Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 55-62 (eerste razzia), 131-136 (tweede razzia) en 151-152 (derde razzia; enigszins bewerkt)
EERSTE RAZZIA OP DINSDAG 2 FEBRUARI 1943
In memoriam:
- Betty Sophia Berman, ongehuwd, stenotypiste (Amsterdam, 10 november 1895 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 47 jaar
- Lea Blitz, ongehuwd, winkelierster (Amsterdam, 22 juni 1874 – Sobibor, 30 april 1943), bereikte de leeftijd van 68 jaar
- Hendrika Fransman, ongehuwd, verpleegster (Borgerhout (België), 16 juli 1904 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 38 jaar
- Abraham Alexander van Gelder, gehuwd, beroep onbekend (Winterswijk, 19 juli 1872 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 70 jaar
- Echtgenote Siena van Gelder-Polak (Meppel, 9 september 1871 – Zeist, 6 februari 1943). Zij overleed aan de gevolgen van een poging om tijdens of direct na de razzia een eind aan haar leven te maken. Ze bereikte de leeftijd van 71 jaar
- Juda de Groot, gehuwd, drukker (Amsterdam, 15 augustus 1884 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 58 jaar
- Echtgenote Lina de Groot-Sjouerman (Amsterdam 22 september 1884 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 58 jaar
- Jaantje Koopman, ongehuwd, verkoopster (Amsterdam, 13 augustus 1904 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 38 jaar
- Jansje Vas Diaz-Leuw, beroep onbekend (Amsterdam, 20 februari 1902 – Sobibor, 9 juli 1943), bereikte de leeftijd van 41 jaar. Ze werd een week na haar echtgenoot vermoord: Maurits Vas Diaz, boekhouder (Amsterdam, 6 juni 1903 – Sobibor, 2 juli 1943), boekhouder
- Isaäc Mendelsohn, ongehuwd, kantoorbediende (Sneek, 30 juli 1922 – Auschwitz, 30 april 1943), bereikte de leeftijd van 20 jaar
- Abram Mendes, ongehuwd, magazijnbediende (Amsterdam, 5 augustus 1915 – Auschwitz, 30 april 1943), bereikte de leeftijd van 27 jaar
- Levi Meijer, weduwnaar, kruidenier (Zaandam, 19 juli 1876 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 66 jaar
- Helmut Rosenberg, ongehuwd, staatloos, geen beroep (Bassum-Duitsland, 22 maart 1924, Auschwitz, 30 april 1943), bereikte de leeftijd van 21 jaar
- Elias Simons, ongehuwd, beroep onbekend (Haarlem, 10 oktober 1924 – Auschwitz, 30 april 1943), bereikte de leeftijd van 18 jaar
- Zijn vader Salomon Simons, gehuwd, beroep onbekend (Haarlem, 20 januari 1884 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van 59 jaar
- Robert de Vries (Amsterdam, 3 augustus 1938 – Auschwitz, 12 februari 1943), bereikte de leeftijd van vier jaar, zoontje van Michel de Vries (Amsterdam, 9 september 1912 – Midden-Europa, 21 januari 1945), nachtportier, bereikte de leeftijd van 32 jaar, en Rachel de Vries-Polak (Amsterdam, 11 november 1913 – Auschwitz, 15 oktober 1942), bereikte de leeftijd van 28 jaar
- Hartog Wijnschenk, ongehuwd, kleermaker (Amsterdam, 25 maart 1906 – Auschwitz, 30 april 1943), bereikte de leeftijd van 37 jaar
- Isaäc Witsenhausen, ongehuwd, lampensorteerder (Amsterdam, 12 juni 1923 – een onbekende plaats, 31 maart 1944), bereikte de leeftijd van 21 jaar
In memoriam (elders gearresteerd):
- Maurits van Noord, ongehuwd, kantoorbediende (Amsterdam, 24 mei 1920 – Auschwitz, 30 november 1943), bereikte de leeftijd van 23 jaar
- Vader Leendert van Noord, koopman (Amsterdam, 24 maart 1890 – Sobibor, 4 juni 1943), bereikte de leeftijd van 53 jaar
- Roosje Querido-Lever, gehuwd, koopvrouw (Utrecht, 15 augustus 1881 – Auschwitz, 27 augustus 1943), bereikte de leeftijd van 62 jaar
Gearresteerd wegens het weigeren van medewerking aan arrestaties van joodse patiënten, en teruggekeerd op 6 maart 1943, na een maand gevangenisstraf:
- Jan Cornelis Boswijk, gehuwd, zenuwarts (Martenshoek – gemeente Hoogezand, 7 februari 1894, Zeist, 26 juli 1947)
- Christiaan Frederik Engelhard, gehuwd, geneesheer-directeur (Den Helder, 14 juli 1887 – Zeist, 26 mei 1959)
- Wilhelmina A.C. van Essen, ongehuwd, zenuwarts (14 april 1898 – 7 maart 1953)
- Henri van der Hoeven, gehuwd zenuwarts (1879, Utrecht – 23 april 1956)
Gearresteerd, maar meteen weer vrijgelaten:
- Pieter van der Esch, gehuwd, zenuwarts (Amsterdam, 4 mei 1902 – Schiedam, 14 maart 1984)
- Adrian Haxe, gehuwd, zenuwarts (Chicago-Verenigde Staten, 23 september 1914 – Nijmegen, 19 januari 1999)
- Elisabeth Anna Meyling-Hylkema, gehuwd, zenuwarts (Tjalleberd, 3 februari 1907 – Zeist, 5 mei 1985) werd meteen weer vrijgelaten voor de verzorging van haar zuigeling
- ## TWEEDE RAZZIA OP ZATERDAG 27 NOVEMBER 1943:
In memoriam (onderduikster):
