Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 68-71; aangevuld met persoonlijke informatie over onderduiker Jakob Last)

In memoriam (niet op dit adres gearresteerd):

  • Abraham Emanuel de Raaij, lompenhandelaar (Haarlem, 30 november 1884 – Sobibor, 28 mei 1943), bereikte de leeftijd van 58 jaar
  • echtgenote Sippora de Raaij-Veerman (Amsterdam, 23 oktober 1884 – Sobibor, 28 mei 1943), bereikte de leeftijd van 58 jaar

In memoriam:

  • Jakob Last, gehuwd, staatloos, koopman in meubelen (Mannheim, 15 januari 1901 – Sobibor, 21 mei 1943), bereikte de leeftijd van 42 jaar

Onderduikgevers:

  • Herman van Velzen, tijdens de bezetting menagemeester van het gevangenkamp Fort Rhijnauwen (Melissant, 27 mei 1913 – Zeist, 5 februari 1978) en
  • echtgenote Anna Roza van Velzen-Novak (Ujpest-Hongarije, 5 december 1916 – Lichtenvoorde, 22 februari 1945)

Tijdens de bezetting twee zoons (1937, 1939)

In de zomer van 1942 heeft jodenhelper Bart Diesveld uit Zeist het joodse echtpaar De Raaij-Veerman naar het Constantijn Huygenslaan 18 gebracht. Daar woont Herman van Velzen, nota bene menagemeester bij het gevangenenkamp Fort Rhijnauwen, die met zijn echtgenote ook een pension houdt. Diesveld is een van de helpers van fietsenhandelaar Gerrit Leijte op 2e Dorpsstraat 32b, die jodenhulp organiseert.

Het joodse echtpaar is uit Boxtel opgehaald door een andere helper van Leijte, de Amsterdamse ‘Zwarte Arie’ Vega. Bij station Driebergen/Zeist staan volgens afspraak twee andere helpers klaar, en een van hen zal het joodse echtpaar naar een onderduikadres brengen. Hij licht het echtpaar echter op, door ze royaal vooruit te laten betalen voor een goede onderduikplaats, terwijl hij ze door Bart Diesveld naar Constantijn Huygenslaan 18 laat brengen. Daar moeten ze opnieuw betalen. De opgelichte onderduikers zijn dan hun vertrouwen kwijt en willen meteen weer weg. Ze worden wat later door Vega meegenomen naar een leegstaand zomerhuisje in Apeldoorn. Daar zullen ze gearresteerd worden, met fatale afloop.

In maart 1943 brengt Diesveld opnieuw een joodse onderduiker, ‘Jacob Heinrich Hansen’, naar Constantijn Huygenslaan 18. Dat gaat al na een maand fout.

Op zaterdag 3 april 1943 heeft Evert Drost van de gemeentepolitie Zeist namelijk bij een huiszoeking gedaan op Joost van den Vondellaan 42, het woonadres van Bart Diesveld, een belastende brief gevonden. Daarin staat dat bepaalde goederen moeten worden afgegeven op Constantijn Huygenslaan 18.

Drost laat er geen gras over groeien. Nog diezelfde zaterdag dringt hij rond 16.00 uur achterom de woning van het echtpaar van Velzen-Novak binnen. Hij wordt vergezeld door zijn collega Van der Peijl en zegt dat ze komen controleren of er nog pensiongasten zijn. Er is kennelijk verraad in het spel. Als Herman van Velzen zegt dat hij op dat moment niemand in huis heeft, roept Drost: ‘Ik hoor nog wat boven!’ Hij loopt meteen door naar de bovenverdieping, waar hij de joodse onderduiker aantreft. Drost vraagt de man om zijn persoonsbewijs, en zegt dan: ‘Jij bent niet erg Ariër.’ Volgens hem is het persoonsbewijs vals. Herman van Velzen, die ook naar boven is gekomen, werpt tegen dat Drost dat moet kunnen bewijzen. ‘Met jou heb ik niets te maken!’, is het antwoord.

