steeds hun officiële woonplaats was.

Het bijzondere leven van de altijd kwieke en sportieve Ruben Cahn eindigde in oktober 2019 in zijn woonplaats Naarden, toen hij een hersenbloeding kreeg, op de leeftijd van 84 jaar. Tot het laatst toe had Ruben contact gehouden met Ruth Falk. Eendrachtig hadden de twee onderduikertjes van weleer de Yad Vashem-onderscheiding aangevraagd voor het echtpaar Nico en Mien Herfst-van Drie. Toen die onderscheiding – postuum – werd toegekend, hadden ze elk op 25 februari 2019 in de Bussumse synagoge de nazaten van hun voormalige onderduikgevers warm toegesproken.

Bronnen:

  • Mededelingen van Ruth Vleeschhouwer-Falk, Carla Cahn-Swalef en Rob Falk
  • Ongedateerd verslag van Margarethe Falk-Hanauer over haar onderduikervaringen (in bezit van Rob Falk junior, ingezien door de auteurs)
  • Wikipedia, Jacob van der Gaag
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Erna Erwteman-Kurz en Carl en Hilde Cahn-Samuel
  • Joods digitaal monument, Erna Erwteman-Kurz, Hilde Cahn-Samuel
  • www.dutchjewry.org, Deventer, naar aanleiding van meerdere bronnen zoals een interview met Carl Cahn in Vrij Nederland van 28 februari 1981
  • Zie ook de bewezen onderduikadressen Spoorlaan 5 (kindertehuis), Boslaan 1 (idem), Dolderseweg 148, Den Dolder (hotel-café-restaurant Hiensch) en Oranje Nassaulaan 71 (kindertehuis Zonneschijn)
  • www.hetjoodsexlibris.nl (Jan Aarts en Chris Kooyman in samenwerking met F.J. Hoogewoud, ‘Van Bartfeld tot Weyl, ExLibris van Duits-Joodse vluchtelingen in Nederland’, 28) en
  • Francisca Eitjes, ‘Hij goot jenever over mijn hoofd.’ De getuigen van 100 jaar Joods Bussum, in De Gooi- en Eemlander van 28 november 2011.
  • Joyce Huibers, ‘Twee echtparen die Naarder en vriendin hielpen onderduiken postuum geëerd met Yad Vashem-onderscheiding. Veilig bij tante Mientje en oom Nico’, in De Gooi- en Eemlander van 26 februari 2019
  • Algemeen Handelsblad van 5 maart 1957
  • Asta Diepen Stöpler, ‘Maison Kuiper’, in Het Geheugen van Zeist (www.geheugenvanzeist.nl). Dit artikel was eerder verschenen in De Nieuwsbode van 11 mei 2016

1. Dolderseweg 18

2. De voormalige onderduikgevers Nico en Mien Herfst-van Drie

3. Hilde Cahn-Samuel rond 1940

4. De vroeger bekende reclame van PEJA, met ‘Mina Bakgraag’, Twentsch dagblad Tubantia en Enschedese courant van 27 juli 1942. De vader van Ruben Cahn betaalde de onderduik van zijn zoontje met inkomsten van PEJA betaalde

5. Advertentie in de Panorama van 25 december 1941

6. Advertentie van Peja in de Nieuwe Venlosche Courant van 24 december 1941

7. Hotel Hiensch was ook een onderduikadres tijdens de bezetting

8. In het Kindertehuis Zonneschijn zaten Ruben Cahn en Ruth Falk samen ondergedoken totdat het daar te gevaarlijk werd

9. Het gebouw van het nonnenklooster Regina in Blerick, waar Ruben Cahn ook ondergebracht werd

10. Ruben Cahn en Ruth Vleeschhouwer-Falk in 1948 bij gelegenheid van de bar mitswa van Ruben

11. Een advertentie van Maison Kuiper in Nieuw Israelitisch weekblad van 18 april 1980

12. In de jaren zeventig bezocht prinses Beatrix een modeshow van Maison Kuiper in Slot Zeist

13. Carl Cahn rond 1965

14. Ruben Cahn

15. Ruben Cahn en Ruth Vleeschhouwer-Falk op 25 februari 2019 in de synagoge in Bussum

16. Het Arcade-gebouw, met op de hoek het pand van het voormalige Maison Kuiper, dat anno 2020 nog steeds een modezaak herbergt