- Selma Strauss, weduwe, geen beroep (Wachenbuchen-Duitsland, 28 augustus 1874 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 69 jaar
In memoriam (waarschijnlijk allen patiënten):
- Julius Bendien, ongehuwd, geen beroep (Almelo, 29 december 1879 – Kamp Westerbork, 9 januari 1944), bereikte de leeftijd van 64 jaar
- Bernard van Buuren, ongehuwd, geen beroep (Buren, 3 februari 1888 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 55 jaar
- Alfred Joseph Henry Elias, ongehuwd, geen beroep (Rotterdam, 29 juni 1909 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 34 jaar
- Abraham Gazan, gehuwd (echtgenote Sarah Logcher vermoord op 21 mei 1943 in Sobibor), boekbinder (Utrecht, 28 september 1879 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 64 jaar
- Regiene Jacobs, ongehuwd, geen beroep (Borculo, 2 maart 1869 – Auschwitz – 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 74 jaar
- Barend Konijn, gehuwd (echtgenote Margaretha Dreese was vermoord op 2 juli 1943 in Sobibor), geen beroep (Amsterdam, 18 maart 1893 – Kamp Westerbork, 10 december 1943), bereikte de leeftijd van 50 jaar
- Hartog Krant, ongehuwd, geen beroep (Amsterdam, 31 januari 1917 – Auschwitz – 26 maart 1944), bereikte de leeftijd van 27 jaar
- Joseph Isaäc Kroon, ongehuwd, geen beroep (Rotterdam, 16 juni 1888 – Kamp Westerbork, 28 december 1943), bereikte de leeftijd van 55 jaar
- Johanna Helena Henriette Levy, ongehuwd, beroep onbekend (Roermond, 7 november 1895- Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 48 jaar
- Rebecca Rimini, weduwe, geen beroep (Amsterdam, 15 april 1880 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 63 jaar
- Elisabeth Simons, ongehuwd, beroep onbekend (Leek, 18 september 1903 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 40 jaar.
- Selma Sussmann, weduwe, geen beroep (Bochum-Duitsland, 15 december 1870 – gestorven in ‘onbekend oord’, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 73 jaar
- Selina Vijevano, ongehuwd, geen beroep (Amsterdam, 1 juni 1903 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 40 jaar
Gearresteerd wegens het weigeren van medewerking aan de arrestatie van joodse patiënten:
- Jan Cornelis Boswijk, gehuwd, zenuwarts (Martenshoek-gemeente Hoogezand – 7 februari 1894, Zeist, 26 juli 1947)
- Ida Selma Pröhl, ongehuwd, hoofdverpleegster (Rampersdorf-Duitsland, 21 juni 1899 – Utrecht, 7 maart 1985)
- Wilhelmina Hendrina Slaakweg, ongehuwd, eerste klerk bij de administratie WA Hoeve (Utrecht, 16 mei 1906 – 17 juni 1985)
DERDE EN LAATSTE RAZZIA OP MAANDAG 13 DECEMBER 1943
In memoriam:
- Bernard Maurits Henri van Lier, ongehuwd, voormalig student medicijnen (Utrecht, 31 mei 1882 – Auschwitz 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 62 jaar
- Izak Dawid Vogel, ongehuwd, beroep onbekend (Ciechanow-Polen, 10 april 1914 – gestorven in ‘Midden-Europa’, 30 juni 1944), bereikte de leeftijd van 30 jaar
- Rafael Wilk, gehuwd (echtgenote al omgebracht), koopman (Sanok-Polen, 8 mei 1886 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 57 jaar
Patiënten:
- Roosje Konijn, gescheiden, beroep onbekend, (Den Haag, 24 juli 1902). In mei 1945 bevrijd in Theresiënstadt
Gearresteerd wegens gebrek aan medewerking:
- Jantje Rozeboom, ongehuwd, verpleegster (Hoogezand, 31 maart 1891 – Zeist, 16 februari 1976)
- HET VERHAAL ACHTER DE RAZZIA’S
- De eerste razzia op dinsdag 2 februari
De patiënten van psychiatrische inrichtingen in het gebied van de Atlantikwall – de Duitse verdedigingslinie langs de kuststrook – moeten uiteindelijk ook zo veel mogelijk geëvacueerd worden naar het binnenland. Op 11 januari 1943 arriveert op station Den Dolder het eerste transport met geëvacueerde patiënten van de psychiatrische inrichting in Santpoort, die overgebracht moeten worden naar de Willem Arntsz Hoeve. Een week later zal de rest van de Santpoortse patiënten volgen. Wat jonge Doldenaren als een verzetje denken te beleven, ontvouwt zich als een gruwelijk schouwspel op het station. Een ooggetuige later: ‘Schreeuwende mensen. Vastgebonden patiënten die door broeders werden meegevoerd. Ontreddering alom. Ik heb er ‘s nachts niet van kunnen slapen.’ Er komen die dag ook meer dan 100 joodse patiënten mee. Het personeel van Santpoort heeft hun persoonsbewijzen spoorloos laten verdwijnen en probeert elke overige aanwijzing over hun joodse afkomst te maskeren, zoals de jodenster.
Op het uitgestrekte terrein van de Willem Arntsz Hoeve bevinden zich drie categorieën joodse onderduikers. Joodse patiënten hoeven geen jodenster te dragen binnen de inrichting en zijn dus als het ware ‘administratief’ ondergedoken, zolang het personeel hen beschermt.
