Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikers:
- Freddy Dukker (Amsterdam, 22 januari 1935 – Haarlem of Spaarndam, 14 juli 2019)
- Elfriede Hertz-Wolff, gehuwd (Neunkirchen, Duitsland, 3 april 1902 – Bloemendaal, 8 februari 1987)
- –
Onderduikgevers:
- Willem Schmidt, gepensioneerd onderwijsinspecteur (Veendam, 4 augustus 1889 – Utrecht, 4 mei 1973) en
- echtgenote Aagje Schmidt-Vethaak (Zaandam, 30 april 1893 – Zeist, 16 april 1967)
- Dochter Neeltje Schmidt, ongehuwd (Djokjakarta, Nederlands Indië, 14 februari 1924 – Zuidwolde, 13 november 2002).
Thuiswonende kinderen (zoon-1914, zoon-1916, dochter-1919, zoon-1921 en zoon-1926)
Het adres Slotlaan 8 (tijdens de bezetting Donkerelaan 12) van H. Praamsma duikt vaker op als het om onderduiken gaat. Hendrik Praamsma (Joure, 14 mei 1907 – Zeist, 22 april 1971) was tijdens de bezetting ongehuwd en beheerder van een filiaal van boekhandel J.W. Kraal. Praamsma gaf onderduik aan Karl Steiner op het adres Donkerelaan 12. Zie het bewezen onderduikadres Slotlaan 8 (Donkerelaan 12). Een andere valse persoonsregistratie op Praamsma’s adres is die van de 7-jarige Freddy Drukker die daar werd geregistreerd met de ingangsdatum 2 juni 1942. Freddy Dukker was de juiste naam van het onderduikertje en zijn geboortegegevens en Amsterdamse adressen blijken te kloppen.
De gegevens van zijn ouders waren echter vervalst tot ‘Nico en Sientje Dukker-Klaassen’ en als kerkelijke gezindte werd Nederlands Hervormd genoteerd. In werkelijkheid ging het om het joodse echtpaar Maurice en Sara Dukker-Kleerekoper.
De onderduikperiode van Freddy Dukker zou in zijn verdere leven een doorslaggevende rol spelen. Dat blijkt uit zijn boek ‘Scheefgegroeid’, dat uitgeverij Aspekt in 2010 heeft uitgebracht. De samenvatting op Bol.com: ‘‘Scheefgegroeid’ is het verhaal van Ben Rups, een kleine wat ongelukkig gebouwde man, die zijn hele leven op zoek blijft naar zijn ware identiteit. Hij wijt alles wat in zijn bestaan is misgegaan aan de Tweede Wereldoorlog. Of dat terecht is, valt te bezien. Op aanraden van zijn therapeute schrijft hij voor haar een aantal scènes uit zijn leven op, zowel uit de oorlog als daarna. Regelmatig werd hij geconfronteerd met antisemitisme, in zijn jeugd op christelijke en openbare scholen, maar ook als volwassene. Het christendom spreekt hem niet aan, het jodendom evenmin. Jarenlang loopt hij rond met zelfhaat. Tegen zijn therapeute zegt hij: ‘Ik moest mijn identiteit niet slechts vijf jaar verbergen, maar ook in de decennia daarna’. De verschillende episodes spelen zich af in Zandvoort, Amsterdam, Zeist en Haarlem. Scheefgegroeid is het aangrijpende verhaal van de ontwrichtende werking van een oorlog, welke nog dagelijks doorsijpelt in het bestaan van de hoofdpersoon.’
In werkelijkheid raadpleegde Fred Dukker in zijn latere leven geen therapeut, maar voor deze beschrijving wordt wel uitgegaan van details in het boek, voor zo ver ze wèl autobiografisch lijken en grotendeels bevestigd en aangevuld worden door andere bronnen.
Toen de oorlog uitbrak, probeerde het gezin Dukker-Kleerekoper met de grootouders per boot te vluchten naar Engeland, via IJmuiden, maar zoals zo velen slaagden ze er niet in om met de auto de kust te bereiken. Ze keerden terug naar Zandvoort, maar moesten tijdens de bezetting verhuizen naar Amsterdam. Daar bezocht Freddy, zolang het kon, de joodse school in de Lepelstraat. In zijn boek schrijft hij dat hij op weg naar school vaak werd lastig gevallen door een NSB-tweeling: ‘Jood, vuile Jood, breek je poot en val hartstikke dood.’
