Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 475-476, en het Supplement, pagina’s 129-132)

Onderduikers:

  • Beppie (achternaam en verdere gegevens niet bekend)
  • Jacob Hes (Zaltbommel, 16 februari 1932 – Toledo, Lucas County, Ohio-VS, 12 december 2008)

Onderduikgevers:

  • Gerrit Oudhof, magazijnchef (Amsterdam, 19 mei 1898 – Zeist, 23 januari 1969), en
  • echtgenote Margaretha Clasina Oudhof-Dijk (Amsterdam, 2 september 1896 – Zeist, 7 augustus 1983)
  • dochter Aaltje (Bunnik, 28 oktober 1922 – Zeist, 21 oktober 2024)

Vijf dochters (1923, 1924, 1925, 1928 en 1930)

Ten tijde van de samenstelling van het Onderduikboek waren de voorbereidingen voor een aanvraag van een Yad Vashem-onderscheiding in volle gang voor de onderduikgevers op dit adres. Eind 2020 werd bekend dat de onderscheiding zal worden toegekend. Voor deze aanvulling mocht geput worden uit de zeer uitgebreide verklaring van een dochter van het voormalige onderduikertje Jack (Jacob) Hes.

Jack (Jacob) Hes werd geboren op 16 februari 1932 in Zaltbommel. Hij had een fijne jeugd gehad in zijn geboorteplaats Zaltbommel. Zijn ouderlijke gezin Hes-Kahn woonde boven hun kledingzaak en er woonde de nodige familie in de nabije omgeving, zowel van moeders- als van vaderskant. Zoals in die tijd gebruikelijk bewoog het privéleven zich binnen de eigen, joodse zuil.

Al voor de oorlog wilde vader Hes tickets voor Amerika kopen, maar zijn familie praatte hem dat uit zijn hoofd. Op enig moment moest hij zijn winkel sluiten op last van de bezetter. Daarbij wilde men ook zijn sigaren meenemen. Maar dat was Arnold Hes te ver gegaan: ‘Wat bij de winkel hoort, nemen jullie nu mee, maar de sigaren zijn mijn eigendom. Geef hier.’ Daarna werd de winkel als woonruimte gebruikt. Rosa Hes-Kahn en dochter Edith gingen wassen en naaien voor anderen, om zo te voorzien in hun levensonderhoud. Op een zekere dag leverde Jacks zuster Edith was- of naaigoed af op een adres. Een verpleegster die opendeed, zag de jodenster op Ediths jas. Kort daarna klopte deze vrouw aan bij het gezin Hes-Kahn. Ze stond in contact met illegaal werkers die zouden zorgen voor onderduikplaatsen voor de twee jongsten, Jack en zijn zusje Edith.

Dat was in oktober 1942. Het echtpaar Alfred en Rosa Hes-Kahn besluit dan om alle gezinsleden onder te laten duiken, dus ook oudste zoon Alexander. Ze overleggen met de vriend van hun medewerkster. Die bedenkt een actieplan. Hij weet het echtpaar en Alexander onder te brengen in Zaltbommel, waar ze tot 1944 kunnen blijven. Daarna vluchten ze naar Almkerk. Dochter Edith Hes wordt in met een roeiboot over de Waal gebracht, waar ze door een andere illegaal werker naar zijn ouders wordt gebracht. Daar blijft ze twee jaar en zeven maanden.

Jack Hes volgde een andere route. Jack werd door zijn ouders voorbereid op wat komen ging, en op 23 oktober 1942 was het zover. Zijn moeder maakte zijn jodenster zodanig los, dat die eenvoudig verwijderd kon worden. Een vriend van de familie bracht hem naar het station in Zaltbommel. Vandaar werd hij naar station Utrecht gebracht, waar Margaretha Oudhof-Dijk en oudste dochter Aaltje hem ophaalden en meenamen naar De la Reylaan 31.

Gerrit Oudhof werkte gedurende de bezettingsjaren als kwaliteitsinspecteur bij de zilverfabriek Gero. Dat was geen vetpot voor hem, zijn echtgenote Margaretha Clasina Oudhof-Dijk en hun vijf dochters, terwijl ze ook niet royaal behuisd waren. Desondanks had het echtpaar Oudhof-Dijk besloten om Jack Hes op te nemen. Het echtpaar was gereformeerd en hun besluit was ingegeven door christelijke motieven.