Daarom zijn er – categorie 2 – joden die zich laten opnemen, al dan niet door een geestesziekte te simuleren. En dan zijn er ook nog ‘echte’ joodse onderduikers op het uitgestrekte terrein van de Willem Arntsz Hoeve, de derde categorie. Om hoeveel onderduikers het gaat? Een leidinggevende arts uit Santpoort zal later schatten dat er in totaal op ongeveer 500 patiënten ongeveer 125 ‘min of meer ondergedoken joden’ waren meegekomen naar de Willem Arntsz Hoeve. Maar men had na de bevrijding wel eens de neiging om het aantal onderduikers te overschatten.
In september 1942 heeft de Commissaris van de provincie Utrecht aan gemeenten gevraagd om een lijst met joodse inwoners die nog niet geëvacueerd waren. Op verzoek van de gemeente Zeist heeft geneesheer-directeur Christiaan Engelhard van de WA Hoeve de gegevens van zijn joodse patiënten doorgegeven. Hij heeft dat gezien als een puur administratieve aangelegenheid, wellicht een enigszins naïeve opstelling, gelet op de stand van zaken voor de jodenvervolging. De gemeente heeft vervolgens op 19 september complete lijsten van joodse patiënten in lokale inrichtingen naar de Commissaris van de provincie Utrecht gezonden.
Op 7 januari 1943 vraagt de Beauftragte van de Rijkscommissaris Seyss-Inquart voor de provincie Utrecht rechtstreeks aan dokter Engelhard om inlichtingen over joodse patiënten die op 1 oktober 1942 en 1 januari 1943 aanwezig waren op de WA Hoeve. Er zijn namelijk klachten binnengekomen dat er veel joodse patiënten verpleegd zouden worden.
Twee dagen eerder is aan Engelhard en zijn collega’s echter duidelijk geworden dat de consequenties van een nieuwe opgave ernstig kunnen zijn. In de oudejaarsnacht van 1942/1943 waren honderd patiënten van de psychiatrische inrichting Oud-Rosenburg in Loosduinen op mensonterende wijze – sommigen naakt of nog in nachtkleding – overgebracht naar Kamp Westerbork. Niemand kon staande houden dat deze ernstig zieke patiënten gedeporteerd werden voor ‘tewerkstelling in het Oosten’. Geneesheer-directeur Engelhard weigert dit keer om inlichtingen te verstrekken.
De regenten van de Willem Arntsz Stichting zijn daar wél toe bereid. Ze verzamelen de gevraagde gegevens en bellen de Beauftragte om hun bevindingen door te geven. Die eist echter dat geneesheer-directeur Engelhard hem persoonlijk de gevraagde inlichtingen levert. Engelhard komt dus zwaar onder druk te staan, maar hij houdt de rug recht. In een brief van 14 januari aan zowel zijn regenten – een driemanschap van NSB’ers – als de Beauftragte motiveert hij zijn weigering.
Daarop volgt een gesprek met de Beauftragte. Die probeert de geneesheer-directeur er van te overtuigen dat het zijn ‘plicht als Nederlandse arts’ is om te helpen om het volk te bevrijden van de vloek van het jodendom. Als Engelhard geen krimp geeft, ontheft de Beauftragte hem van de opdracht. De regenten van de WA Hoeve moeten de opgave dan maar doen en die zijn daartoe bereid. Deze omzeiling van zijn principiële opstelling maakt Engelhard duidelijk dat verdere samenwerking met zijn bestuur voor hem onmogelijk is. Met grote aarzeling – laat hij patiënten en personeel nu niet in de steek? – biedt hij op 19 januari zijn ontslag aan. Misschien is de schokkende evacuatie van patiënten uit Santpoort, daags tevoren, het laatste zetje geweest.
Mocht de geneesheer-directeur nog een spoortje twijfel hebben over de bedoelingen van de bezetter, dan vervliegt dat twee dagen later. In de nacht van 21 op 22 januari 1943 wordt de joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch leeggehaald. De 1.023 patiënten worden in afgesloten goederenwagons rechtstreeks naar Auschwitz gedeporteerd.
Dit diep schokkende drama is voor dokter Jan Boswijk van de WA Hoeve en drie artsen van het Willem Arntsz Huis in Utrecht aanleiding om het voorbeeld van dokter Engelhard te volgen. Hun ontslagaanvraag wordt door de NSB-regenten opgevat als sabotage. Op last van de Beauftragte sommeren ze de geneesheer-directeur om de andere artsen te bewegen tot intrekking van hun ontslagaanvragen. Engelhard weigert ook dat en brengt op 2 februari persoonlijk zijn ontslagbrief naar de Beauftragte in Utrecht.
Net op die dag lijdt Duitsland de nederlaag bij Stalingrad, die een keerpunt in de strijd aan het Oostfront en in de Tweede Wereldoorlog zal blijken. Maar voor de joodse patiënten en onderduikers in de WA Hoeve begint de ellende juist die dag.
Terwijl geneesheer-directeur Engelhard naar de Beauftragte toe is, verschijnen opeens de rechercheurs Maarten Spaans en Marinus Dusschoten van de Haagse politie op de WA Hoeve. In opdracht van het Judenreferat IV B4 van de Sicherheitspolizei in Den Haag komen deze rechercheurs een onderzoek instellen. Het zijn agressieve jodenjagers. De aanleiding voor hun onderzoek is de arrestatie van de joodse onderduiker Maurits van Noord. Die heeft bekend dat hij zich op had laten nemen in Santpoort door een geestesziekte te simuleren. Ook zijn vader zou zich zo een onderduikplaats hebben verschaft. Hij was met andere patiënten overgebracht naar Den Dolder en op gegeven moment weggelopen uit de WA Hoeve.