Freddy’s vader Maurice Dukker (grossier) werd al op 24 juni 1942 in Amsterdam gearresteerd en naar Kamp Westerbork overgebracht, vanwaar hij op 24 juli 1942 verder gedeporteerd werd naar Auschwitz. Op 18 augustus werd hij daar vermoord. Ook zijn zusters en broers zouden vermoord worden. Dat zou echter pas na de bevrijding bekend worden.
Toen de oproepen voor deportatie voor zijn vrouw en kinderen (1935, 1937) nog diezelfde zomer kwamen, werden Freddy, zijn moeder en zijn zusje per trein en tram weggebracht uit Amsterdam. Volgens een latere verklaring van Freddy Dukker gedaan door een niet-joodse zwager en tevens zakenrelatie van vader Maurice Dukker, maar volgens een Yad Vashem-verklaring was Klaas Imthorn uit Noordwijk hun helper. Na aankomst op station Utrecht stapten ze gevieren in een coupe van een groenkleurige tram, die in de beleving van Freddy Dukker ‘wel 100 keer’ leek te stoppen.
Het einddoel bleek Zeist te zijn. Dat had te maken met het feit dat Betsy Dotsch-Kleerekoper, de enige zuster van Sara Dukker-Kleerekoper, met haar gezin vanaf augustus 1942 ongeveer zeven maanden ondergedoken zat bij Klaas en Nel Imthorn-Roskam in Noordwijk. Daar hadden ze het echtpaar Samsom-de Boer uit Zeist leren kennen, dat een zomerhuisje bezat naast de woning van de Imthorns en waar ze op later op Homeruslaan 18 bij zouden mogen onderduiken. Het ligt voor de hand dat het echtpaar Dotsch-Kleerekoper aan het echtpaar Samsom-de Boer gevraagd had om onderduikmogelijkheden voor hun (schoon)zuster en haar beide kinderen.
Eenmaal aangekomen in Zeist waren Sara Dukker-Kleerekoper en haar kinderen naar een stille laan gelopen, naar een huis zoals ze zelf ooit in Zandvoort hadden bewoond. Ze moesten een paar dagen blijven bij een mevrouw met een Duits accent.
Na een paar dagen werd Freddy Dukker daar opgehaald door een jonge vrouw die hem vertelde dat ze Nel Schmidt heette (‘Nel de Smid’ in het boek) en dat hij in haar ouderlijk huis kwam logeren. Dat zou duren tot het einde van de oorlog (waarschijnlijk zou die over een aantal maanden voorbij zijn). Zijn moeder en zusje zouden om veiligheidsredenen elk naar een ander adres gebracht worden. Freddy kwam vervolgens terecht in het nog grotere Boulevard 11, waar hij hartelijk verwelkomd werd door de vrouw des huizes, de 49-jarige Aagje Schmidt-Vethaak. Haar echtgenoot zag hij pas tegen het avondeten: ‘Ik hoop dat je je hier thuis zult voelen … Vanaf morgen krijg je privéles van ons. Je kunt natuurlijk niet al die tijd zonder school. Alles is in huis, leerboekjes en schriften.’ Willem Schmidt had in Nederlands Indië met een collega zelf lesmateriaal gemaakt.
Onderduikertje Freddy kreeg een eigen slaapkamer, boven op de grote zolder. Dat vond hij wel spannend. De toen 18-jarige dochter Nel Schmidt zou zich gedurende de onderduikperiode om hem bekommeren. Freddy Dukker was terechtgekomen bij een gezin dat principieel voor verzet tegen de bezetter stond.