De onderduiker identificeert zich als ‘Jacob Heinrich Hansen’, geboren op 15 januari 1901 in Mannheim, vertegenwoordiger. Naar aanleiding van een advertentie in De Zeister courant is hij vier weken geleden bij het echtpaar Van Velzen-Novak in pension gekomen. Daarvoor was zijn adres Prinsengracht 540 in Amsterdam. Hij had gezegd tegen het echtpaar dat hij zich zou inschrijven bij de gemeente Zeist, maar dat was nog niet gebeurd.

In Zeist heeft hij gehandeld met Bart Diesveld. Aan hem heeft hij voor 75 gulden zijn distributiestamkaart verkocht en twee voedingsmiddelenkaarten voor 33 gulden per stuk terug gekocht.

Als Jacob Hansen door laat schemeren dat hij halfjoods is, omdat zijn moeder joods was, wordt Drost brutaal. Zeker nadat de onderduiker hem geld aanbiedt om onder de arrestatie uit te komen: ‘Nee, je bent een jood en met jodenstreken houd ik mij niet op. Kleed je aan, want je gaat mee!’

De onderduiker wordt overgebracht naar het bureau van politie in Zeist. Uit het dagrapport van zaterdag 3 april 1943:

18.00 uur Door de agent van politie Drost aan het bureau gebracht, JACOB HEINRICH HANSEN, geb. te Mannheim den 15en Januari 1901, vertegenwoordiger, wonende te Zeist, Constantijn Huigenlaan 18 – ter beschikking van de Sicherheitspolizei.

Aanvankelijk wil Evert Drost ook pensionhouder en onderduikgever Herman van Velzen arresteren. Omdat Van Velzen een jood verborgen heeft gehouden, moet hij volgens Drost gelijk gesteld worden met een jood. Van Velzen hoeft niet meteen mee, maar moet zich op maandag 5 april wel melden op het politiebureau. Bij een verhoor door Drost houdt hij daar twee uur lang stug vol dat hij niet wist dat zijn gast joods was. Met een boete van 25 gulden, omdat hij zijn pensiongast niet heeft laten registreren, mag hij weer naar huis.

Intussen laat Evert Drost de gegevens van ‘Hansen’ en de onderduiker van de Van der Heijdenlaan 72 controleren. De Rijksrecherchecentrale laat weten dat er nooit een persoonsbewijs A.35/265931 uitgegeven is en dat het persoonsbewijs dus vals is. Drost voelt zijn arrestant op 7 april opnieuw aan de tand en dan blijkt het om Jakob Last te gaan, geboren op 15 januari 1901 in Mannheim, staatloos en laatst woonachtig op Waalstraat 118 in Amsterdam. Naar eigen zeggen, heeft hij van een onbekende, die hij op straat heeft ontmoet, en die later op zijn kantoor op Keizersgracht 710 kwam, voor 125 gulden een vals persoonsbewijs gekocht. Jakob Last erkent ‘voljoods’ te zijn.

Jakob Last is de oudste van vijf kinderen van de in Polen geboren Leib en Sara Last-Einhorn, zogenaamde Ostjuden). Het gebied waar Leib Last geboren is, behoort anno 2024 tot de Oekraïne, maar hij heeft in de Eerste Wereldoorlog gediend in het Oostenrijkse leger.

Dochtertje Hanna is op 5/6-jarige leeftijd overleden.

Zoon Jakob heeft zijn middelbare schoolopleiding afgerond bij een particulier instituut. Na een opleiding tot bankbediende is hij aangesteld bij een bank in Würzburg in de Duitse deelstaat Beieren. Hij is op 16 maart 1933 in Breslau getrouwd met de daar geboren Ilse Mathis. Het huwelijk vindt plaats onder een ongelukkig gesternte, want precies zeven dagen later grijpt Hitler in Duitsland de dictatoriale macht.