De rechercheurs onderzoeken nu de verdenking dat de uit Santpoort meegekomen artsen Pieter van der Esch en diens assistent Adrian Haxe joodse onderduikers opnemen als patiënten.
Dokter Van der Esch stelt dat Maurits van Noord geen goed inzicht heeft in zijn eigen toestand – hij dènkt dat hij simuleert – en weg mocht omdat hij op een open afdeling verbleef. Dat verweer overtuigt de rechercheurs niet. Als ze zelf in de patiëntenadministratie gaan zoeken, kunnen ze geen kaart op naam van Van Noord vinden.
Terwijl ze door blijven zoeken, arriveert kapitein Thijssen, leider van de beruchte Controle Centrale van de Utrechtse politie, met een agent. Zij hebben de opdracht om de artsen Engelhard en Boswijk te arresteren, in verband met hun ontslagaanvragen. Beiden zijn echter afwezig en de twee politiemannen beginnen zich te bemoeien met het onderzoek van de rechercheurs. De kapitein meent dat het in de wachtkamer van dokter Van der Esch een ‘jodentroep’ is. Er zitten inderdaad tien joodse patiënten in de wachtkamer, die verontrust zijn geraakt door de berichten over de ontruiming van Het Apeldoornsche Bosch en de dokter willen spreken.
De wantrouwige politiekapitein gaat op onderzoek uit. Als hij terug komt, beschuldigt hij Van der Esch ervan dat hij een groot aantal geestelijk gezonde joodse onderduikers in de WA Hoeve verbergt. Hij eist dat Van der Esch alle joodse patiënten bijeenbrengt in een ruimte en hun namen en diagnoses overlegt. Als de artsen Van der Esch en Haxe dat weigeren, krijgen ze rake klappen van Spaans en Thijssen, en worden ze gearresteerd en weggevoerd (dit zal Adrian Haxe later in Medemblik nog een keer overkomen).
De situatie escaleert op 2 februari volledig en de onrust binnen de WA Hoeve is groot. De verpleging moedigt joodse patiënten aan om de WA Hoeve met spoed te verlaten, terwijl de rechercheurs proberen een overvalwagen te regelen voor dit ‘jodennest’. Als dat laatste niet lukt, schakelt kapitein Thijssen acht marechaussees uit Bilthoven in. Ze moeten het hele terrein afzetten, en de ingangen van de paviljoens bewaken, waarna de rechercheurs Dusschoten en Spaans met kapitein Thijssen de paviljoens zullen doorzoeken op de aanwezigheid van joodse patiënten. Het personeel werkt echter niet mee, ondanks zware bedreigingen. De agressieve Maarten Spaans tegen een hoofdverpleegster: ‘Als je je bek niet opendoet, dan sla ik hem open en kom je in een concentratiekamp terecht.’
De marechaussees zetten de zoektocht met schijnwerpers voort in de bossen rond de inrichting. Elf joodse personen worden opgesloten in de regentenkamer van de WA Hoeve. Zes joodse voortvluchtigen die ’s ochtends terug komen om hun bagage op te halen, in de onterechte veronderstelling dat Spaans en Dusschoten weer vertrokken zijn, worden ook gearresteerd.
Een indirect slachtoffer is Siena van Gelder-Polak die met haar echtgenoot, ondergedoken zat op de WA Hoeve. Ze neemt na de inval vergif in en zal op 6 februari overlijden.
De zeventien arrestanten worden door Spaans, Dusschoten en de marechaussees naar het station van Den Dolder gebracht, vandaar worden ze verder naar Den Haag vervoerd. Geen van hen staat geregistreerd in het bevolkingsregister van Zeist, wat wel gebruikelijk is bij patiënten die ingeschreven staan bij de WA hoeve. Dat geldt ook voor Siena van Gelder-Polak die zichzelf dus het leven benomen heeft. Met haar meegerekend, bevinden zich onder de arrestanten twee echtparen, een vader en een zoon en een 4-jarig jongetje. Minstens elf van de arrestanten worden in Kamp Westerbork in barak 66 geplaatst, die in 1943 ook fungeert als strafbarak. Kortom, het zijn vooral joodse onderduikers die gearresteerd zijn bij deze razzia, en geen patiënten. Vijftien van hen worden op 12 februari en 30 april 1943 vermoord in Auschwitz.
De overvallers komen er nog achter dat Roosje Querido-Lever op 1 februari ontslagen is, na een verdacht kort verblijf van krap drie weken. Ze is namelijk pas op 12 januari in de WA Hoeve gekomen. Eveneens verkapte onderduik? Uit het dagrapport van woensdag 24 februari 1943 van de de gemeentepolitie Zeist voor Bosch en Duin: ‘Onderzoek in stellen naar Roosje Querido geb. 15 aug. 1881 te Utrecht, verpleegd W.A.Hoeve. Op 1 februari als genezen ontslagen, verblijft vermoedelijk Nieuwe Daalstraat no. 29
Wat later verzoekt een rechercheur van de politieke recherche in Groningen om Roosje Querido-Lever na aanhouding naar Groningen over te brengen, waar ze kan worden ondergebracht in het Joodsch Hotel aan de Folkingestraat. Op 4 augustus 1943 wordt ze ’s avonds om tien uur gearresteerd op haar onderduikadres in Bilthoven, met een vals persoonsbewijs bij zich, op naam van ‘Johanna van de Brink’. Een dag later wordt ze overgebracht naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam. Daarna gaat het snel. Op 7 augustus komt ze in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork, op 24 augustus gaat ze op transport naar Auschwitz en op de dag van aankomst, 27 augustus 1943, wordt Roosje Querido vermoord in Auschwitz.