Onderduikgever Willem Schmidt senior was geboren in 1889 in de Ommelanderwijk in Veendam. Zijn vader was keuterboer. Zijn twee jongere zusters en een jongere broer hadden dat spoor gevolgd, maar oudste zoon Willem had andere ambities gehad. Omdat studeren aan een universiteit er voor hem niet ingezeten had, was hij naar de kweekschool gegaan. Gedurende een korte periode als onderwijzer in Zaandam had hij een relatie gekregen met Aagje Vethaak. In 1913 waren ze getrouwd en naar Nederlands-Indië vertrokken. In de tropen had ‘Rooie Willem, zoals Schmidt in de familie wel eens werd genoemd vanwege zijn socialisme (SDAP), zijn ambities ten volle kunnen ontplooien. Na betrekkingen als onderwijzer en schoolhoofd was hij benoemd tot algemeen of hoofdinspecteur van het kleuter-, lager-, MULO- en kweekschoolonderwijs. Toen hun zes kinderen de leeftijd hadden bereikt, waarop ze konden gaan studeren, had het echtpaar Schmidt-Vethaak besloten om terug te keren naar Nederland. De pensionkosten zouden namelijk niet op te brengen zijn. Willem Schmidt was met vervroegd pensioen gegaan. Tijdelijk, niet met de bedoeling om in Nederland te blijven. De Duitse bezetting had echter roet in het eten gegooid.
Het gezin was medio oktober 1938 in Huis ter Heide gaan wonen op Van Ostadelaan 4 (tijdens de bezetting een bijzondere onderduikwoning) en had medio oktober 1939 de woning op Boulevard 11 betrokken.
Willem Schmidt was een vrij kleine man met een krachtige uitstraling – ‘er kwam met hem wel iemand binnen’ – die een sociaal hart koppelde aan een autoritaire instelling. Dat laatste kwam bijvoorbeeld tot uiting in het thuisonderwijs aan zijn onderduikertje, dat aanvankelijk soepel verliep, maar uiteindelijk toch gekleurd werd door ongeduld en irritatie. Althans volgens Freddy Dukker in ‘Scheefgegroeid’, waarin ‘de heer De Smidt’ als volgt wordt geciteerd: ‘Nee mijn jongen, hoe vaak moet ik je nog vertellen hoe je een staartdeling maakt. Je leert het nooit. Misschien dat je van een draai om je oren wakker wordt. Ik heb geen tijd om de hele dag aan een huilend jongetje steeds dezelfde sommen te moeten uitleggen.’
Huize Schmidt-Vethaak kende een harmonieus regime. Willem Schmidt was in Zeist actief in de buitenwereld. Voor hem was de woning – op zijn studeerkamer na – het domein van zijn echtgenote en hij vond alles best wat zij daar besliste. Aagje Schmidt-Vethaak was de stille kracht in Boulevard 11, waar het vaak de zoete inval was. De zes kinderen van de onderduikgevers woonden nog thuis en er zou regelmatig aanvulling komen van familieleden die even naar een andere plek moesten.
Of ander bezoek. Annemiek Bal schrijft in haar boek ‘Het Zeister verzet, De geschiedenis van Zeist in bezettingstijd’, dat de verzetsorganisatie Raad van Verzet haar vergaderingen op Boulevard 11 hield. Er werden soms ook even geallieerde piloten verborgen en twee joodse onderduikers.
Zoals Freddy Dukker. Freddy ging door voor een Rotterdams evacueetje. Tegen zijn onderduikgevers moest hij oom en tante zeggen, om te voorkomen dat hij ze meneer en mevrouw zou noemen. Zijn ‘mefrau’ zou zijn Amsterdamse accent meteen verraden. Hem werd heel sterk duidelijk gemaakt dat hij in geen geval aan iemand mocht vertellen dat hij joods was. Daarop vroeg het jongetje of hij het dan wel aan Dikkie de poes mocht vertellen. Dat mocht. Het onderduikleven had zware impact op Freddy Dukker. Het jongetje worstelde met de nodige angsten en nachtmerries. Hij ontwikkelde na verloop van tijd zelfs dwanggedrag (alles moest twee keer). Alleen voor een gang naar de kapper kwam hij buiten de deur, maar daar mocht hij dan geen woord zeggen. Wel kwam af en toe zijn zusje op bezoek, dat ook in Zeist was ondergedoken.
Het zal in de loop van 1943 zijn geweest, toen de uit Amersfoort afkomstige Frieda (Elfriede) Hertz-Wolff en haar echtgenoot Max Hertz naar een onderduikplaats in Zeist zochten.
