Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikers:
- Naatje Aldewereld-Wurms (Amsterdam, 31 augustus 1900 – Amersfoort, 30 december 1970)
- dochter Rebecca Aldewereld (Amsterdam, 25 mei 1924)
- dochter Carla (Carry) Aldewereld (Amsterdam, 24 november 1933 – Rotterdam 7 maart 2025)
Onderduikgevers:
- Johan Anton Pieterse, boekhouder (Amsterdam, 1 oktober 1892 – Zeist, 16 april 1958) en
- Martha Pieterse-Broeksma (Amsterdam, 12 mei 1894 – overleden?)
Kinderen (1918, 1923 en 1924)
Begin 2022 leveren vader en zoon Jan Erik en Robbie Dubbelman Zeister informatie uit zogenaamde Pre Questionaire Interviews van de USC-Shoah Foundation, die ze hebben ingezien bij het Joods Museum in Amsterdam. Een van de verklaringen is afkomstig van Carrie (Carla) Steinmetz-Aldewereld. Bij telefonisch contact vult Carrie Steinmetz-Aldewereld (inmiddels overleden) de feitelijke gegevens aan met een bijzonder onderduikverhaal.
Haar ouderlijke gezin leidde een eenvoudig bestaan. Vanaf 1938 was vader Simon Aldewereld (Amsterdam, 1898) marktkoopman, op het laatst in dameskousen, ondergoed e.d.
Hij kwam voor in de politierapporten, omdat hij op 23 januari 1941 een inbraak in zijn magazijn aan het Waterlooplein kwam melden. Er waren 13 dozijnen dameskousen gestolen, ter waarde van 143 gulden.
In de Amsterdamse politierapporten ontbreekt echter die andere melding, die Simon Aldewereld fataal zou worden. In de zomer van 1942 moest hij zich melden op het politiebureau bij het Waterlooplein. Er lag een klacht wegens lichtuitstraling. Een valse klacht, want het gezin was rond de genoemde tijd niet thuis geweest, maar op bezoek bij buren. Dat laatste kon Simon Aldewereld echter niet verklaren, want volgens de verordeningen van de bezetter was het joden verboden om op bezoek te gaan bij niet-joden. Wat er precies is gebeurd, is niet bekend, maar Simon Aldewereld trof in elk geval foute agenten, want hij kwam nooit meer thuis. Op 1 september werd hij binnengebracht in Kamp Westerbork en al op 4 september gedeporteerd. Hij werd tewerkgesteld in Extern Kommando Fürstengrube, een buitenkamp van Auschwitz, waar dwangarbeid in een kolenmijn verricht moest worden. Daar stierf hij op 1 juni 1943, op de leeftijd van 44 jaar.
Naatje Aldewereld-Wurms bleef achter met haar dochters Rebecca (1924) en Carrie (1933). Zelf werkte ze ook op de markt, maar de voorlopige vrijstelling van deportatie ontleende ze aan het feit dat het bedrijf waar dochter Rebecca als bontwerkster werkte van belang was voor de Wehrmacht. De vrijstelling gold niet voor jongste dochter Carrie (toen 9). In maart 1943 werd de dreiging te groot, zeker voor joodse Amsterdammers waarvan de achternaam met een A begon.
Naatje Aldewereld-Wurms besloot onder te duiken, maar er was nog geen goed georganiseerde hulporganisatie die haar zou kunnen helpen. Nu was zuster van haar echtgenoot, Mietje Aldewereld, op 3 december 1941 getrouwd met de niet-joodse Jan Broeksma. Op hun etage op Nieuwe Herengracht 85 III werden Naatje en haar dochters in eerste instantie opgevangen, waarna Broeksma hen een paar dagen later onderbracht bij zijn zuster en zwager Martha en Jan Pieterse-Broeksma, die op Charlotte de Bourbonlaan 54 in Zeist woonde. De mannelijke onderduikgever was procuratiehouder bij wasserij Burger in Zeist.