Roosje Querido-Lever was de moeder van de latere Utrechtse huisarts Bram Querido (1911-1999) die bekendheid zou krijgen als clubarts van DOS en FC Utrecht. Zoon Bram zal later terugdenken aan zijn moeder hoe ze met een hondenkar, getrokken door Bello, textiel verkocht in de Utrechtse wijken. Het gezin van Levie en Roosje Querido-Lever woonde in Utrecht op Bergstraat 6 in Wijk C. Op woensdagochtend 30 oktober 2019 zijn in Utrecht voor hun voormalige woonadres drie struikelsteentjes onthuld, met de namen van het echtpaar Querido-Lever en hun dochter Sara.
De beide voormalige Santpoort-artsen Pieter van der Esch en Adrian Haxe, die eveneens gearresteerd waren, komen er bij het Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitspolizei redelijk door hun verhoren heen. De vraag waarom er zoveel joodse patiënten zijn, beantwoordt Van der Esch met een verwijzing naar de grote problemen waarin de joodse bevolkingsgroep zich bevindt. Dat er familieverwantschappen zijn, heeft te maken met de erfelijkheid van psychiatrische ziektes. Dat er zelfs echtparen opgenomen zijn, heeft ermee te maken dat echtparen nou eenmaal zwaar op elkaar leunen. Hij ontkent ook dat de open afdeling uitsluitend voor joodse patiënten is. Uiteindelijk worden de beide artsen vrijgelaten met de aanbeveling om eens wat te lezen over ‘de nieuwe inzichten’. Zo betekent hun ambtsgeheim bijvoorbeeld niets voor de Sicherheitspolizei.
Minder gauw komen de ontslagnemers er van af. Een vrouwelijke arts wordt wegens haar zuigeling vrijgelaten, maar Engelhard, Boswijk en de andere arts worden gearresteerd en overgebracht naar de huizen van bewaring aan de Amstelveenseweg en de Weteringschans. Daar moeten ze ongeveer een maand blijven.
De tweede razzia op zaterdag 27 november 1943
Het is wachten op de volgende razzia, nu de nieuwe geneesheer-directeur van de WA Hoeve mee zal werken met de bezetter. Vanaf 1 juni 1943 wordt het nationaalsocialistische regime over de WA Hoeve, met een college van drie NSB-regenten, namelijk versterkt met de aanstelling van Kees Keulemans tot geneesheer-directeur.
Keulemans heeft voorheen in Wolfheze gewerkt. Daar heeft men deze fanatieke NSB’er kennelijk graag zien vertrekken, getuige het verzoek dat hij op 7 juni richt aan commissaris Müller-Lehning van het Commissariaat van Niet-Commerciële Verenigingen en Stichtingen. Het predicaat ‘eervol’ is hem onthouden, maar bovenal heeft hij uit Wolfheze te horen gekregen dat hij geen pensioenaanspraken zal kunnen doen gelden over de periode die hij daar doorgebracht had.
De koelte van zijn afscheid in Wolfheze wordt geëvenaard door die van zijn entree in de WA Hoeve. Populairder zal hij niet worden. Kees Keulemans combineert een grote afkeer van alles wat Engels is met Duitsgezindheid – mede als gevolg van zijn Duitstalige studieboeken – en is gefascineerd door de roep die uitgaat van een sterke man als Adolf Hitler. Zijn beroepsopvattingen blijken volledig ondergeschikt te zijn aan die fascinatie.
De nieuwe geneesheer-directeur versterkt de gezagsstructuur, stelt een zware terreinwacht aan, neemt voortaan uitsluitend NSB-aanhangers aan en geeft de artsen opdracht om inlichtingen over de patiënten te verstrekken als dat verlangd wordt. Het belang van de patiënten laat Keulemans onverschillig, laat staan het belang van joodse patiënten en ‘echte’ joodse onderduikers.
Dat blijkt wel als er op 31 juli 1943 een telefonisch verzoek komt van het gemeentehuis in Zeist, om een opgave van joodse patiënten in de WA Hoeve. Eerste klerk Wilhelmina Slaakweg heeft daar overwegende principiële bezwaren tegen. Die legt ze voor aan de administrateur van de WA Stichting, en die protesteert bij de geneesheer-directeur. De kennelijke bedoelingen achter zo’n lijst verdragen zich niet met het streven om patiënten een goede verpleging te geven. Keulemans honoreert het bezwaar van de administrateur en wil het verzoek voorleggen aan de eerste klerk. De administrateur vindt dat als hij het niet hoeft te doen, dan anderen ook niet. Kees Keulemans belooft uiteindelijk om de administratie erbuiten te houden. Hij belt met het gemeentehuis, waarbij hem door een hem onbekende ambtenaar wordt meegedeeld dat het gaat om een verzoek van het provinciebestuur in Utrecht. Keulemans maakt een lijst die hij doorstuurt naar de gemeente. Zijn motivatie, zoals hij die na de bevrijding zal verwoorden: ‘Ik heb toen zelf, als N.S. B.’er zijnde en dus ook vechtend voor het al of niet bestaan van Europa, deze lijst in opdracht van het gemeentehuis klaar gemaakt en daarheen doorgestuurd.’
In de dagen van 22 tot en met 26 november 1943 wordt Berlijn hevig gebombardeerd, maar de Duitsers zetten de oorlog nog steeds hevig voort.
