Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 315-317, aanvulling/correcties in het Supplement, pagina’s 45-46; nu gecombineerd)
In memoriam:
- Ernst Moritz Raphaelson, jurist, huisknecht, staatloos (Mönchengladbach, 2 mei 1904 – Zeist, 20 maart 1945), bereikte de leeftijd van 40 jaar
Onderduikgeefster:
- Echtgenote Jannetje Raphaelson-de Oude, eigenaresse bejaardenhuis/noodhospitaal (Rotterdam, 21 april 1905 – Woudenberg, 26 april 1993)
Een kind tijdens de bezetting (1942)
In 1928 komt de joodse Duitser Ernst Raphaelson naar Nederland, het geboorteland van zijn moeder. Zijn familie, ooit mede-eigenaar van een textielfabriek in Mönchengladbach, is getroffen door de ingrijpende geldontwaarding in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog. Voor joodse Duitsers wordt het leven ook moeilijker en de jurist Raphaelson – die de Nederlandse taal uitstekend beheerst – hoopt een baan in Nederland te vinden. Dat blijkt niet eenvoudig en hij moet genoegen nemen met werk beneden zijn niveau.
Ernst Raphaelson heeft zo’n grote afkeer van het snelgroeiende nazisme in Duitsland, dat hij in 1937 afstand doet van het Duitse staatsburgerschap en meteen de Nederlandse nationaliteit aanvraagt. Dat wordt hem echter medio september 1937 geweigerd. Hij is dan na enige omzwervingen in Zeist terechtgekomen en doet administratief werk op een advocatenkantoor in Utrecht.
In Utrecht leert Ernst Raphaelson de Rotterdamse Janna de Oude kennen, die het particuliere verzorginghuis annex noodhospitaal ‘Erica’ runt, op Dennenweg 5 in Huis ter Heide. De twee krijgen een relatie. Met een verblijfsvergunning is het voor een staatloze niet eenvoudig om passend werk te krijgen, al lopen de crisisjaren op hun einde. Daarom wordt hij huisknecht in het verzorgingshuis van zijn echtgenote.
Na de Duitse inval wordt het leven er niet eenvoudiger op. Op het persoonsbewijs dat Raphaelson eind augustus 1941 krijgt, staat ook een vette J, en hij valt dus onder alle anti-joodse maatregelen. In het najaar van 1941 trouwen hij en Janna de Oude, waarna zijn gemengde huwelijk hem bescherming biedt. Op 1 juni 1942 wordt dochter Erica geboren. Zal het allemaal meevallen?
Nee dus. Ook gemengd gehuwden krijgen steeds meer te maken met zware anti-joodse maatregelen. Ingrijpend is de keuze waarvoor op vrijdagavond 14 mei 1943 gemengd gehuwde joodse gevangenen in Kamp Westerbork worden gesteld. Binnen een half uur moeten ze van Hauptsturmführer Ferdinand Aus der Fünten kiezen tussen sterilisatie of deportatie. Een van de aanwezigen verklaart er later het volgende over:
‘Totale paniek brak uit. Enkelen zakten bewusteloos ineen. Anderen kregen een aanval van hysterie. Overleg met de echtgenote thuis werd niet toegestaan.’
Anders dan in Duitsland wil de fanatieke Rijkscommissaris Seyss-Inquart gemengd gehuwde joden geen privileges gunnen. Daarmee wordt Nederland het enige land waar de nazi’s officieel een sterilisatiebeleid voor gemengd gehuwden gaan voeren. Mensen die de vernederende operatie ondergaan, moeten zelf de kosten ad 112,50 gulden betalen. Waarschijnlijk leidt gebrek aan consensus er toe dat het beleid niet consequent wordt doorgevoerd, maar het is een teken aan de wand. Ook gemengd gehuwden komen nu aan de beurt.
Janna Raphaelson-de Oude ontvangt in juli 1943 een schrijven van de Wirtschatfsprüfstelle in Arnhem (met het draconische kenmerk FW/W/Wp/8389/43 VK 70/71/Ar./Dr.L.=Bo). Ze moet binnen 10 dagen verklaren dat er in haar onderneming op personeel en financieel gebied geen sprake is van joodse aard. Dat moet uiteindelijk ook notarieel vastgelegd worden wat betreft de financiële inbreng in het huwelijk dat buiten gemeenschap van goederen is gesloten.
Bij onderzoek naar de omstandigheden van haar vader en circa 500 andere gemengd gehuwde joodse mannen in een werkkamp bij Havelte krijgt Erna Raphaelson bij een bezoek aan die plaats interessante informatie. Haveltenaar Wim van der Wijk heeft grondig onderzoek gedaan naar het ‘jodenkamp’ in 1944 in zijn woonplaats. Hij heeft zijn bevindingen gepubliceerd in ‘De gemengd gehuwde Joden in Havelte in oorlogstijd’. Daaruit wordt duidelijk dat omstandigheden in het kamp anders waren dan beschreven staat in bepaalde literatuur.
Het idee van een Duits vliegveld bij Havelte is in 1942 opgekomen bij de Duitse legerleiding. De werkzaamheden zijn in november 1942 gestart, zijn in 1943 goed op gang gekomen en hebben in 1944 een hoogtepunt bereikt. Werken aan het vliegveld was voor veel niet-joodse arbeiders een alternatieve Arbeitseinsatz. Ze werden onder meer opgepakt bij razzia’s en dan gedwongen tewerkgesteld.
In 1943 worden ook gevangenen ingezet en vanaf maart 1944 joodse mannen die getrouwd zijn met niet-joodse vrouwen. De joodse arbeiders worden gekeurd in Meppel, iedereen wordt goedgekeurd (het alternatief is een gang naar Kamp Westerbork).