Het kinderloze echtpaar was in 1933 gevlucht uit Duitsland, op initiatief van Frieda Hertz-Wolff. Ze had geprobeerd andere familieleden te overtuigen om ook te vluchten. Uiteindelijk waren alleen haar schoonouders Alex en Berta Hertz-Blech naar Nederland gekomen. Ze hadden zich gevestigd in Haarlem en omstreken.
Frieda Hertz-Wolff was in 1937 teruggegaan om een 3-jarig meisje uit een kindertehuis te halen, dat zij en haar echtgenoot adopteerden als Eveline Hertz (Frankfurt am Main, 17 februari 1934). Niet bekend was waarom zij juist dat meisje ophaalde, en welke formaliteiten daarmee gemoeid waren, maar daar was in die jaren wel moed voor nodig.
Op zaterdag 4 maart 1939 had het echtpaar Hertz-Wolff op Grote Houtstraat 14 in Haarlem de winkel Nouveauté in damesstoffen geopend.
Ook hun (schoon)ouders Hertz-Blech waren daar na de Duitse inval komen wonen, vanuit Bloemendaal. Van de bezetter moesten ze weg uit de kuststrook, waarna ze naar Amersfoort, waren verhuisd. Daar woonden de echtparen Hertz-Wolff (Fahrenheitstraat 40) en hun Hertz-Blech (Celsiusstraat 22) in elkaars nabijheid.
Het echtpaar Hertz-Blech werd op 29 maart 1943 binnengebracht in Kamp Westerbork. Vandaar werden ze medio januari 1944 gedeporteerd naar Theresienstadt en eind oktober van dat jaar naar Auschwitz, waar ze vermoord werden.
Het gezin van hun zoon Max dook onder. Het echtpaar Hertz-Wolff in Zeist en dochtertje Eveline (1934) in Zeist of omgeving. Op enig moment was het echtpaar kennelijk verteld dat ze waarschijnlijk terecht konden op Boulevard 11 in Zeist. Elfriede Hertz-Wolff was naar het adres gegaan, maar durfde er pas aan te bellen nadat ze een paar keer heen en weer was gelopen voor het hek. Dat was kennelijk opgemerkt en begrepen. Toen ze aanbelde, ging de deur open en mocht ze naar binnen komen, zonder dat ze iets hoefde te vragen. Hoe lang ze bleef, en waar dochtertje Eveline werd ondergebracht, is niet bekend.
Op een avond had Freddy Dukker gezien dat Willem) Schmidt junior (Apeldoorn, 19 november 1921) thuiskwam met twee mannen die een vreemde taal spraken. Later begreep hij dat het Engelse piloten waren geweest.
Op de tijdens een verlofperiode in Nederland geboren Willem Schmidt junior na, waren de kinderen in Djokjakarta op Nederlands Indië ter wereld gekomen. Medicijnenstudent Willem, roepnaam Wim, was een verzetsman van het eerste uur. Hem was rechtvaardigheid met de paplepel bijgebracht, net als bij zijn nabij wonende vriend Piet Coumou. Beiden hadden meegewerkt aan de distributie van het illegale blad Trouw, en ook meegewerkt aan gewapende acties, zoals een poging om een gevaarlijke NSB-politieman te liquideren en een poging om een aantal ondergedoken joodse kinderen te bevrijden. Beide acties hadden niet het beoogde resultaat gehad, maar wel aangetoond dat er op Wim Schmidt (en zijn vriend Piet Coumou) gerekend kon worden.
Het was in huize Schmidt-Vethaak geen vraag of de voor studenten verplichte loyaliteitsverklaring getekend kon worden. In geen geval. Nadat Wim Schmidt geweigerd had te tekenen, had hij in de zomer van 1943 van zijn ouders geld gekregen om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Door bemiddeling van zijn vroegere onderwijzer Anton Lingeman had hij een vals persoonsbewijs bemachtigd. Daarmee was hij voor enkele weken naar Frankrijk uitgeweken.
Na thuiskomst had Wim Schmidt enkele weken gezworven langs zijn ouderlijk huis en andere adressen. Maar op zeker moment had de politieman hem benaderd, die hem het valse paspoort had verschaft. De man was komen vragen of hij geallieerd vliegtuigpersoneel over de grens wilde brengen. Wim Schmidt was daartoe bereid en vanaf begin oktober 1943 tot 15 november 1943 had hij een belangrijke rol vervuld in de organisatie voor pilotenhulp. Soms nam hij geallieerd vliegtuigpersoneel dus ook mee naar huis in Zeist en in die luttele vijf weken tot hij verraden was, zou hij 50 mannen de grens over hebben gebracht. Toen werd hij na verraad op 15 november 1943 gegrepen in België, terwijl hij weer geallieerd vliegtuigpersoneel wegbracht. Toen het bericht van zijn arrestatie doorkwam op Boulevard 11 in Zeist vielen er tranen.