Er werden veiligheidsmaatregelen getroffen op De la Reylaan 31. Zo werd voor Jack Hes een vals persoonsbewijs geregeld, op naam van Kees ’t Hart, al werd hij in Zeist Sjaak genoemd. Op zijn beurt noemde Jack zijn onderduikgevers oom en tante en hij was eerder aan derden gepresenteerd als het logerend neefje. Aanvankelijk kwam hij nog wel eens buiten, maar dat was al gauw te gevaarlijk. Daarna speelde zijn leven zich binnenshuis af. Toen hij niet meer buiten kwam, werd er gezegd dat hij terug naar huis was.

Binnen liep hij op zijn sokken, zodat hij zich geluidloos uit de voeten kon maken. De veer in het tuinhekje was zo strak afgesteld, dat het hekje hard terugsloeg bij wijze van waarschuwingssignaal. En er was een schuilplaats, onder het orgel onder een kleed in de huiskamer, niet meer dan een donker gat met een matras. Oudste dochter des huizes, Aaltje Oudhof, ging in voorkomende gevallen met het kind mee in die nauwe ruimte en voorkwam daarbij ook dat hij geluid maakte.

Kleding vormde een praktisch probleem. Daarbij hielp een buurvrouw die op de hoogte was van de situatie op De la Reylaan 31. Zij had zelf een zoontje en hing de was van Jack bij haar in de tuin op. Jongenskleren aan de lijn bij het gezin Oudhof-Dijk zouden anders opgevallen zijn. Het onderduikgezin had immers alleen vijf dochters. Ook kreeg Jack kleren waaruit de buurjongen was gegroeid.

Het leven van een kind in onderduik kan niet beter geïllustreerd worden dan door een wrange anekdote. Op een bepaald moment waren Jacks schoenen te nauw geworden, maar hij wilde geen problemen veroorzaken en zweeg erover. Het leverde hem voor de rest van zijn leven misvormde teennagels op.

Het gemis van zijn ouders, broertje en zusje moet Jack Hes zwaar gevallen zijn. De Oudhofs probeerden hem met de meeste warmte te verzorgen. Als hij zich alleen en bang voelde, werd hij geknuffeld door Margaretha Oudhof-Dijk.

Hij was overigens niet de enige onderduiker op De la Reylaan 31. Een meisje van 5 jaar, Beppie, werd daar ook ondergebracht. Toen haar ouders gedeporteerd werden, haalden ze het meisje toch weer op. Liever als gezin bij elkaar, niet wetend dat de deportatie hen naar de dood zou voeren.

En later waren er soms mannen op doortocht, die de Arbeitseinsatz ontdoken en de nacht kwamen doorbrengen op het adres.

Terwijl Jack Hes in betrekkelijke rust in Zeist verbleef, beleefden zijn ouders en broer Alex een drama. Op 8 juli 1944 overvielen de Duitsers hun onderduikadres, het gerenommeerde hotel Gottschalk in de Waterstraat in Zaltbommel. De onderduikgever en een joodse onderduikster werden daarbij meteen doodgeschoten. Drie andere joodse onderduikers werden opgepakt en zouden in Auschwitz worden vergast. Zeven onderduikers hadden nog tijdig de schuilplaats boven bereikt, tussen de vloer en plafond van een bovenverdieping. Ze werden niet ontdekt, konden als door een wonder wegkomen en zochten elders een onderduikplaats. Onder hen Jacks ouders, zijn broer en een tante die naar Zeist reisde.