Op donderdag 25 november 1943 belt Keulemans naar Wilhelmina Slaakweg. Ze moet hem de kopie van zijn opgave van joodse patiënten brengen. Op zijn kamer gekomen, ziet ze dat hij in overleg is met politiemannen. Onder meer met de later zeer berucht geworden Abraham Kaper (aan hem zal na de bevrijding de doodstraf worden voltrokken) van het Bureau voor Joodse Zaken van de Amsterdamse politie. Er zou opnieuw geklaagd zijn dat joden als ‘zogenaamde verpleegden’ zijn ondergedoken op de WA Hoeve.
Twee dagen later, op zaterdag 27 november 1943, ziet Wilhelmina Slaakweg de geneesheer-directeur omstreeks 10.00 uur het directiegebouw binnenkomen met beambten van de Sicherheitspolizei, terwijl er een overvalwagen voorrijdt. Het is duidelijk dat er patiënten opgehaald gaan worden. De artsen hebben haar in juli gevraagd om hen te waarschuwen, als er gevaar dreigt voor de patiënten. Ze belt nog snel met enkele afdelingen, maar wordt al gauw naar de kamer van de directeur gesommeerd, waar ze Kees Keulemans aantreft in het gezelschap van een Sipo-beambte. Keulemans legt haar de door hem opgestelde opgave voor met de namen van 16 mannen en 11 vrouwen. Ze moet opgeven op welke afdeling de joodse patiënten verpleegd worden, wie van hen met een Christen getrouwd is, hun nationaliteit en naam en adres van degene die het verpleeggeld betaalt. De betrokken patiënten kunnen beschouwd kunnen worden als ‘administratieve onderduikers’. Zonder medewerking van de administratie of de verpleging zijn ze niet te vinden.
Wilhelmina Slaakweg kan niet ontkennen dat ze de verblijfplaatsen van de joodse patiënten kent, maar is niet bereid om mee te werken. Ze vraagt waarom ze specifiek over joodse patiënten inlichtingen moet geven, waarop de Sipo-beambte zegt dat joden slechte mensen zijn, die verbannen moeten worden uit de samenleving. Zij reageert met de opmerking dat de joodse patiënten in de WA Hoeve al verbannen zijn uit de samenleving en dat ze daar bovendien wegens geestesziekte verpleegd worden. Ze vindt het niet in het belang van de patiënten om hen weg te laten voeren. Tenslotte is de WA Stichting een neutrale inrichting, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in ras of godsdienst. Kortom, wegens gewetensbezwaren weigert ze pertinent om de gevraagde inlichtingen te verschaffen.
Geneesheer-directeur Keulemans zet zijn medewerkster verder onder druk, met de opmerking dat ze zich schuldig maakt aan dienstweigering als ze de verblijfplaatsen niet opgeeft. Zijn belofte om de administratie erbuiten te houden, geldt kennelijk niet meer. Hij beveelt haar nogmaals de verblijfplaatsen te noemen, maar tevergeefs. Daarna wordt ze toegesproken door de Sipo-beambte die haar wegens ongehoorzaamheid arresteert.
Kees Keulemans en de Sipo-beambten moeten nu op andere wijze de joodse patiënten zien te vinden. Een portier weet enkele verblijfplaatsen, maar niet alle, omdat de lijsten met patiënten ruim een half jaar eerder weggehaald zijn. De Sipo-beambten worden vervolgens door de terreinwacht langs de paviljoens gevoerd, te beginnen met het paviljoen Van ’t Hoff. De daar verantwoordelijke verpleger weigert ook inlichtingen te geven, maar zwicht als de geneesheer-directeur ter plaatse komt en hem beveelt alle inlichtingen te geven.
Een uur later is de uit Duitsland afkomstige, 46-jarige hoofdverpleegster Ida Pröhl van het paviljoen Lorenz standvastiger. Ze wordt gearresteerd en moet aanzien hoe de Sipo-medewerkers ook twee patiënten meenemen, die ze met hulp van Kees Keulemans gevonden hebben. Een van de arrestanten verkeert in de terminale fase van tuberculose, en overlijdt die avond nog, terwijl de ander niet joods is en na aandringen van zuster Jantje Rozeboom teruggehaald wordt door de geneesheer-directeur.
Vervolgens wordt de 49-jarige arts Jan Boswijk bij Keulemans geroepen, die hem beveelt de joodse patiënten uit de vrouwenpaviljoens aan te wijzen. Keulemans heeft inmiddels de indruk gekregen dat alle verzet tegen zijn bewind aangestookt wordt door Boswijk. Hij heeft daarom besloten de arts – van wie hij wel af wil – in een fuik te lokken. Jan Boswijk moet nu ten overstaan van de Sipo kleur bekennen. Hoewel hij op 2 februari al gearresteerd is wegens gebrek aan medewerking aan de eerste razzia, en een maand vast heeft gezeten, weigert hij opnieuw zijn medewerking. Tevreden constateert Keulemans dat Jan Boswijk ‘met volle zeilen’ in zijn fuik is gevaren, zoals hij later aan de regenten zal rapporteren.
Na de weigering van de standvastige Boswijk wijst Keulemans hem op zijn instructie die hem verplicht om alle gevraagde inlichtingen te geven aan de geneesheer-directeur. Waarop Jan Boswijk antwoordt dat hij ook nog een geweten heeft en dat hij geen inlichtingen geeft. De dreiging met ontslag brengt hem niet van zijn standpunt en ook de Sipo-beambten krijgen nul op het rekest. De pertinente weigering van de arts komt hem opnieuw te staan op arrestatie. Om 16.00 uur die middag rijdt de overvalwagen terug naar Amsterdam, met 16 joodse patiënten, eerste klerk Wilhelmina Slaakweg, hoofdverpleegster Ida Pröhl, en dokter Boswijk.