Omdat nu huiszoeking verwacht kon worden, moest Freddy Dukker tijdelijk naar een andere onderduikplaats, een boerderij in de buurt. Bij de gereformeerde boerenfamilie had hij het niet gemakkelijk. Op 2 januari 1944 werd hij weer opgehaald door Nel Schmidt. De kust was weer veilig en Freddy mocht terug komen op Boulevard 11.
Wim Schmidt werd overgebracht naar de gevangenis van St. Gilles te Brussel. Op 18 februari 1944 kwam hij met acht anderen voor een Duitse militaire rechtbank in Brussel, op verdenking van samenwerking met de vijand – de militaire rechtbank ging uit van 20 bewezen gevallen – en spionage. Tijdens de rechtszitting bleef de toch jonge Wim Schmidt voor zijn principes staan. Hij verklaarde ronduit dat hij tegen het nationaalsocialisme was en dat hij het zijn plicht vond om de tegenstanders te steunen. De rechtbank veroordeelde hem ter dood. Het gezin Schmidt-Vethaak diende een gratieverzoek in, dat verworpen zou worden.
Zelf schreef Wim Schmidt naar huis, dat zijn lot in Gods hand was en dat men zich geen zorgen om hem moest maken.
‘Beste Allemaal,
Eindelijk mag ik schrijven. Het heeft lang geduurd dat ik eens wat van me mag laten horen. Jullie zijn natuurlijk zeer benieuwd. Ik maak het, dank zij Gods genadig raadsbesluit uitstekend. Mijn gezondheid is prima, evenals mijn geestelijke toestand. Ik heb in de gevangenis veel geleerd. Bovenal heb ik God gevonden. Ik geloof, dat ik mag zeggen: voorgoed. Mijn Bijbel is mij tot zeer grote troost geworden. Op het ogenblik bezit ik er geen, maar hoop er weer weldra een overhandigd te krijgen.
Hoe gaat het thuis? Allemaal gezond en wel? Hoe is het met moeder? Heeft zij het nieuws, dat ik gevangen was genomen, goed opgenomen of er nog al veel last van gehad? Moeder, pieker maar niet te veel. Ik ben gezond en bovendien troost u met de gedachte, dat ik veilig ben onder Gods hoede en dat waar ik ook ben, Hij mij ziet en mij bewaart. Deze wetenschap is mij groter geworden dan de wetenschap dat ik mijn vrijheid kwijt ben. In het begin voelde ik dit laatste zeer erg, maar dat was spoedig over, toen ik dat andere besefte. Dat wat er ook gebeurde God met mij was en dat Hij de wereld regeert, dat zonder Zijn wil niets gebeurt. Met deze troost zal en kan ik alles dragen. Gij thuis, dankt God vuriglijk dat ik dit in het vervolg zal mogen leren inzien.
De brief is vol. Meer kan ik niet schrijven dan deze twee kantjes. De hartelijke groeten aan alle bekenden. Bid maar veel voor mij. Ik doe het ook voor jullie. Gode zeer bevolen.
Wim’
In maart 1944 werd Boulevard 11 gevorderd door de bezetter. Vanuit de gemeente werd geregeld dat het hele gezin Schmidt-Vethaak kon verhuizen naar Kroostweg 11 (anno 2024 33), Huize Nijenheim van de 86-jarige freule Henriette Josina Grothe (Zeist, 2 februari 1858 – Zeist, 14 oktober 1955). Freddy Dukker verhuisde mee. Het grote, vrijstaande pand bood veel ruimte. Terwijl ze daar zaten, haalden ze ook het joodse echtpaar Polak-Weissmann in huis. Dat echtpaar was de onderduik begonnen in 1942 op 2e Dorpsstraat 32b, maar was intussen elders in Zeist en in Utrecht ondergedoken geweest. Ze zouden de laatste maanden van de bezetting doorbrengen in Huize Nijenheim op Kroostweg 11.
