Tijdens de bezetting werden in Zeist meer dan 900 personen met valse gegevens opgenomen in het lokale bevolkingsregister, vooral joodse onderduikers en onderduikers voor de Arbeitseinsatz. Dit bericht beschrijft een adres waarvoor een of meer valse registraties herleid konden worden tot de werkelijke identiteit van joodse personen. Een overzicht van alle adressen en onderduikers is te vinden via valse registraties van bekende onderduikers.
Het staat niet vast dat de betrokken personen werkelijk op de genoemde adressen ondergedoken zaten.
Wie weet meer? Wie iets meer weet over dit adres en/of de genoemde onderduikers wordt vriendelijk verzocht om contact op te nemen via het contactformulier op deze site.
Vals geregistreerd op dit adres:
- Jozeph Philip Calff, journalist (Amsterdam, 20 februari 1914 – Wageningen, 7 juni 1975)
Bewoners:
- Antoon Bertus de Vos, sergeant-vliegenier, vliegtuigmonteur (Rotterdam, 23 oktober 1887 – Utrecht, 29 januari 1970), en
- echtgenote Friederike Auguste de Vos-Hase (Oedese-Duitsland, 10 maart 1899)
Geen kinderen
In de bevolkingsadministratie van Zeist bevond zich een valse persoonskaart voor de Amsterdammer ‘Johan Philip Calff’, op het adres Constant Huijgenslaan 21. Behalve zijn religie (RK), de voornaam en de voornaam van zijn moeder (Johanna in plaats van Judik) komen de gegevens op de valse persoonskaart overeen met die van de journalist
Jozeph (Jo) Philip Calff.
Op Constant Huijgenslaan 21 woonden vanaf 1928 de vliegtuigmonteur Antoon Bertus de Vos en zijn uit Duitsland afkomstige echtgenote. De Vos was voor de bezetting in Zeist actief, onder meer als penningmeester van de gymnastiekvereniging Bato en als penningmeester van het Werkcomité Zeist van de Nationale Vereeniging Harmonische Lichaamsontwikkeling. In laatstbedoeld werkcomité maakt hij samen met voorzitter Dirk Brandwijk en secretaris Bernard Maljers deel uit van het dagelijks bestuur. Brandwijk was een prominente, fel anti-Duitse Zeistenaar en net als Maljers onderduikgever, maar Antoon de Vos maakte een andere keuze. Zijn naam staat op de lijst van NSB’ers in Zeist, opgemaakt op 1 juli 1942.
Jo Calff was voor de bezetting werkzaam bij een persbureau. Toen hij die baan kwijtraakte, kreeg hij de functie van controleur voor de Joodsche Raad van Kamp Westerbork, waardoor hij voorlopig vrijstelling van deportatie kreeg, een zogenaamde Sperr. Hij moet veel ellende gezien hebben in die functie die hij op enig moment neerlegde (‘neemt functie niet meer waar’, staat er op zijn kaart van de Joodse Raad). Dat is vermoedelijk ook het begin van zijn onderduikperiode geweest, want hij woonde met zijn zuster op Nieuwe Herengracht 107 in Amsterdam, in de buurt van een kantoor van de Joodsche Raad en de Lippmann-Rosenthalbank. Zonder Sperr kon hij zich waarschijnlijk daar niet meer vertonen?
Jo Calff is dus niet werkelijk ondergedoken geweest op Constantijn Huijgenslaan 21. In elk geval woonde hij gedurende de laatste oorlogsmaanden bij zijn latere echtgenote, met wie hij in augustus 1945 trouwde. Yvonne Henriëtte de Vries (Paramaribo, 6 juli 1916 – Amsterdam, 7 januari 1987) was naar nazi-begrippen joods, in die zin dat zij vier joodse grootouders had. Maar op haar persoonsbewijs stond dat zij remonstrants was. De Vries is een zeer veel voorkomende achternaam en het bewijs van de joodse komaf was onbereikbaar (in Suriname). Met aangepaste persoonsgegevens en gebleekte haren kon zij doorgaan voor niet-jodin en zo kon Jo Calff waarschijnlijk bij haar onderduiken.
