Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Supplement, pagina’s 22-28)
Onderduikers:
- Abraham Querido, student medicijnen (Utrecht, 30 april 1911 – Utrecht, 13 oktober 1999)
- niet-joodse echtgenote Sophia Querido-Daamen (Heerlen, 17 mei 1915 – Utrecht, 22 januari 1980)
- Alphonse Isaäc Hertog, administratief medewerker NS (Meerssen, 16 november 1874 – Groningen, 24 augustus 1954)
- echtgenote Adelheid Hertog-Frank (Fürth, Duitsland, 11 juni 1879 – Groningen, 2 juni 1947)
Onderduikgevers:
- Albertus Jansen, administrateur van het Gero-pensioenfonds (Zeist, 16 januari 1906 – Zeist, 5 augustus 1971)
- echtgenote Helena Petronella Jacoba Jansen-Bennik (Amsterdam, 1 augustus 1901 – Zeist, 22 augustus 1987)
Kinderen (1931, 1936)
Piet Jansen las in het regiokatern van zijn dagblad over de verschijning van het boek ‘Dan komen angst en wanhoop aangeslopen’. Hij trok meteen aan de bel om een nieuw onderduikadres door te geven, Bothalaan 23. Zijn ouders Albertus en Helena Jansen-Bennik hadden daar onderduik gegeven aan joodse mensen. Het contact met Piet Jansen en zijn zuster Riet van Dooyeweert-Jansen leverde weer een bijzondere onderduikgeschiedenis op.
Zeistenaar Albertus Jansen was zijn hele werkzame leven administrateur van het Gero-pensioenfonds. Hij was van geloof aanvankelijk gereformeerd en later vrij evangelisch. Dat liet zich niet goed verenigen met zondagvoetbal. Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon en hij werd keeper in het eerste van de voetbalvereniging Zeist. Wel waakte hij er angstvallig voor dat zijn naam niet in verslagen kwam: ‘N.N.’. Later speelde zoon Piet rechtsbuiten in het eerste van Zeist. Vader Albertus, toen inmiddels ouderling, fietste op wedstrijddagen naar het Zeist-veld op de Koeburg en bekeek de wedstrijd vanachter de omheining, staande op het zadel van zijn fiets.
Was het voetbal dat de joodse Utrechter Bram Querido en zijn vrouw Fien Querido-Daamen tijdens de bezetting in onderduik op Bothalaan 23 bracht? Bram Querido was student medicijnen maar ook voetbalgek. Naar verluidt, zou hij zichzelf een aardige middenvoor gevonden hebben. Behalve een grote huisartsenpraktijk in Wijk C (4.000 patiënten) werd Querido vanaf de jaren zestig sportarts – ringarts bij het boksen, en vooral clubarts van DOS en FC Utrecht. De arts was met 1.54 meter een kleine man. Als hij kwam helpen met een bevalling, was een vaak gehoorde grap: ‘Het kleintje is er al.’ Volgens zijn zoons was ijdelheid een kenmerkende eigenschap van Querido. Dat zou hem aan het einde van de oorlog bijna noodlottig worden.
Strikt genomen, hoefde Bram Querido (nog) niet onder te duiken, maar hij nam blijkbaar het zekere voor het onzekere. Geschikt was hij echter niet voor het lastige onderduikleven. Op zijn onderduikadressen had hij naar zijn mening te weinig mogelijkheden om zich goed te kleden en te wassen. Daarvoor ging hij regelmatig naar het badhuis aan de Kanaalstraat in Utrecht. Onderduikgever Albertus Jansen vond dat te gevaarlijk en klaagde daarover tegen Bram Querido, waarna deze met zijn echtgenote vertrok. Ondanks indringende waarschuwingen bleef Querido over straat gaan. Op zeker moment zou hij op weg naar de Kanaalstraat opgepakt zijn – hij weigerde ook de Jodenster te dragen – en via de strafgevangenis in Scheveningen naar Kamp Westerbork zijn gebracht.
Dat was gelukkig in een laat stadium – half december 1944 – en Bram Querido overleefde de bezetting, maar werd geconfronteerd met de moord op zijn beide ouders, zuster en andere familieleden. Hij was inmiddels 34 jaar, maar werd door een bekende Utrechtse internist gestimuleerd om zijn studie medicijnen toch weer op te pakken. Bram Querido ontpopte zich vervolgens dus tot een prominente Utrechter.
Het kan ook zijn dat het echtpaar Querido-Daamen op Bothalaan 23 gebracht was door onderwijzers van de gereformeerde lagere Adriaanseschool, waar beide kinderen Jansen op zaten. Enkele onderwijzers waren betrokken bij illegaal werk.
Op 6 mei 1944 kreeg het echtpaar Jansen-Bennik twee nieuwe joodse onderduikers, in de personen van Alfons (Alphonse) en Adèle (Adelheid) Hertog-Frank. Dit echtpaar werd gebracht door een medewerker van de Zeister afdeling van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Alfons Hertog schreef na de bevrijding zelf een uitgebreid verslag van de gevaarlijke en deprimerende zwerftocht langs onderduikadressen. Kleinzoon Frits Grunewald stelde het voor dit supplement ter beschikking. Een beter beeld van de marteltocht van veel joodse onderduikers zal niet gauw gevonden worden en daarom krijgt Hertogs verslag veel aandacht in dit supplement.