Het was bepaald geen voor de hand liggend onderduikadres, want op de nummers 48 woonden (het ouderlijke gezin van Kees van Geelkerken, plaatsvervangend leider van de NSB) en 60 (Schmidt) notoire NSB’ers. Het was dus extra oppassen geblazen. Het onderduikverblijf voor Naatje Aldewereld-Wurms en haar dochters was een piepklein kamertje op zolder. Ze betaalde voor kost en inwoning een flinke maandelijkse vergoeding. Waar ze dat geld vandaan haalde, had Carrie Steinmetz-Aldewereld wel willen weten, want haar ouders beschikten niet over kapitaal. Zelf vond ze het geen prettig adres. Martha Pieterse-Broeksma was een lieve vrouw, maar de verstandhouding met haar dominante echtgenoot was niet prettig. Het echtpaar zou nog tijdens de bezetting, op 27 februari 1945, uit elkaar gaan (Pieterse zou hertrouwen met een jongere zuster van zijn ex-echtgenote).
De onderduiksituatie werd onmogelijk, toen een zoon besloot om na zijn eindexamen onder te duiken voor de Arbeitseinsatz. Aanvankelijk was hij dat niet van plan geweest, maar nu zou er huiszoeking gedaan kunnen worden. Daarop moest Naatje Aldewereld-Wurms in de zomer van 1943 met haar dochters halsoverkop weg uit Zeist. Ze werden opgehaald door hun helper Jan Broeksma en ze kregen opnieuw noodopvang van hem en zijn echtgenote in Amsterdam.
Inmiddels was de onderduikhulp beter georganiseerd, zodat ze al gauw een nieuw onderduikadres kregen bij een mijnwerkersgezin in de (anno 2022 niet meer bestaande) Leeuwstraat in Brunssum. De onderduikgeefster was mentaal niet stabiel en de oudste dochter van het gezin had verkering met een politieman waarmee een conflict ontstond, waardoor de drie onderduikers opnieuw weg moesten. Voor de derde keer zochten ze hun toevlucht op de etage Nieuwe Herengracht III van het echtpaar Broeksma-Aldewereld.
Vervolgens werden ze gesplitst ondergebracht.
Naatje Aldewereld-Wurms (‘Marg’) kwam eerst terecht in een spoorhuisje in Bennebroek, waar ze met haar onderduikgevers uit moest na de spoorwegstaking. Daarna bij bollenkweker Van de Akker in Hillegom, waar ze tot het eind van de bezetting een fijn onderduikadres had.
Dochter Rebecca werd, als ‘Truusje Kuipers’ of ‘Truusje Smits’, ondergebracht in het Noord-Limburgse Tienray, waar meer dan 100 joodse kinderen ondergedoken zaten. Op 1 augustus 1944 kwam er na verraad een razzia in het dorp. Spoorstraat 45 stond niet op de lijst van verraden adressen, zodat er nog een verrader actief moet zijn geweest. Zes gewapende agenten overvielen het huis en doorzochten het grondig nadat ze een leeg bed aantroffen. Rebecca Aldewereld, die inmiddels 20 jaar was, werd op zolder ontdekt, verscholen achter een paar kisten. De kreet ‘Dort ist das Schwein’, zou haar natuurlijk haar hele leven bijblijven. Een door Harry Raaijmakers opgemaakt verslag wil dat Rebecca duizend gulden bood aan haar belagers, maar die had ze niet en ze moest mee. Net als de andere arrestanten was ze overstuur bij het afscheid. Terwijl ze bijgelicht werd om in de overvalwagen te stappen, vluchtte haar eveneens gearresteerde onderduikgever. Rebecca zou hem nageroepen hebben: ‘Goed zo oom, tot ziens’. De onderduikgever wist te ontkomen aan zijn achtervolgers en zou pas na de bevrijding terugkeren naar huis.
Rebecca Aldewereld werd op 3 augustus 1944 binnengebracht in de strafbarak van Kamp Westerbork (Barak 67) en ze werd op 3 september 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Ze zou het kamp overleven. ‘Haar tot ziens’ deed ze gestand, door na de bevrijding haar onderduikgevers in Tienray te bezoeken, met tatoeage op de arm en kaal geschoren hoofd.