De gevangenen en de joodse mannen worden gescheiden geïnterneerd in een kamp met houten barakken. Het is omgeven met prikkeldraad, maar de joodse kampleiding krijgt gedaan dat het prikkeldraad om de houten barakken voor de joodse mannen weggehaald wordt, zodat ze zich bij luchtaanvallen snel in veiligheid kunnen brengen.
De werkdagen zijn lang, van 7 uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds, met schafttijden van een half uur en twee keer een kwartier. Maar het werktempo ligt uitermate laag en lijntrekken is een geperfectioneerde bezigheid, zowel voor de werkbazen als de dwangarbeiders. In het weekend hoeven ook de joodse dwangarbeiders niet te werken, de betaling is redelijk en het eten is voldoende en goed. Alleen op de dag van keuring wordt slechte, warme soep verstrekt.
Met Pinksteren 1944 verbetert de huisvesting omdat de Duitse toezichthouders van de Reichsarbeitsdienst terug naar hun vaderland moeten. Inmiddels is het aantal joodse mannen dan opgelopen tot 500, waardoor besloten wordt om ze te verhuizen naar de stenen barakken die leeg zijn gekomen door het vertrek van de Duitsers. Dat is een belangrijke vooruitgang, ook omdat die barakken extra beveiligd zijn met zogenaamde splitterwanden voor het geval van beschietingen.
Het is dus geen concentratiekamp, of doorgangskamp als Kamp Westerbork, maar het blijft dwangarbeid, sommige werkzaamheden zijn zwaar of uitgesproken smerig, het kamp wordt gebombardeerd en onduidelijk is hoe het verder zal gaan. Bovendien hangt de mannen permanent een gang naar Kamp Westerbork boven het hoofd. Dat is namelijk de straf voor arbeidsongeschiktheid of voor overtredingen. Niet dat de mannen precies weten wat dat inhoudt, maar het wordt wel ervaren als een zware dreiging.
Verder genieten de mannen buiten werktijd relatief veel vrijheid, zolang ze maar in Havelte blijven. Verlichte gevangenschap. Ze kunnen boodschappen doen in het dorp en daar op bezoek gaan bij burgers. Dat laatste doet Ernst Raphaelson. Hij moet onder meer cement lossen, wat zwaar werk is.
Na Dolle Dinsdag 5 september raken de Duitsers en hun Nederlandse sympathisanten in grote paniek. De aanleg van vliegveld Havelte verliest elk belang en de dwangarbeiders krijgen twee dagen later een formele ontslagbrief, met de opdracht om huiswaarts te keren. In de nacht van 16 op 17 september wordt vliegveld Havelte kapot gebombardeerd. Als de bezetters besluiten om over te gaan tot herstelwerkzaamheden, en daarvoor op slavenjacht gaan (verordeningen, razzia’s), keren ongeveer 200 joodse dwangarbeiders terug naar het kamp dat blijkbaar nog overeind staat. De anderen zijn ondergedoken.
Waarom Ernst Raphaelson niet meteen terugkeert naar Bosch en Duin is niet duidelijk. Vervoersproblemen, voorzichtigheid of een andere reden? Makkelijk is de reis naar huis in elk geval niet. Na zijn thuiskomst duikt hij dus meteen onder in huize ‘Erica’ van zijn echtgenote, in een kamer met een bordje ‘TBC op de deur. Het gaat lang goed. Maar dan achterhaalt de oorlog Ernst Raphaelson alsnog. Een geallieerde bom slaat in bij het huis op 20 maart 1945. De 40-jarige onderduiker Ernst Raphaelson, die een bedlegerige bejaarde wel wil helpen uit het huis, wordt getroffen en krijgt een bedspijl in zijn buik. Hij overlijdt dezelfde dag nog en wordt begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats in Zeist.
Zijn echtgenote Janna Raphaelson-de Oude die als weduwe achterblijft is net zwanger van van haar tweede kind.
Zijn moeder, de weduwe Elisabeth Raphaelson-Salomons, zuster Sara Frieda Raphaelson en broer Karl Heinrich Raphaelson zijn slachtoffer van de Holocaust geworden.
Bronnen:
- Mededelingen en gedocumenteerd onderzoek van Erna Raphaelson (relevante kopieën in het bezit van de auteur)
- Hans van Dijk en Mirjam Bertelsman, ‘Deportatie of sterilisatie’, in De Volkskrant van 24 januari 1998
- www.dbnl.org, J. Presser, ‘De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940 – 1945’, 1965, deel I, 236, over het werkkamp Havelte
- Wim van der Wijk, ‘De gemengd gehuwde Joden in Havelte in oorlogstijd’, drukkerij J en J, Havelte, oktober 2020
- www.rhoen.nl/oorlogsslachtoffers, Omgekomen Zeistenaren: Ernst Moritz Raphaelson: graf vak E, nummer 1220b (maar dat huurgraf is inmiddels geruimd)
- geni, Ernst Moritz Raphaelson
1. Dennenweg 5
2. Elisabeth Raphaelson-Salomons (1878-1942), moeder van Ernst Raphaelson
3. Louis Raphaelson (1867-1914), vader van Ernst Raphaelson
4. Rusthuis Erica in Bosch en Duin
5. Janna de Oude
6. Het echtpaar Raphaelson met hun dochtertje
7. Een aantal joodse dwangarbeiders in Kamp Havelte
8. Het persoonsbewijs van Ernst Raphaelson
9. Luchtfoto van het kamp aan de Hunebeddenweg in Havelte, waarin de gemengd gehuwde joodse dwangarbeiders werden ondergebracht
10. Luchtfoto arbeiderskamp gemengd gehuwde Joden aan de Hunebeddenweg