Wilhelmina Slaakweg wordt via de Sicherheitspolizei in de Amsterdamse Euterpestraat overgebracht naar de strafgevangenis aan de Amstelveenseweg. Daar ontvangt ze al snel een brief van Keulemans, waarmee ze op staande voet ontslagen wordt. Op 28 januari 1944 wordt ze overgeplaatst naar Kamp Vught en op 28 juli 1944 vrijgelaten. Het was de bedoeling dat ze tot het einde van de oorlog gevangen zou blijven, maar door druk van buitenaf blijft dat ‘beperkt’ tot 8 maanden.
Evenzo vergaat het Ida Pröhl. Het college van regenten van de WA Hoeve besluit het advies van Kees Keulemans op te volgen om haar te ontslaan. Dat doet het NSB-driemanschap met een zwakke argumentatie. Ze schrijven aan de gevangen hoofdzuster dat ze niet kunnen beoordelen of ze dienst geweigerd heeft aan dokter Keulemans of dat ze een verkeerde houding tegenover de Sipo-medewerkers heeft aangenomen. Maar krapte op de personeelsmarkt maakt het noodzakelijk om een vervangster aan te stellen. Na de bevrijding zal Ida Pröhl terugkeren naar de WA Hoeve.
Jan Boswijk is met Wilhelmina Slaakweg en Ida Pröhl via Amsterdam naar Kamp Vught gebracht. Zijn echtgenote en een dochter zoeken Keulemans thuis op en roepen hem volgens zijn rapport aan de regenten in een ‘kort, zeer onaangenaam onderhoud’ ‘op zeer onhebbelijke wijze te verantwoording’.
De arrestatie van de drie medewerkers laat de rest van het personeel niet onberoerd. Maar liefst 160 collega’s ondertekenen een brief aan geneesheer-directeur Keulemans, waarin zij de gang van zaken volkomen afkeuren. Keulemans dient ze in nationaalsocialistisch jargon van repliek, in een brief die hij in alle paviljoens laat ophangen. Waar waren ze toen hij en anderen op 10 mei 1940 vastgezet werden?
Het grote gezin van dokter Jan Boswijk wordt uit de grote villa op het WA Hoeve-terrein gezet. In haar boek ‘Het Boschhuis: kroniek van een familie’ beschrijft Pauline Broekema het gezin als gastvrij en gezellig, met aan het hoofd een ideale moeder, altijd vrolijk. Maar daar komt nu een einde aan. Na zijn tweede arrestatie zal de principiële Jan Boswijk voorlopig niet terugkeren uit gevangenschap.
Van de 14 joodse arrestanten zal er niet één terugkomen. Tien arrestanten waren al langere tijd patiënt in de WA Hoeve en stonden op een lijst die de burgemeester van Zeist op 19 september 1942 had doorgegeven aan de Commissaris van de provincie Utrecht. Van hen overleden drie mannen al in Kamp Westerbork. De arrestanten komen op 30 november 1943 in kamp Westerbork terecht – in barak 83 – en worden op 25 januari 1944, doorgestuurd naar Auschwitz, behalve de drie mannen die dan al in Kamp Westerbork zijn overleden. Het lijkt erop dat het allemaal patiënten zijn geweest en dat er geen onderduikers tussen zaten.
Toch was één van hen met zekerheid een onderduikster. Selma Maass-Strauss was als gezelschapsdame in dienst van een gezin in Hamburg. Op 4 april 1937 is zij met dit gezin meeverhuisd naar Rotterdam. Toen het gezin eind december 1939 naar Buenos Aires emigreerde, kon Selma Maass-Strauss een kamer huren bij een zakenrelatie van haar voormalige werkgevers. Na onderduik in Gouda heeft ze een plek gezocht in de WA Hoeve. Ze werd, net als de meeste andere arrestanten, in januari 1944 vermoord in Auschwitz.
In tegenstelling tot administratrice Slaakweg en hoofdverpleegster Pröhl komt Jan Boswijk niet meer vrij tijdens de bezetting. Gevangene 8811 wordt vanuit Kamp Vught eerst tewerkgesteld bij Philips, en – na een ziekte – al op 28 januari 1944 verder gedeporteerd naar het concentratiekamp Dachau. Daar fungeert Jan Boswijk als arts-gevangene in het gevangenisziekenhuis. Medio juli vraagt hij daarvoor zijn zakhorloge en vulpen terug, welk verzoek wordt gehonoreerd. Terwijl hij zelf al verzwakt is, geeft Jan Boswijk zijn bloed aan een, waarschijnlijk bevriende tyfuspatiënt. Na de oorlog zal hij als een gebroken man uit Dachau terugkeren naar Den Dolder. Hij is dan zelf een patiënt en overlijdt op 26 juli 1947 aan de gevolgen van zijn gevangenschap. Ruim vier jaar later overlijdt ook zijn echtgenote al. Het ooit zo bruisende gezin gezin Boswijk-Schurer valt uit elkaar en betaalt een hoge prijs voor de moed en principiële standvastigheid van echtgenoot en vader Jan Boswijk.
In Den Dolder zal jaren later een J.C. Boswijklaan komen.
De derde razzia op maandag 13 december 1943
Behalve de gedeporteerde joodse patiënten zijn er in 1943 twaalf joodse mensen overleden op het terrein van de Stichting en er zijn joodse mensen vertrokken naar andere plaatsen.
