Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Supplement, pagina’s 40-44)
Onderduikers:
- Herman Bolle, boekhouder, ongehuwd (Amsterdam, 12 oktober 1914 – Emmen, 16 maart 1998)
- Student economie aan de Rotterdamse universiteit. Nadere gegevens onbekend
Onderduikgevers:
- Nicolaas de Gooijer, directeur NV Bouwstoffen v/h N. de Gooijer (Loosdrecht, 5 november 1884 – Zeist, 18 juni 1945), en
- echtgenote Machteltje de Gooijer-Karsemeijer (Loosdrecht 18 december 1888 – Zeist, 19 april 1949)
Tijdens de bezetting nog thuiswonende kinderen (1915, 1922, 1925, 1927 en 1929)
In het ‘Onderduikboek’ wordt op de pagina’s 535-539 de onderduiksituatie op Waterigeweg 70 beschreven, met als onderduikgevers Niesje en Maarten Sliedrecht-de Gooijer. Zij gaven onderduik aan twee jonge joodse vrouwen en een klein joods meisje. Zoon Peter Sliedrecht wist te vertellen dat Niesjes ouders op Dalweg 48 ook joodse onderduikers in huis hadden gehad. Dat betreft het echtpaar Nicolaas en Machteltje de Gooijer-Karsemeijer. Kleinzoon Herman Bolle junior van dit echtpaar, éen van zijn broers en éen van zijn zusters droegen vervolgens veel aanvullende informatie en foto’s aan.
Het zal in de zomer van 1942 zijn geweest dat Herman Karsemeijer, geboren op 12 oktober 1914 in Batavia (Nederlands-Indië), als boekhouder in dienst trad bij de onderneming in bouwmaterialen van Zeistenaar Nicolaas de Gooijer. Zijn ouders waren Hendrika Snel en Gerrit Karsemeijer. De nieuwe boekhouder was ongetwijfeld familie van Machteltje de Gooijer-Karsemeijer, de echtgenote van de directeur van de onderneming die gevestigd was op hun woonadres Dalweg 48.
Allemaal ‘nep’ wat betreft de persoonsgegevens van de nieuwe boekhouder. Dat wil zeggen, de voornaam Herman, zijn geboortedatum en zijn beroep klopten, maar verder waren de gegevens op zijn Zeister persoonskaart onjuist. ‘Herman Karsemeijer’ was de valse identiteit die door illegaal werkers op het Zeister gemeentehuis was verschaft aan de joodse Amsterdammer Herman Bolle.
Hij zou op 3 mei 1940 in Zeist zijn komen wonen, op Roemer Visscherlaan 27, maar dat klopte ook al niet. Op donderdag 23 juli 1942 had zijn verontruste moeder namelijk bij de hoofdstedelijke politie gemeld dat haar zoon Herman al twee dagen spoorloos was. Herman Bolle was dus ondergedoken zonder zijn moeder te informeren. De weduwe Elisabeth Bolle-Schrijver kon maar beter niet al te veel weten? Later zou ze zelf ook ergens onderduiken.
Herman Bolle had zijn toevlucht gezocht bij familie in Haarlem. Dat hij daarna al gauw in Zeist terecht zou komen leek voor de hand te liggen. Daar woonde immers zijn gemengd gehuwde oom Jo (Joseph) Schrijver met zijn echtgenote Elma (Elina Vivian) Schrijver-Lord. Op Willem de Zwijgerlaan 10 verschaften zij nota bene zelf onderduik aan anderen. Zijn vrijgezelle tante Lea Schrijver had op Van Renesselaan 24 een pension gehouden en zat met haar, eveneens ongehuwde zuster Estella Schrijver ondergedoken in Zeist. Ook zou de moeder van Herman Bolle, Betsy (Elisabeth) Bolle-Schrijver later ook ondergedoken hebben gezeten in Zeist, op een adres in de Eikenlaan, en haar zoon op diens nabijgelegen onderduikadres bezocht hebben. Nadere info hierover ontbreekt echter.