Intussen was Carrie (Carla) Aldewereld eerst naar Bolsward gebracht. Vervolgens kwam ze terecht in de nederzetting Coevorderhûs van zes boerderijen langs het kanaal De Nieuwe Weg (anno 2022 het Prinses Margrietkanaal), tussen de dorpen Hommerts en Langweer. In het voorjaar van 1944 kwamen twee Friese politiemannen aan het echtpaar Koop Klaasz en Riemke Visser-Cnossen vragen of zij een joods kind in hun huis wilden opnemen. Zonder enige aarzeling ging het echtpaar akkoord. Hun oudste zoon Lieuwe, die op de boerderij van zijn ouders werkte, zat in de ondergrondse en vandaar waarschijnlijk het contact. Het gereformeerde echtpaar had een sterke geloofsovertuiging en bood bij gevaar van razzia’s onderdak aan verzetsmensen, joodse en niet-joodse onderduikers. In april 1944 kwam de toen 10-jarige Carrie Aldewereld, ‘Corrie Miedema’, zogenaamd een evacueetje uit Rotterdam.
Carrie vond er een warme omgeving en ze mocht zich vrij bewegen, uitgezonderd als er vreemden kwamen. Naar school gaan was uitgesloten, en dus hielp ze mee op de boerderij. Er woonden nog twee kinderen van de onderduikgevers thuis. De 16-jarige dochter Jeltje bemoederde als een oudere zus Carrie en dat deed Carrie op haar beurt met de 4-jarige Klaasje. Na de bevrijding bleef ze, totdat haar moeder haar in juli 1945 via Rode Kruis-lijsten vond.
Terug in Amsterdam was er sprake van een getraumatiseerd gezin.
Onderduiken was al een zware beproeving, maar Naatje Aldewereld-Wurms had haar echtgenoot en 56 familieleden verloren, een inwonend nichtje had het Experimentenblok in Auschwitz overleefd maar haar echtgenoot verloren (al na 6 weken huwelijk), haar ouders en twee zusjes. Dochter Rebecca was ook teruggekomen uit Auschwitz.
Het was, zoals vaker het geval was, dat de tijdelijk zeer gereformeerde Carrie Aldewereld terugverlangde naar haar onderduikadres bij het warme Friese onderduikgezin. Ze heeft tot op heden contact gehouden met de familie en ging er vroeger elke vakantie naar toe. Op woensdag 28 november 2001 werden de voormalige Friese onderduikgevers van Carrie Steinmetz-Aldewereld in het Verzetsmuseum op Turfmarkt 11 in Leeuwarden door Yad Vashem postuum onderscheiden als Rechtvaardigen onder de Volkeren.
Later ontpopte Carrie Steinmetz-Aldewereld zich als kunstenares.
Bronnen:
- Mededelingen van Carrie Steinmetz-Aldewereld
- Pre Questionaire Interviews, USC-Shoah Foundation, Joods Museum Amsterdam (met dank aan Jan Erik en Robbie Dubbelman)
- Bijvoorbeeld www.joods.nl (Yad Vashem-ceremonie op 28 november 2001)
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister, echtpaar Pieterse-Broeksma
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Simon Aldewereld, Naatje Aldewereld-Wurms, Rebecca Aldewereld en Carla Aldewereld
- jck.nl, D007692, brief 3 augustus 1944 van de onderduikmoeder van Rebecca Aldewereld met verslag van Rebecca’s arrestatie
- Harrie Raaijmakers, ‘De 123 joodse kinderen van Hanna en Nico’ (onder meer te vinden op studylibnl.com/doc/573631/onderscheidingen)
- Mooitienray.nl, Hanna van de Voort
- research.rkd.nl, Carrie Steinmetz-Aldewereld als kunstenaar
1. Charlotte de Bourbonlaan 54
2. Simon Aldewereld in 1941
3. Naatje Aldewereld-Wurms
4. Carrie Aldewereld (rechts) met schoolvriendinnetje Sara Bing, dat op 4 juni 1943 vermoord werd in Sobibor
5. Een ansichtkaart voor Carrie die tijdens de vakantie in Huis ter Duin verbleef (Collectie Joods Museum)
6. Achterzijde van de ansichtkaart voor Carrie (Collectie Joods Museum)
7. Het persoonsbewijs van Rebecca Aldewereld met twee grote J’s en het Sperr-stempel (Collectie Joods Museum)
8. Rebecca Aldewereld mocht tijdens bepaalde tijden gebruik maken van de autobus of de tram (Collectie Joods Museum)
9. Een deel van de brief uit Tienraij waarin gemeld wordt dat ‘Truus’ uit de onderduik gehaald is (Collectie Joods Museum)
10. Een Pools document van 15 mei 1945, waarin Rebecca Aldewereld vermeld staat (Collectie Joods Museum)