Volgens Het Zeister verzet hield de Raad van Verzet voortaan haar vergaderingen in het nieuwe onderkomen van het echtpaar Schmidt-Vethaak Kroostweg 11, ondanks de aanwezigheid van een ‘Wehrmachtshelferin’ die ook ingekwartierd was in Huize Nijenheim. Ook doken de echtgenote en zoon van de gearresteerde en later gefusilleerde verzetsman Joop Meijer ook nog onder in Nijenheim.
Na terugkomst op Boulevard 11, twee jaar na hun vertrek aldaar, zouden Willem Schmidt en zijn echtgenote hun meubilair her en der terug moeten halen.
Tijdens Pasen (begin april) 1945 ontving het gezin het tragisch bericht dat zoon en broer Wim op 5 januari 1945 met tien andere verzetsstrijders gefusilleerd zou zijn in Berlijn.
Freddy Dukker zag dat het onderduikgezin opnieuw in tranen was, maar het waarom werd hem op dat moment niet duidelijk.
Freddy kon tot de bevrijding bij het gezin Schmidt op Kroostweg 11 blijven. Met Nel Schmidt ging hij naar de intocht van de Canadezen kijken. Al die tijd was hij gescheiden van zijn moeder, maar op die Bevrijdingsdag werd hij herenigd met haar. Het werd een warm weerzien, en samen haalden ze zijn zusje op.
Frieda Hertz-Wolff bleef niet tot de bevrijding bij het gezin Schmidt-Vethaak, maar overleefde de bezetting eveneens, waarna ze herenigd werd met Max Wolff en dochtertje Eveline. Ze vestigden zich in Aerdenhout, zetten hun gerenommeerde winkel Nouveauté voort en adopteerden nog een in 1947 geboren jongetje.
Er zouden altijd goede contacten blijven tussen onderduikgevers en onderduikers. In 1984 zou het feest ter gelegenheid van de 60e verjaardag van Nel Schmidt bijvoorbeeld bijgewoond worden door Sara Dukker-Kleerekoper, haar kinderen en hun partners.
Op 20 november 1945 trad een nieuw gemeentebestuur aan in Zeist. De Zeister Post plaatste op 24 november op de voorpagina korte beschrijvingen van de vier wethouders. Die beschrijvingen waren verhullend wat betreft twee wethouders en dat had een tragische reden. Beiden hadden een zoon verloren tijdens de bezetting.
Freddy Dijkema, de 18-jarige zoon van wethouder Klaas Dijkema, was gefusilleerd door illegaal werkers, omdat hij verraad was gaan plegen uit angst voor de dreigende Arbeitseinsatz. Behalve vier joodse onderduikers in Zeist waren verzetsmensen door zijn toedoen gearresteerd, gedeporteerd en vermoord. De beschrijving van de nieuwe wethouder Dijkema eindigt met: ‘Naar vermogen meegewerkt aan het verzet tegen de Duitsche terreur, o.a. door het verbergen van Joden.’, ongetwijfeld ter compensatie van het in verzetskringen bekende verraad door zijn zoon.
In de beschrijving van wethouder Willem Schmidt daarentegen geen woord over de bezetting, Wim junior en de hulp aan joodse onderduikers en geallieerd vliegtuigpersoneel. Dat was in overeenstemming met de gang van zaken op Boulevard 11, waar na de bevrijding weinig meer over de oorlog werd gesproken. ‘Daar sprak je niet over, dat deed je.’ (Ook het Verzetsherdenkingskruis hoefde later niet voor de Schmidts.)
Misschien vatte het gezin Schmidt-Vethaak toch weer een sprankje hoop, toen officiële bevestiging van de executie van Wim uitbleef. Die hoop werd definitief de bodem ingeslagen met een brief van 4 oktober 1947 van het Nederlandse Rode Kruis:
“… Tot mijn leedverwezen rust ons de plicht u mede te deelen, zij het wellicht ten overvloede, dat bij mijn bureau via het Nederlandsche Roode Kruis te Berlijn het officieele overlijdensbericht is binnengekomen van Willem Schmidt, geboren 19 november 1921 te Apeldoorn. Het verscheiden heeft plaatsgevonden op 5 januari 1945 te Sonnenburg door de S.S. gefusilleerd…”
Op 13 oktober 1947 plaatsten Willem en Aagje Schmidt-Vethaak in Trouw een korte overlijdensadvertentie:
‘Na langen tijd in onzekerheid te hebben verkeerd, ontvingen wij heden het bericht, dat onze lieve Zoon en Broeder Willem Schmidt in den leeftijd van 23 jaar op 5 Januari 1945 te Sonnenburg door de S.S. is gefusilleerd.’
