Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Nieuw)

Onderduikster:

  • Betsie van Goor-Brenner, huisverzorgster (Amsterdam, 7 april 1900 – Amsterdam, 18 oktober 1992)

Onderduikgevers:

  • Willem Johan Caspers, sinds medio 1941 weduwnaar, gepensioneerd schoolhoofd (Wageningen, 26 augustus 1865 – Zeist, 13 november 1948)
  • dochter Johanna Caspers, ongehuwd (Heinenoord, 4 september 1893 – nog niet bekend)

Betsie Brenner werd geboren als dochter van het in Rusland geboren echtpaar Berre en Sanna Brenner-Sindler dat al in 1897 naar Amsterdam was gevlucht. Daar hadden ze een gezin gesticht. Van hun vijf kinderen overleden er twee op jongere leeftijd. Overgebleven waren Betsie en haar twee jongere broers Salomon (1901) en Herman (1906). Berre Brenner overleed in 1935 en zijn echtgenote Sanna Brenner-Sindler werd op zeker moment opgenomen in de joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch.

Betsie Brenner trouwde in 1938 met de negen jaar oudere, gescheiden Izaak Abraham van Goor (Zutphen, 1891), koopman in rijwielonderdelen. Hij had een dochter uit zijn eerste huwelijk, zijn tweede huwelijk zou kinderloos blijven.

In 1942 moet Izaak van Goor zich melden voor dwangarbeid in het rijkswerkkamp Kremboong, ten Noorden van Hoogeveen. Terwijl hij daar aan de slag moet, krijgt zijn echtgenote Betsie op 16 september 1942 een voorlopige vrijstelling van deportatie (Sperr), als huisverzorgster bij het hoofdkantoor van de Joodse Raad, op Nieuwe Keizersgracht 58. Haar gehuwde broers Salomon en Herman hebben ook een Sperr bemachtigd.

Op 3 oktober 1942 worden de joodse dwangarbeiders uit de verschillende kampen overgebracht naar Kamp Westerbork, zogenaamd in het kader van ‘gezinshereniging’ maar vooral als voorbereiding op deportatie. Op die dag moeten Izaak van Goor en de andere dwangarbeiders uit Kremboong te voet naar Kamp Westerbork.

Het is de bedoeling dat echtgenote Betsie ook naar Kamp Westerbork komt en haar persoonsbewijs wordt alvast vooruitgestuurd. Maar Betsie gaat niet naar Kamp Westerbork. Ze duikt onder. Anders zou ze op 2 november 1942 met Izaak van Goor gedeporteerd zijn, om drie dagen later in Auschwitz vermoord te worden.

Hoe Betsie van Goor-Brenner in november 1942 in Zeist terecht komt, is niet bekend. Maar dat heeft ongetwijfeld te maken met het intensieve illegale werk van Nellie Cato ‘Loek’ Caspers, die als koerierster opereert. Ze reist door het hele land en onderhoudt contact tussen verschillende verzetsgroepen op en rond de Utrechtse Heuvelrug. Haar koerierswerk houdt het vervoer van onderduikers, vuurwapens, handgranaten en informatie over troepenbewegingen in.  ‘Loek’ Caspers zal later meerdere boeken over het verzet in de oorlog schrijven.

Betsie van Goor-Brenner wordt opgenomen door de grootvader van ‘Loek’ Caspers, het 77-jarige, gepensioneerde schoolhoofd Willem Johan Caspers. Die was eind mei 1941 weduwnaar geworden en woont met zijn 49-jarige, ongehuwde dochter Johanna op Burgemeester Patijnlaan 98 in Zeist. Voor het geven van onderduik is toch al moed nodig, maar vader en dochter Caspers hebben wel uitzonderlijk veel lef, dat ze pal onder de neus van de grote jodenjager van Zeist onderduik geven. In het buurhuis op nummer 100 woont namelijk de beruchte NSB-politieman Evert Cornelis Drost, ‘de schrik van Zeist’ die inmiddels al een aantal joodse onderduikers heeft gearresteerd en overgeleverd aan de Sicherheitsdienst in Amsterdam.

Er is behoorlijk burencontact. Als ze ’s morgens in hun tuin aan het werk zijn, zegt Willem Caspers wel eens tegen Evert Drost dat hij spijt van zijn foute keuze zal krijgen. Die voorspelling zou uitkomen, want op 28 juli 1949 wordt Drost in Groningen door een vuurpeloton geëxecuteerd. Hij heeft zich tijdens de bezetting steeds beestachtiger gedragen en is een van de slechts 39 personen die na de bevrijding voor hun oorlogsmisdaden geëxecuteerd worden.