In de zomer van dat jaar is het echtpaar Last-Mathis naar Amsterdam gevlucht, waar ze op Waalstraat 118 II zijn gaan wonen. Jakob Last is daar gaan handelen in meubelen. Op 2 september 1934 is dochter Marianne geboren. Ook Jakob Lasts ouders en zijn broers Max en Philipp zijn in de loop van 1933 naar Amsterdam gevlucht. De vader van echtgenote Ilse, weduwnaar Max Mathis, is in 1939 vanuit Potsdam gevlucht.

Op 8 april, vijf dagen na zijn arrestatie op Constantijn Huygenslaan 18, wordt Jakob Last door een wachtmeester van de marechaussee naar de Sicherheitspolizei in de Euterpestraat in Amsterdam gebracht en een dag later wordt hij geïnterneerd in Kamp Westerbork (barak 73).

Omdat Herman van Velzen betrokken is bij het onderduiken van joodse mensen kan hij via zijn relaties achterhalen dat Jacob Last naar Kamp te Westerbork is overgebracht. Daarna hoort hij niets meer over zijn voormalige onderduiker, en hij vermoedt daarom dat hij in een concentratiekamp om het leven is gekomen.

Dat klopt. Jakob Last is al op 18 mei 1943 op transport gesteld naar Sobibor. Na aankomst aldaar, drie dagen later, is hij meteen vermoord. Zijn ouders zijn hem dan vier dagen eerder voorgegaan. Zijn beide broers Max en Philip worden op 28 oktober 1943 als ‘strafgevallen’ (barak 67) in Kamp Westerbork binnengebracht en worden op 31 maart 1944 ergens in Polen vermoord. Zuster Rosa Löwenstein-Last is in 1939 naar de Verenigde Staten ontkomen met haar echtgenoot en kind, en zij overleeft als enige van haar ouderlijke gezin.

– 0 – 0 – 0 –

Jakob Lasts echtgenote Ilse Last-Mathis en dochter Marianne hebben onderduik gekregen bij vrienden en de bezetting overleefd. Ze emigreren met Ilses vader Max Mathis op 7 augustus 1947 naar de VS (New York). Daar trouwt Ilse Mathis opnieuw, waarna ze Ilse Pacyna-Mathis gaat heten. Maar in 1977 laat ze in Yad Vashem een herdenkingspagina aanleggen voor haar voormalige echtgenoot.

In Wurzbürg worden later voor Peterstrasse 1 vier Stolpersteine gelegd, voor Leib en Sara Last-Einhorn, Jakob en Max Last.

Bronnen:

  • Zie het bewezen onderduikadres Graaf Janlaan 58 (Arie Vega)’
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Leib en Sara Last-Einhorn, Jakob, Max en Philipp Last
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Leib en Sara Last-Einhorn, Max en Philipp Last
  • Digitaal joods monument, Leib en Sara Last-Einhorn, Jacob, Max en Philipp Last
  • Ilse Last-Mathis papers – 1988-1072, in Tauber Holocaust Library – JFCS Holocaust Center, San Francisco, California (nog niet geraadpleegd)
  • stolpersteine-wuerzburg.de, Stolpersteine voor Leib en Sara Last-Einhorn, Jakob, Max en Philipp Last, Peterstrasse 1, Wurzbürg
  • www.historisches-unterfranken.uni-wuerzburg.de, Jakob Last
  • Nationaal Archief, Persoonsdossiers Oorlogsgraven Stichting 1974-1994, archief 2.19.255.01, inventarisnummer 88729A, persoonsdossier Jakob Last (nog niet geraadpleegd)
  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, 700 II-62533 en BvRC 847/48, E.C. Drost

1. Constantijn Huygenslaan 18

2. Politieman Evert Drost, fervent jodenjager in Zeist

3. Joodse Raad-kaart voor Jakob Last