Direct na de oorlog trad Calff als journalist in dienst bij de voormalige verzetskrant Het Parool, aanvankelijk met standplaats Dordrecht en later in Amsterdam. Jarenlang versloeg hij voor Het Parool de gemeenteraadsvergaderingen. Maar daar beperkte hij zich niet toe. In 1969 maakte hij bijvoorbeeld als showbizz-expert deel uit van de jury die bepaalde welk Nederlands lied naar het songfestival in Londen zou gaan. De jury bestond verder uit Conny Stuart, Andrea Domburg Gijs Stappershoef en René Sleeswijk. Het jaar 1969 was een bijzonder jaar voor zijn carrière. Op 27 januari had hij een exclusief interview met de vermaarde hartchirurg Chris Barnard. Later in 1969 publiceerde hij het boek ‘Medische ethiek vandaag: zestien vraaggesprekken met vooraanstaande medici’ (Agon Elsevier, 1969). Het waren zijn laatste journalistieke activiteiten, want hij werd directeur van de Nierstichting. Die functie vervulde hij tot hij in 1975, zes jaar later, onverwacht overleed.
Dochter Josje Calff vertelt dat ze later hoorde dat Map (Marthe Margaretha) Calff, de zuster van haar vader, illegaal werk had gedaan. Marthe vluchtte samen met haar vriend Frits van Steenderen naar Frankrijk in de zomer van 1942. Het paar werd daar op 17 februari 1944 echter gearresteerd, in de buurt van Tours gearresteerd: in Sepmer (Indre et Loire). Volgens ‘Le Memorial de la deportation des juifs de France’ werd Martha Calff op 30 mei 1944 op transport gezet van Drancy, het Franse Kamp Westerbork, naar Auschwitz. Haar niet-joodse vriend moest naar de concentratiekampen Natzweiler (Struthof) en Neuengamme, maar overleefde de oorlog.
Bijzonder is dat op 19 april 1944 in Drancy, het Franse Kamp Westerbork, een jongetje geboren werd, dat de naam Alex Calff kreeg. Zijn naam staat boven die van Map Calff op de gevangenenlijst uit Drancy. Zes weken na zijn geboorte werd de baby, op 30 mei 1944, met transport 75 naar Auschwitz gedeporteerd, hetzelfde transport als waarmee de bijna 27-jarige Map Calff weggevoerd werd. Map Calff wordt herdacht op het monument Schaduwkade in Amsterdam. Daar zijn de namen van de 200 joodse bewoners van de Nieuwe Keizersgracht, tussen de Amstel en de Weesperstraat, aangebracht op de kade tegenover hun toenmalige woonhuis.
Jo Calff kende de geschiedenis van zijn zuster, maar sprak er nooit over. Hij had nooit iets over de oorlogstijd willen of kunnen vertellen, anders dan dat hij als enige was overgebleven. Zijn moeder was in 1935 overleden, maar zijn vader Herman Calff (Delft, 22 juni 1888 – Sobibor, 9 juli 1943) en dus zijn zusje (Amsterdam, 1 juni 1917 – Auschwitz, 30 mei 1944) werden vermoord.
Zijn echtgenote heeft altijd volgehouden tegenover haar kinderen, dat zij zich ‘niets’ herinnerde. De plaats Zeist kwam – voor zover Josje Calff zich herinnert – nooit ter sprake in huize Calff-de Vries. Het enige wat dus zeker is, is de illegaal connectie die Jo Calff een vals persoonsbewijs uit Zeist opleverde.
Bronnen:
- Mededelingen van Josje Calff
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Johan Philip Calff’
- Lijst van NSB-leden in Zeist, 1 juli 1942 (status niet bekend)
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joseph P. Calff, Marthe M. Calff, Frederik van Steenderen
- Digitaal joods monument, Marthe Margaretha Calff
- Zie ook www.joodsamsterdam.nl/nieuwe-herengracht/
- Het Parool van 25 juni 1975, ‘Jo Calff overleden’