Het begon voor het echtpaar Hertog-Frank op 7 oktober 1942. Alfons Hertog was bijna 68 jaar en zijn echtgenote Adèle ruim 63 jaar. Hun gezin woonde op Bernouilliplein 36 in Groningen en bestond uit zoon Paul, die in september getrouwd was, maar voorlopig nog inwoonde, en een nog ongehuwde dochter Renie. Pauls goed lopende schoenenzaak was hem al ontnomen door van de bezetter. Eigenlijk had Paul Hertog in oktober 1942 voor dwangarbeid in een kamp in Bergentheim moeten zitten, maar hij was tijdelijk ziek thuis. Daardoor ontkwamen hij en zijn ouders in eerste instantie aan het noodlot.
In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden de meeste werkkampen omsingeld door de Ordnungspolizei. De volgende ochtend werden de joodse dwangarbeiders onder bewaking van dezelfde politie te voet, per vrachtauto of per trein naar Kamp Westerbork gebracht, waar ze herenigd werden met hun gezinnen. Vervolgens werden ze gedeporteerd. Dat de meeste van die ongelukkigen binnen veertien dagen vermoord werden, was toen nog niet bekend, maar toen het gezin Hertog-Frank over de arrestaties en deportatie hoorde, sloeg de angst toe. Ze beseften dat ze vergeten waren en elk moment opgehaald konden worden:
‘Wij streken naar links en naar rechts onze voelhorens uit om ergens onder te duiken, echter zonder succes; de mensen waren TE bang voor de gevolgen, als de Moffen er achter zouden komen. Onze dochter had reeds een schuilplaats voor zich gevonden, waar ze nu nog is, en voor ons via een expediteur ter plaatse, was iemand gevonden, die bereid was ons op te nemen. Onze zoon werd door tussenkomst van een organisatie te Rotterdam ondergebracht.’
De potentiële onderduikgever, een gewezen beroeps onderofficier van de Nederlandse luchtmacht, woonde op circa 10 kilometer afstand van Groningen. Hij kwam op 6 oktober de condities bespreken en vroeg 500 gulden per persoon, vermoedelijk per maand. Uiteindelijk nam hij na overleg met zijn echtgenote genoegen met de helft. Op 7 oktober kwam de man het echtpaar Alfons en Adèle Hertog-Frank ’s avonds ophalen. Die hadden waardevolle bezittingen bij kennissen ondergebracht en namen twee handkoffers met gebruiksartikelen als kleren en schoenen mee:
‘Ik behoef U niet te vertellen, dat dit voor een vrouw een niet te beschrijven marteling was; een altijd goed onderhouden gehele huismeubileering: t.w. 2 kamers en suite, schilderijen, familieportretten, enz. enz. 3 slaapkamers, badkamer, kelder met alles waaraan een vrouw met hart en ziel hangt, zonder meer in den steek te laten is een hard gelag, maar het naakte leven is toch tenslotte meer waard.’
Het echtpaar zou nooit meer iets van hun huisraad terug zien.
Op hun eerste onderduikadres kregen ze goed te eten en te drinken. Adèle Hertog-Frank hielp mee in het huishouden en het echtpaar mocht zich vrij door het huis bewegen. Wel zachtjes vanwege de gehorigheid. Na enkele maanden moesten ze de hele dag op hun slaapkamer blijven, uit veiligheidsoverwegingen. Er kwam een eind aan deze onderduiksituatie, toen officieren zich moesten melden om opnieuw in krijgsgevangenschap te gaan. De onderduikgever besloot op 7 mei 1943 zelf onder te duiken en zijn onderduikers moesten uiterlijk op die dag weg zijn.
Alfons Hertog was een gepensioneerde spoorwegambtenaar en hij schreef een smeekbede aan een voormalige collega, met wie hij 35 jaar prettig had samengewerkt, waarvan 25 jaar als chef van de betrokkene. De collega woonde in een ruime ambtswoning die vrij geïsoleerd lag, maar hij durfde het tot zijn grote spijt niet aan. Hertog had zich ook gewend tot een andere oud-collega in U(trecht?). Omdat zijn onderduikgever er ook niet in slaagde iets anders te regelen, volgde Alfons Hertog het advies op van de eerder genoemde Groningse expediteur, om alvast naar U(trecht?) te reizen. Hij gaf ook het adres van een goede vriend aldaar, naar zijn zeggen een joviale kerel, die vlakbij het station een sigarenwinkel had, kamers verhuurde en het joodse echtpaar op zijn aanbeveling zonder twijfel zou willen helpen.