In Zeist dook Herman eerst onder in de Gerolaan en vervolgens kwam hij terecht bij het echtpaar De Gooijer-Karsemeijer. De uit Loosdrecht afkomstige metselaar, stucadoor en aannemer Nicolaas de Gooijer was in de loop der jaren met zijn bedrijf via de Van Doornweg en de Steijnlaan verhuisd naar Dalweg 48. Hij zou zijn hele werkzame leven blijven adverteren met kleine, sobere teksten, zoals ‘Alle voorkomende metsel- en stucadoorwerken worden soliede en billijk uitgevoerd’, maar hij kreeg flinke opdrachten. In 1914 bijvoorbeeld de verbouwing van het Jagershuis en in 1915 de bouw van een fabriek in Jutfaas (bijna 25.000 gulden). In de loop van de jaren twintig was De Gooijer overgestapt op de verkoop aan aannemers van bouwmaterialen die hij eveneens weer met ultrakorte advertentieteksten had aangeprezen. Dat ook die handel goed was gaan lopen, blijkt uit het feit dat hij eind jaren twintig twee losplaatsen aan de Waterigeweg verwierf en van de gemeente Zeist ook toestemming kreeg om op zijn terrein een opslag van 2.000 liter benzine plus een pomp te installeren. Bovendien werd de spoorlijn Den Dolder-Zeist afgetakt naar Dalweg 48, waardoor bouwmaterialen direct vanuit de wagons in de opslagloods konden worden geladen.
Zijn drukke zaken en grote gezin – uiteindelijk waren er tien kinderen gekomen – hadden Nicolaas de Gooijer niet belet om daarnaast bestuurlijk actief te worden. Zo was hij bestuurslid van de zangvereniging Laus Deo (Latijn voor ‘Ere aan God’), voorzitter van het bestuur van de gereformeerde school voor ULO aan de Fransen van de Puttelaan en lid van de AR-kiesvereniging ‘Nederland en Oranje’. Hij was ook betrokken bij de oprichting van de lagere school op gereformeerde grondslag, aan het Jacob van Lennepplein/hoek Nicolaas Beetslaan, de Ds. Adriaanse school. In juni 1935 was hij voor die kiesvereniging zelfs in de toen 19 leden tellende gemeenteraad benoemd. De Gooijer was in politieke zin geen verlichte geest geweest. Hij was in zijn eerste maand als gemeenteraadslid begonnen met twee tegenstemmen, tegen een voorstel om bij wijze van proef – uitsluitend op woensdagen – gemengd zwemmen toe te staan en tegen een voorstel om de Stuifheuvel verder te beplanten (de voorstellen werden overigens met 11 tegen 8 respectievelijk 10 tegen 7 aangenomen). Maar dat was in de geest van de tijd en lang was hij niet in de raad gebleven.
Belangrijker was dat het gereformeerde echtpaar De Gooijer-Karsemeijer tijdens de bezetting niet aan de zijlijn bleef staan.
Dalweg 48 was een groot huis, dat Nicolaas de Gooijer in 1924 had laten bouwen, met een aantal kamers en een grote zolder, waar ook afgeschoten ruimten waren. Prima verstopplekken voor onderduikers en die waren er ook in de kelders die doorliepen tot onder het aangrenzende kantoor. Tijdens de bezetting kwamen er veel joodse onderduikers. Aantal en namen zijn niet meer te achterhalen, maar soms waren er meerdere onderduikers tegelijk. Zoals veel andere onderduikadressen fungeerde Dalweg 48 als een soort doorgangshuis, waar onderduikers voor kortere of langere tijd verbleven, totdat een andere bestemming was gevonden. De onderduikers werden zoveel mogelijk van elkaar gescheiden en mochten elkaars namen niet weten, voor het geval er iemand zou worden gearresteerd en verhoord.
Ook ontduikers van de Arbeitseinsatz verscholen zich op Dalweg 48, in elk geval de oudste zoon des huizes Gerrit de Gooijer die met Herman Bolle in de kelder onderdook. Daar was een muur opgetrokken, zodat een hoek was afgescheiden van de rest van de kelder. Ze lagen daar in hangmatten boven de dozen met spijkers. Door een luik in het bovenliggende kantoor konden ze deze verstopplek bereiken. Gelukkig werd bij onderzoek nooit opgemerkt dat het aantal ramen aan de buitenkant groter was dan het aantal dat binnen in de kelder was te zien.