Na de bevrijding keerde het gezin Hes-Kahn terug naar Zaltbommel, maar de meeste andere joodse inwoners was een terugkeer niet gegeven. Of ze nog welkom waren in Zaltbommel? Daags na de bevrijding kwamen de hervormde gemeente en de gereformeerde kerk bij elkaar voor een herdenkingsdienst. De hervormde en gereformeerde dominee benoemden het grote leed dat de joodse inwoners had getroffen. De dominees refereerden elk bij die gelegenheid helaas aan de woorden die joden ooit geroepen zouden hebben toen Jezus veroordeeld werd tot de kruisdood: ‘En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ (Mattheüs 27 vers 25). Die theologische verwijzing naar de schuldvraag was pijnlijk, maar het kon erger. In de eerste openbare vergadering van de gemeenteraad van Zaltbommel memoreerde de burgemeester op 14 december 1945 de bittere oorlogstijd. De vermoorde joodse inwoners vergat hij totaal, net zoals burgemeester Visser van Zeist een paar weken later zou doen. Hetzelfde deed de lokale winkeliersvereniging in haar eerste vergadering na de bevrijding. Auteur Aart Vos schreef er een bitter relaas over.

Van joodse overlevenden werd verwacht dat ze zich stilzwijgend weer zouden voegen in de samenleving. De moeder, drie zusters en broer van vader Arnold Hes waren vermoord, en moeder Rosa Kahn had ook geen directe familie meer. Het moet haast onmogelijk zijn geweest om in die voor Nederland diep-beschamende tijd weer een bestaan op te bouwen.

Dat gold in elk geval voor Jack Hes. Toen hij gescheiden werd van zijn ouders, broertje en zusje, en het vertrouwde Zaltbommel moest verlaten, was hij 10 jaar en acht maanden oud. Hij bleef tot de bevrijding bij het gezin Oudhof-Dijk, en toen hij in mei 1945 terug mocht, was hij 13 jaar en tweeëneenhalve maand oud. Zijn joodse geloof bracht met zich mee dat hij alsnog bar mitswa (‘zoon van het gebod’) moest worden, wat normaliter zou zijn gebeurd op de sjabbat na zijn dertiende verjaardag. Voor de voorbereiding op die inhaalslag moest hij naar Den Bosch – in Zaltbommel had de Holocaust de joodse gemeenschap gedecimeerd. Daarnaast was er nog een andere inhaalslag nodig. Er was tijdens de onderduikperiode wel huiswerk voor hem geregeld – Margaretha Oudhof-Dijk en dochter Aaltje hadden hem geholpen met lezen en rekenen, maar hij had cruciale schooljaren gemist en een traumatische onderduiktijd achter de rug. Hij miste de concentratie en de motivatie om die tijd tussen veel jongere kinderen in te halen. Zo zou de impact van de bezettingsjaren van invloed blijven op zijn loopbaan en leven.

In 1957 vertrok Jack Hes teleurgesteld naar de Verenigde Staten. Vader Arnold Hes was toen al in 1954 overleden, 59 jaar oud. Jack trouwde daar in een orthodoxe synagoge en zijn nageslacht hangt nog steeds het joodse geloof aan. Zijn gezin wist dat hij ondergedoken had gezeten tijdens de bezetting, en hij vertelde hen daar ook wel eens over, maar niet veel. In de echtelijke slaapkamer hing een foto van het 50-jarig huwelijksfeest van zijn grootouders. Jack stond er op als baby, op schoot bij zijn grootmoeder. Van de 21 familieleden die daar op stonden, waren er 12 slachtoffer van de Holocaust geworden (een aantal anderen waren eerder een natuurlijke dood gestorven).

De gemiste dankbaarheid jegens onderduikgevers is soms een teer punt. Maar het moet voor voormalige onderduikers haast onverdraaglijk zijn geweest om expliciet herinnerd te worden aan de massamoord onder hun familieleden en de traumatische onderduiktijd. Ook Jack Hes hield na de bevrijding geen intensief contact met zijn voormalige onderduikgevers. Maar vergeten was hij ze zeker niet. Toen zijn familie in 1992 in Nederland bijeenkwam om zijn 60e verjaardag te vieren, ging hij er even tussen uit ‘om vrienden te bezoeken’. Na zijn dood en de ontmoeting met Aaltje Tjallingii-Oudhof zag dochter Rosalie Hes Dior op foto’s dat hij bij die gelegenheid Aaltje en haar jongste zuster had opgezocht. Ook bleek hij zijn hele leven een foto van het gezin Oudhof-Dijk te hebben bewaard, maar die had hij nooit laten zien.