De verdienste van Wim Schmidt voor zijn pilotenhulp werd door Amerika erkend door de postume toekenning van de Medal of Freedom, op 12 maart 1947. De gemeente Zeist noteerde overigens in 1948 als overlijdensdatum niet 5, maar 31, januari 1945 in Berlijn. Die datum zou later overgenomen worden door de Oorlogsgravenstichting.
Op 20 oktober 1952 kwam in Zeist de Willem Schmidtlaan.
Willem Schmidt senior had zich toen al een actieve en gezaghebbende politicus betoond, in eerste instantie voor Gemeentebelangen en later voor de Partij van de Arbeid. Hij werd in Zeist wethouder en locoburgemeester, en kwam zelfs op de lijst voor de Tweede Kamer. Hij hield voordrachten over internationale ontwikkelingen en had uitgesproken meningen over gevoelige kwesties, zoals over de kwestie West-Irian.
Schmidt was in de loop van 1945 al toegetreden tot het bestuur van de Zeister Vereniging van Oud-Illegale Werkers, en trad later toe tot het bestuur van de Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland. Tot medio jaren zestig was hij vice-voorzitter van die Raad en later erevoorzitter. In die hoedanigheid was hij ook betrokken bij het nieuwe Oorlogsmuseum in Overloon.
Na de dood van zijn Aagje maakte Willem Schmidt tegen zijn 80e nog verre reizen. Hij bezocht zijn in Australië woonachtige zoon en samen met zijn vriend Dingeman Coumou ging hij naar Israël om daar bomen te planten. Willem Schmidt overleed in 1973.
Anno 2023 hangt de familienaam Schmidt in het nageslacht van het echtpaar Schmidt-Vethaak nog maar aan een dun draadje: er is slechts één kleinzoon, William Schmidt.
De voormalige onderduikster Sara Dukker-Kleerekoper bleef na de bevrijding met haar kinderen aanvankelijk in Zeist wonen. Tijdens de bezetting was zij in het Zeister bevolkingsregister geregistreerd als ‘Sientje Dukker-Klaassen’, eveneens met juiste geboortegegevens en het juiste Amsterdamse adres. Waar haar dochtertje was ondergedoken, is niet bekend[1] , maar haar eigen onderduik zou volgens die valse registratie verlopen zijn via de adressen Geestweg 17 in Naaldwijk (2 maart 1942), eveneens Donkerelaan 12 in Zeist (6 maart 1943) naar Lyceumlaan 23 (10 mei 1944). Wat hiervan juist is? Zie onder Lyceumlaan 23.
Na de bevrijding spande zij zich in om meer te weten te komen over het lot van haar echtgenoot. In krantenadvertenties op 13 juli 1945 (De Nieuwe dag), 15 augustus 1945 (De Waarheid) en 11 januari 1946 (Algemeen Handelsblad) vroeg zij of iemand haar daarover iets kon vertellen. Na zijn arrestatie had ze niets meer over hem vernomen. Ze verbleef tot dan toe op Jacob Catslaan 40, maar vestigde zich eind oktober 1947 met haar kinderen op Nepveulaan 90.
Freddy Dukker zat in Zeist op school en werkte zelfs een tijdje bij de Zeister Nieuwsbode. Met het goed geschreven boek ‘Scheefgegroeid’ bevestigde hij niet alleen dat de onderduikperiode traumatiserend was, maar dat antisemitisme in de naoorlogse tijd al weer een probleem was, ook in Zeist.