Vele jaren na de bevrijding werd in een hoekje van de vliering van de zolder van Dalweg 48 nog een flinke stapel voedselbonnen ontdekt. Reserve om ook de onderduikers te kunnen voeden.
Mogelijk werden veel van de onderduikers aangebracht door LO-medewerker en achterbuurjongen Karel de Mildt die bekend stond als regelaar van onderduikadressen. Ook weten de nazaten van de onderduikgevers te vertellen dat een joodse student economie uit Rotterdam zelf had aangeklopt. De jongen was in de omgeving van Utrecht ontsnapt uit een deportatietrein en was naar het ouderlijk adres van medestudent Gerrit de Gooijer gelopen. Hoe het deze student verder vergaan was, is niet bekend.
En dan was er natuurlijk Herman Bolle die vanaf de zomer van 1942 tot de bevrijding bleef. ‘Opgedoken’, werd er na de bevrijding op zijn Joodse Raad-kaart genoteerd. Mogelijk had hij de valse identiteit van ‘Herman Karsemeijer’ niet lang hoeven gebruiken. Hij kon namelijk doorgaan voor Willem Jan de Gooijer die zelf in Australië en later Indonesië was. Blijkbaar was dat een geslaagde persoonsverwisseling, want een oudere joodse onderduikster op Dalweg 48 zei eens: ‘Wat lijk jij op je moeder!’, daarmee doelend op Machteltje de Gooijer-Karsemeijer.
Bolle genoot aldus zelfs enige bewegingsvrijheid en in elk geval nam hij die. Zo ging hij vaak naar het gezin Smidskamp, op Dalweg 26, om te kaarten. Dat gebeurde om veiligheidsredenen in de achterliggende plantenkassen. Ze waren daar minder beducht voor de Duitsers dan voor de dominee die soms onverwacht langskwam. Dan verstopten ze snel de kaarten, maar de dominee was niet van gisteren en sprak de kaarters aan op hun zonden: ‘Zijn jullie je weer aan het verpozen met het duivels prentenboek?’
Ook bezocht Herman Bolle zijn tantes Lea en Estella Schrijver die ondergedoken zaten op Kritzingerlaan 106, waarvan de tuin grensde aan die van Dalweg 48. Hij was er op een tragisch moment, toen zijn tante Estella Schrijver gearresteerd werd (zelf kon hij nog net wegkomen).
Toen de geallieerden de grote rivieren hadden bereikt, probeerden Gerrit de Gooijer en Herman Bolle om dat bevrijde gebied te bereiken. Ze wilden hun diensten als tolk aanbieden. Ze slaagden er niet in om aan de overkant te komen. Na drie weken kwamen ze met kapotte voeten terug in Zeist. Over dit avontuur werd later niet of nauwelijks meer gesproken.
Het klikte tussen het gezin De Gooijer-Karsemeijer en Herman Bolle. Zijn onderduik op Dalweg 48 bracht Herman Bolle namelijk meer dan overleving. Hij volgde de familie naar de in 1944 afgesplitste vrijgemaakt gereformeerde kerk (artikel 31) en trouwde in 1952 met dochter Gretha (1925) van zijn onderduikgevers.
Herman Bolle was eigenlijk accountant en hij had tot zijn onderduiken bij een accountantskantoor in Amsterdam gewerkt. Na de bevrijding begon hij een eigen praktijk. Per 1 januari 1954 werd hij echter aangesteld als directeur van NV Bouwstoffen v/h N. de Gooijer, gevestigd op het voormalige onderduikadres. Onder zijn leiding bleef het bedrijf nog jarenlang een begrip in Zeist.
In de eerste naoorlogse jaren verbleef hij in het voormalige pension van zijn tante Lea, op Van Renesselaan 24, evenals zijn moeder Elisabeth Bolle-Schrijver, die Amsterdam verruild had voor Zeist. Na zijn huwelijk in 1952 woonde hij eerst nog in de Wilhelmina Parkflat en op Berkenlaan 5a, om in 1963 naar zijn voormalige onderduikadres te verhuizen. In 1981 vertrok het echtpaar Bolle-de Gooijer naar Emmen.
Het adres Dalweg 48 bestaat nog steeds, maar het onderduikpand en de aangebouwde bedrijfskantoren en -loodsen van het bedrijf werden in de jaren tachtig afgebroken. Er kwam een kantoorgebouw, dat later weer werd vervangen door luxe appartementen.