Tijdens zijn Zeisterse periode, zoekt Drost zijn buurman Caspers geregeld op voor een praatje. Dat is gevaarlijk en dan is het natuurlijk zaak dat Betsie van Goor-Brenner geen enkel geluid maakt. Op zekere dag komt Drost onverwacht aanlopen, en kan Willem Caspers zijn onderduikster op het nippertje in een kast verbergen. Probleem is dat Betsie op dat moment verkouden is en zich erg moet inspannen om niet te kuchen. Dat is kantje-boord. Het is een opluchting voor heel Zeist, dat Drost in de zomer van 1943 verhuist naar Groningen, en niet in het minst voor Willem en Johanna Caspers.

Het gevaar komt niet alleen van de fanatieke jodenhater en -jager Drost. Twee keer wordt er een huiszoeking verricht op Burgemeester Patijnlaan 98, eenmaal midden in de nacht. Maar Betsie kan zich tijdig verbergen in de schuilplaats, onder de vloer van de klerenkast in de slaapkamer van haar onderduikgever. De agenten schuiven de kleren in de kast heen en weer, maar vinden de schuilplaats niet.

Het gaat meer dan twee jaar goed, maar kort voor de bevrijding dreigt het toch nog mis te gaan. Willem en Johanna Caspers hebben in het laatste oorlogsjaar een ziek familielid opgenomen, dat verzorging nodig heeft. De patiënt overlijdt begin april 1945. Door de aanwezigheid van het stoffelijk overschot raakt Betsie totaal overstuur. Ze wordt hysterisch en gilt dat ze niet met een dode in één huis kan zijn. Ze wil weg en is aanvankelijk niet te kalmeren. Op elk voorstel voor een andere onderduikplaats dreigt ze naar de politie te gaan. Haar argument is: ‘Dan willen jullie me niet meer terughebben’. Daarbij gilt ze steeds ‘mes, mes’. Achteraf blijkt dat Jiddisch voor ‘lijk’ te zijn, maar niemand begrijpt wat ze bedoelt. Uiteindelijk weet Willem Johan Caspers junior haar te kalmeren, door haar tijdelijk op te nemen in zijn woning in Driebergen, totdat ze terug durft naar Burgemeester Patijnlaan 98.

Pas veel later begrijpen de Caspers’en dat leden van de kaste van de Kohamiem niet in hetzelfde huis als een overledene mogen vertoeven. Mogelijk behoorde Betsie van Goor-Brenner via haar voorgeslacht tot die kaste?

Ze haalt de bevrijding en gaat op 25 juli 1945 verderop in de Burgemeester Patijnlaan wonen, op nummer 23. Dan wordt ook duidelijk dat haar echtgenoot Izaak Abraham van Goor, haar moeder Sanna Brenner-Sindler en haar broers Salomon en Herman Brenner en hun gezinnen vermoord zijn. Op 15 oktober 1947 hertrouwt Betsie in Zeist met Hartog Stodel (Amsterdam, 1884), met wie ze naar Den Haag verhuist. Stodel overlijdt in1957. Betsie Stodel-Brenner zou 35 jaar later in 1992, op 92-jarige leeftijd in Amsterdam overlijden.

In de tussentijd had ze een onderscheiding aangevraagd voor haar Zeister onderduikgevers. Op 30 december 1979 waren vader Willem Johan (overleden in 1948, dus postuum) en dochter Johanna Caspers door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren. In de korte samenvatting die Yad Vashem van de aanvraag van Betsie Stodel-Brenner maakte, werd de onderduiksituatie in Utrecht geplaatst, maar dat was dus onjuist.

Bronnen:

  • Mededelingen van Hendrika Sophia ‘Fiep’ Lever-Smitskamp
  • Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister
  • Yad Vashem-onderscheiding op 30 december 1979 van Willem Johan Caspers en Johanna Caspers
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Izaak Abraham en Betsie van Goor-Brenner
  • joodsewerkkampen.nl, Kremboong
  • Wikipedia, Loek Caspers respectievelijk Doodstraf in Nederland
  • Digitaal joods monument, Izaak Abraham van Goor, Sanna Brenner-Sindler, Herman Brenner en echtgenote en Salomon Brenner en gezin
  • Loek Caspers , ‘Vechten voor vrijheid, oorlog en verzet op de Utrechtse Heuvelrug’, Verloren, Hilversum, 2008, 56-57

1. Burgemeester Patijnlaan 98

2. Evert Drost, ‘de schrik van Zeist’

3. ‘Loek’ Caspers op latere leeftijf

4. Advertentie van Betsie Stodel-Brenner in het Nieuw Israelitiesch Weekblad van 11 juni 1954

5. Willem en Johanna Caspers in Israel