Zijn moeder had tijdens haar onderduikperiode in een Zeister instelling gewerkt, en probeerde na de bevrijding met resterend magazijnmateriaal van de zaak van haar echtgenoot haar brood te verdienen. Dat lukte niet. In maart 1951 werd ze failliet verklaard, waarna het gezin vertrok uit Zeist. Er bleef contact met de voormalige onderduikgevers op Boulevard 11. Sara Dukker-Kleerekoper overleed in 1993, haar zoon Freddy in 2019.
Het echtpaar Noach en Tilly Polak-Weissmann emigreerde begin jaren vijftig naar Zuid-Afrika, waar Polak werk gevonden had. Hij overleed in 1957, op de leeftijd van 58 jaar. Zijn echtgenote hertrouwde en overleed in 1985 als de weduwe Muller-Weissmann.
Bronnen:
- Mededelingen van Marianne de Vries, Monique Dukker en William Schmidt
- Yad Vashem-verklaringen voor Henk en Alie Imthorn-Barnhoorn (onderscheiding op 3 december 1981) en Klaas en Nel Imthorn-Roskam (26 november 1982)
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Freddy Dukker’ (twee valse registraties) en ‘Sientje Klaassen’; oud bevolkingsarchief
- Zie het bewezen onderduikadres Slotlaan 8
- Fred Dukker, ‘Scheefgegroeid’, Aspekt, 2010
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Maurice Dukker, Sara Dukker-Kleerekoper en Fred Dukker; politierapporten 1940-1945, M. Dukker
- NIOD, 094f Collectie dossiers afkomstig uit de archieven van de Omnia-Treuhandgesellschaft m.b.H., de Deutsche Revisions- und Treuhand A.G. (Zweigniederlassung Den Haag) en de Wirtschaftsprüfstelle
- Zie het bewezen onderduikadres Wilhelminalaan 73, over de overval door Wim Schmidt junior en Piet Coumou
- www.geheugenvanzeist.nl, Willem Schmidt verzetsstrijder
- airforceescape.org/wp-content/uploads/2017/02/Ambach-trial-record.pdf
- www.geheugenvanzeist.nl/articles/meijer-oorlogsverhalen/, huisvesting op Kroostweg 33
- www.vizualism.nl/van-rijkom-zeister-verzet/, idem
- Annemiek Bal, ‘Het Zeister verzet, de geschiedenis van Zeist in bezettingstijd’, Historische Uitgeverij Rotterdam, 1999, 97
- Zie het bewezen onderduikadres Tweede Dorpsstraat 32b, over het echtpaar Polak-Weissmann
- Henk Groenendijk, ‘Een jubileumpenning van de Bijenkorf, Den Haag 1936, En de geschiedenis van zijn ontvanger’, concept-artikel, juni 2024, over het echtpaar Polak-Weissmann
- Nationaal Archief, Archief Nederlandse Rode Kruis (NRK), Europese persoonsdossiers, toegang 2.19.288, inventarisnummer 170119, dossier 182726
- Nationaal Archief, Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-uitkeringen (CADSU), toegangsnummer 2.08.46, inventarisnummer 1538, dossier 319.273, CADSU-aanvraag Tilly Muller-Weissmann
- [1] Omdat betrokkene bezwaar heeft tegen de openbaarmaking van overleden personen voor herdenkingsdoeleinden, worden haar gegevens niet vermeld.
1. Boulevard 11
3. Valse registratie van Freddy Dukker in Zeist
4. De cover van ‘Scheefgegroeid’ van het boek van Fred Dukker.
5. Nellie Schmidt op 9 mei 1941 (met een onbekend kind)
6. Verlovingsfoto van Willem Schmidt en Aagje Vethaak
7. Boulevard 11 in vroeger tijden
8. De poes Dicky in augustus 1940
9. Advertentie in de Nieuwe Haarlemsche courant van 4 maart 1939
10. Willem Schmidt junior
11. Kroostweg 33 (vroeger 11) tegenwoordig
12. Het echtpaar Schmidt-Vethaak met Sara Dukker-Kleerekoper en haar kinderen
13. De overlijdensadvertentie voor Willem Schmidt junior
14. Het echtpaar Schmidt-Vetrhaak rond 1966
15. Het graf van het echtpaar Schmidt-Vethaak op de Zeister begraafplaats Bosrust
16. Oproep in het Algemeen Handelsblad van 16 januari 1946 om informatie over Maurice Dukker
17. Noach Polak