Na de bevrijding kreeg het gezin De Gooijer-Karsemeijer een tragische boodschap te verwerken. Op 31 maart 1945 was zoon Willem Jan de Gooijer (31) als krijgsgevangene in het Japanse kamp Fukuoka 1B gestorven. Hij was sergeant bij het KNIL geweest. Bij gelegenheid van Dodenherdenking 4 mei 1950 werd na een herdenkingsdienst, geleid door dominee Jan Gillebaard, een plaquette onthuld in de Bergwegkerk (ook wel Noorderkerk genoemd). Een van de 13 namen van omgekomen gemeenteleden op die plaquette was de naam van Willem Jan de Gooijer. Zijn naam werd ook vermeld op het monument voor geallieerde militairen in St. Louis in de VS.
Willem Jans ouders maakten de herdenking van hun zoon niet meer mee. Nicolaas de Gooijer overleed een dikke maand na de bevrijding op 60-jarige leeftijd aan een herseninfarct, nadat hij al een beroerte had gehad. Uit de overlijdensadvertentie blijkt dat de familie toen nog niet op de hoogte was van het lot van hun zoon in Japan. Ook Machteltje de Gooijer-Karsemeijer werd niet ouder dan 60 jaar. Een niet juist gediagnosticeerde ontsteking van het hartzakje werd haar fataal.
Haar hart begaf het in het voorjaar van 1949. Hadden de, vaak onderschatte spanningen van het onderduik geven en de dood van zoon Willem Jan ook hun tol geëist?
Over de oorlog werd weinig meer gesproken. Herman Bolle junior:
‘Mijn vader wilde het er nooit over hebben. Het trauma dat ongetwijfeld was opgelopen, was diep weggestopt en diende niet te worden opgerakeld. Het meeste weten we nog van mijn moeder, maar die was ter bescherming overal buitengehouden waar het de onderduikers betrof (kende dus ook geen namen).’
Bronnen:
- Mededelingen van Herman Bolle junior, Peter Sliedrecht en Annelies Kauffman-de Graaf
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister; 1499-1500, register van illegalen, ‘Herman Karsemeijer’
- Stadsarchief Amsterdam, archiefkaarten voor Herman Bolle, zijn moeder en zijn tantes; politierapporten 1940-1945, aangifte verdwijning Herman Bolle
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Herman Bolle, Estella Schrijver en Lea Schrijver
- ‘De oorlogsmonumenten van Zeist’, in Seyst, Uitgave Zeister Historisch Genootschap, jaargang 35, nummers 1 en 2, mei 2005, 10 (herdenking Jan Willem de Gooijer en andere oorlogsslachtoffers)
- Zie ook de bewezen onderduikadressen Willem de Zwijgerlaan 10, Frederik Hendriklaan 82, Kritzingerlaan 106 en Waterigeweg 70
1. Het apparttementencomplex Daelstate, dat nu op Dalweg 48-50 staat
2. Niesje en Maarten Sliedrecht-De Gooijer tijdens hun huwelijksdag. ze gingen wonen op Waterigeweg 70, waar ze ook onderduik gaven
3. Melding op 23 juli 1942 in het dagrapport van de Amsterdamse politie
4. Jo en Elma Schrijver-Lord, de oom en tante van onderduiker Herman Bolle
5. De woning Dalweg 48 in vroeger tijden
6. Huwelijksfoto van het echtpaar Nicolaas en Machteldje de Gooijer-Karsemeijer
7. Advertentie van de firma De Gooijer in De Zeister Courant
8. Het bedrijfsterrein De Gooijer aan Dalweg 48
9. Het gezin De Gooijer-Karsemeijer in 1936
10. Op deze vooroorlogse foto staan Estella, Lea en Jo Schrijver Renesselaan 24 (met Lea, Joseph
11. Het monument voor geallieerde militairen in St. Louis
12. De overlijdensadvertentie van Nicolaas de Gooijer in de Zeister Post van 20 juni 1945
13. Het huwelijk van Herman en Gretha Bolle-de Gooijer in 1952
14. Het echtpaar De Gooijer-Karsemeijer voor hun huis op Dalweg 48