Zoals het in veel gevallen is gegaan, waren nazaten beter in staat om de onderduikgevers te bedanken. Namens hem was in Israël al een boom geplant voor het gezin Oudhof-Dijk, maar daar zou het niet bij blijven. In 1989 hoorde de dochter van Jack Hes, dochter Rosalie Hes Dior, tijdens een vergadering bij het Jewish Community Center (JCC) een boekbespreking over kinderen van joodse overlevenden. Ze realiseerde zich opeens dat het ook over haar ging en huilde gedurende drie dagen. Meer dan 20 jaar later, in 2008, overleed haar vader op 76-jarige leeftijd. In datzelfde jaar woonde Rosalie tijdens een JCC-vergadering opnieuw een boekbespreking bij, over het Holocaust Survivors Cookbook. Dat stimuleerde haar onder meer om op zoek te gaan naar de onderduikfamilie in Zeist. Ze bestudeerde een opname van haar vader, waarin hij sprak over zijn oorlogservaringen. Uiteindelijk vormde het gereformeerde geloof van het gezin Oudhof-Dijk een aangrijpingspunt. Via Yad Vashem en het gemeentearchief en een dominee in Zeist kwam ze namelijk uit bij Aaltje Tjallingii-Oudhof. Dat leidde tot een ontmoeting tussen Rosalie Hes Dior, een nicht in Nederland, beider echtgenoten, de dominee, Aaltje Tjallingii-Oudhof, haar dochter Hinke en diens echtgenoot.

Sindsdien waren er vijf nieuwe ontmoetingen gevolgd, waarbij van beide kanten andere familieleden werden betrokken. Er was een goed contact ontstaan, en dat kreeg gestalte in de toekenning van de Yad Vashem-onderscheiding. Op 19 oktober 2021 was het zover. ‘De cirkel is rond, zei Rosalie Hes-Dior in het Nederlands tijdens de ceremonie in het Zeister gemeentehuis. Aaltje Tjallingii-Oudhof nam de Yad Vashem-eremedaille namens haar ouders in ontvangst.

In 2022 is een podcast gemaakt over kinderen die ondergedoken zaten in Zeist en kinderen van onderduikgevers. Aaltje Tjallingii-Oudhof is daarin ook te beluisteren. De podcast is te vinden op deze website. Helaas heeft ze het zelf niet meer kunnen beluisteren. Aaltje overleed op 21 oktober 2024, zeven dagen voor haar 102e verjaardag.

Bronnen:

  • Mededelingen van Aaltje Oudhof-Tjallingii, Hinke Tjallingii en Rosalie Hes Dior
  • Reddingsverhaal Yad Vashem voor Gerardus van Angelen
  • Geheugen van Zeist, www.geheugenvanzeist.nl, ‘Gesproken geschiedenis in 31 interviews, Zeistenaren vertellen over hun beroep’, interview met Aly Tjallingii-Oudhof, 46-47, over de onderduik van Jack Hes
  • Geheugen van Zeist, www.geheugenvanzeist.nl/articles, Tjallingii-Oudhof, beheerder rusthuis
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen: ‘Kees ’t Hart’; oud bevolkingsregister.
  • mikwe.nl, ‘Als je in Vught bent, probeer dan eens te schrijven’, onder meer over het gezin Hes in Zaltbommel)
  • Verklaring van Rosalie Hes Dior voor de aanvraag van een Yad Vashem-onderscheiding (2020)

1. De la Reylaan 31

2. De la Reylaan 29-35 (oude foto)

3. Gerrit Oudhof bij de verloving in 1920

4. Margarethe Clasina (Claesje) Dijk bij de verloving in 1920

5. Het gezin Oudhof-Dijk

6. Een jeugdige Jack Hes

7. De voormalige synagoge van Zaltbommel dat ooit een relatief omvangrijke joodse geloofsgemeende kende

8. Via een advertentie in het Israelitisch Weekblad van 8 februari 1957 neemt Jack Hes afscheid

9. Het echtpaar Oudhof-Dijk op latere leeftijd

10. In 2008 deed broer Alex van Jack Hes nog een keer verslag van de moorddadige inval in het hotel

11. Jack Hes en echtgenote

12. Overlijdenskaart van Aaltje Tjallingii-Oudhof