Op 13 december 1943 vindt de derde en laatste razzia in de WA Hoeve plaats. Veel bescherming is er niet meer voor joodse patiënten, nu de fanatieke NSB’er Kees Keulemans de scepter zwaait als geneesheer-directeur. Maar toch is er weer iemand die voor haar patiënten gaat staan. Het is de 52-jarige verpleegster Jantje Rozeboom, die weigert informatie te verschaffen. Ze wordt gearresteerd, en als ze na een paar weken vrij wordt gelaten, is ze haar baan kwijt.
Geneesheer-directeur Kees Keulemans geeft de hoofdverpleegster, zuster Smits, opdracht om de joodse patiënten bij hem boven te brengen. De zuster brengt vier patiënten bij Keulemans.
De 41-jarige Roosje Konijn is eerder op 3 mei 1938 geregistreerd als patiënt in de WA Hoeve. Vanaf 14 januari 1941 is ze opnieuw patiënt in de inrichting.
Bernard van Lier (61), is een ongehuwde, voormalige student medicijnen, die al vanaf 1919 als patiënt in de WA Hoeve verblijft. Hij is een oom van Truus van Lier, een bekend illegaal werkster, die in september 1943 politiehoofdcommissaris Gerard Kerlen heeft doodgeschoten. Zij zal om haar verzet gefusilleerd worden. De familie heeft de WA Hoeve stevig betaald om Bernard van Lier een goede plaats te geven, maar hij blijkt nu niet meer veilig.
De eveneens ongehuwde Izak Dawid Vogel (29) staat ook geregistreerd in het bevolkingsregister van Zeist.
Rafael Wilk (57), een koopman wiens echtgenote al vermoord is, staat niet geregistreerd in het bevolkingsregister van Zeist.
Deze vier mensen worden drie dagen later, op 16 december, overgebracht naar Kamp Westerbork.
Vast staat wel dat de langdurig in de WA verpleegde Bernard van Lier een patiënt was. Hij wordt op 25 januari 1944 doorgestuurd naar Auschwitz en daar op de dag van aankomst vermoord.
De niet in Zeist geregistreerde Rafael Wilk ondergaat hetzelfde tragische lot als Bernard van Lier, maar is daarentegen wel ingesloten in de strafbarak 67, en dus waarschijnlijk een onderduiker. Hij wordt op 25 januari 1943 doorgestuurd naar Auschwitz.
In welke barak Izak Vogel terechtkomt, is niet bekend. Hij wordt op 8 februari 1944 doorgestuurd. Zijn overlijdensdatum zal bepaald worden op 30 juni 1944. Patiënt of onderduiker?
Net als Rafael Wilk wordt Roosje Konijn ingesloten in de strafbarak 67, wat er op wijst dat ook zij beschouwd werd als onderduikster en niet als patiënt. Om een onbekende reden slaagt ze erin om uit die strafbarak te komen. Ze zal op 4 september 1944 doorgestuurd worden naar Theresienstadt.
Ze zal overleven, maar is dan ernstig getraumatiseerd.
Op het monument in het Zeister Walkartpark staan ook de namen van de vermoorde joodse patiënten van de WA Hoeve.
Bronnen:
- Marco Gietema en Cecile aan de Stegge, ‘Vergeten slachtoffers, Psychiatrische inrichting De Willem Arntsz Hoeve in de Tweede Wereldoorlog’, Boom, Amsterdam, 2017, 114-125 (1e razzia), 248-251 (2e en 3e razzia)
- Sander van Walsum, in De Volkskrant van 3 februari 2017, ‘Onder een zeil lagen de lijken, in kartonnen dozen’
- www.joodsmonument.nl, zelfdoding Siena van Gelder-Polak
- Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie, ‘Jodenjacht’ (over Dusschoten en Spaans)
- Mededelingen van Corrie Huiding over Roosje Querido
- Bevrijdingsportretten.nl, Abraham Querido
- Gemeentearchief Zeist, bewoners van de WA Hoeve, Dolderscheweg 164 (I-103b); archief van de gemeentepolitie, toegang 3500: in de rapportenboeken van de gemeentepolitie Zeist is geen informatie gevonden over de razzia’s en arrestaties op de WA Hoeve
- Kamp Westerbork (Collectie – Een Naam en een Gezicht)
- Jessica van Geel, ‘Truus van Lier’, leven van een verzetsvrouw, Thomas Rap, Amsterdam, 2022, blz. 87
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (en CABR), toegang 2.09.09, inventarisnummer 102525-dossier 536/IX/’45 en 62361, C.G.J. Keulemans.
- www.joodsmonument.nl, Selma Maass-Strauss was ondergedoken in de WA Hoeve
- ITS Arolsen, digitale collecties, Selma Maass-Strauss had als voorlaatste adres Rosariumlaan 42 in Driebergen, registraties van Jan Boswijk
- Pauline Broekema, ‘Het Boschhuis: kroniek van een familie’, De Arbeiderspers, 2015 (gezin Boswijk-Schurer)
- Mededelingen Daco Enthoven over Jan Boswijk en gezin
1. Het hoofdgebouw van de WA hoeve
2. Het station van Den Dolder
3. Salomon Simons werd samen met zijn zoon gearresteerd
4. De overlijdensadvertentie voor Siena van Gelder-Polak in Het Joodsche Weekblad van 29 februari 1943
5. De terugkeer van de vier gearresteerde artsen
6. De nieuwe geneesheer- directeur Kees Keulemans
7. Dokter Boswijk en zijn gezin
8. Dokter Jan Boswijk
9. Arrestatierapport van de Amsterdamse politie op 27 november 1943
10. Jan Boswijk ging in Dachau later als gevangenarts werken
11. Monument vergeten slachtoffers WA Hoeve