Op 7 mei reisde het echtpaar, uiteraard zonder jodenster, in een trein die afgeladen met officieren was, langs streng bewaakte stations. Bij aankomst weigerde de joviale vriend verontwaardigd en resoluut elke hulp. Het echtpaar moest maar terugreizen naar Groningen, waar de expediteur hen maar moest verbergen in een van zijn grote loodsen:
‘We wisten nu niet wat te doen; vooral de vrouwelijke helft verloor de moed, sprak al van een aangifte bij de politie, van verdrinken, enz. en zo stonden we op het trottoir, toen opeens iemand van zijn fiets sprong en op ons afvloog. Wij schrokken niet slecht. “Wel, dat is sterk”, zei de man. “Mijn vrouw en ik hebben ons zo dikwijls afgevraagd: wat mag er van de familie Hertog terecht zijn gekomen?, en nu zie ik daar een stel staan, dat mij aan die familie herinnerde en waarachtig het zijn ze.” (…) hè, wat is er aan de hand, waarvoor die tranen en treurige gezichten?”’
De man liet hen naar zijn woning komen en de nabij wonende oud-collega kwam ook langs. De volgende middag bracht deze laatste de boodschap dat de beoogde twee plaatsen in T (?) al bezet waren, maar een andere oud-collega (beider chef) zou contact opnemen met een elders wonende chauffeur die uitkomst zou kunnen bieden. De oud-collega had wel een jodenhelpster in B. bereid gevonden om het echtpaar tijdelijk – en gratis – op te nemen op een kamertje dat verder vrij moest blijven voor een boezemvriend van haar man. Dit voor het geval deze vriend, ook joods, in gevaar zou komen.
Helaas bleek de chauffeur een geldwolf. Zelf kon hij geen onderduik bieden, maar voor 2.500 gulden wilde hij wel een onderduikadres noemen. Toen dat bedrag niet haalbaar bleek, wilde hij ook wel met de helft genoegen nemen. De tijdelijke onderduikgeefster voorkwam de ‘deal’, uit vrees dat haar tijdelijke onderduikers in de val van oplichters terecht zou komen. De voormalige chef van Alfons Hertog en diens echtgenote wist daarop via-via een ander onderduikadres te vinden. De onderduikers zouden worden afgehaald door een uitgesproken joods type en die persoon zou hen naar de nieuwe verblijfplaats brengen. Bij de kennismaking vroeg de man of hij de persoonsbewijzen van het echtpaar mocht zien. Tot zijn grote schok stond daar nog de grote J op:
‘Hij kon zich niet denken, hoe iemand met zo’n verraderlijk teken riskeert per trein op reis te gaan. Wij hadden meer geluk dan verstand gehad, enz. Wij, die sedert ons van huis gaan met niemand contact hadden gehad, wisten niet eens dat men die “J” kon laten wegmaken. De man heeft er voor gezorgd en ons daarmee een grote dienst bewezen.’
Ze vertrokken met de man, na achterlating van een donatie aan een organisatie voor hulp aan joodse onderduikers en kwamen op 14 mei 1943 terecht in een dubbele woning in M (?), geïsoleerd gelegen in een bos aan een zijlaantje, dat dwars op een grotere laan stond. Het echtpaar Hertog-Frank kwam terecht in een uitgesproken arbeidersgezin, met drie kinderen in de leeftijden van 1-6 jaar. De heer des huizes werkte bij het bosbeheer:
‘Om een voorbeeld van de situatie te geven, zij meegedeeld, als vader van zijn werk thuis kwam, bezweet en nat, werd gegeten; de man waste zich niet; zelfs niet zijn vuile handen, de kinderen gingen met hun vorken in de schotel op tafel om er het eten uit te nemen en zo meer. De vuile luiers van de jongste werden in de zelfde pannen uitgewassen, waarin daarna gekookt resp. opgeschept werd. Zo iets waren we niet gewend, maar ook daar moesten we en kwamen we overheen; voedsel was er voldoende. Wel zij hier aangestipt, dat ons al heel spoedig bleek, dat we beland waren bij eenvoudige zeer hartelijke en medelijdende mensen. Toen de voedselnood eind April ’45 heel hoog was gestegen en wij ons tot hen wendden om steun, verleenden ze dien royaal, zoveel ze konden, en wilden zij er niet voor worden betaald.’
In de aanliggende woningen zaten twee joodse echtparen met elk een kind in de leeftijd van 14 respectievelijk 15 jaar, ondergedoken. De drie vrouwen gingen al gauw vriendschappelijk met elkaar om, maar de mannen waren daar te zenuwachtig en te bedreigd voor. Hun angst bleek terecht. Op 21 juli verschenen plotseling twee Duitse politiemannen in burger en een gewapende soldaat. Er was verraad in het spel. De joodse gezinnen bij de buren werden gearresteerd. De persoonsbewijzen van het echtpaar Hertog-Frank werden echter na zware controle in orde bevonden. Wel kreeg een van de overvallers het aan de stok met Adèle Hertog-Frank:
‘Hij vroeg haar preciese naam, geboorte datum en –plaats, om te controleren, of ze het duidelijk en goed wist, en toen hij zag, dat ze van Duitse afkomst was, viel hij tegen haar uit, dat hij zich niet kon voorstellen, dat een Duitse met Joden omging, dit was een schandaal, ze was dus geen goede Duitse enz. Mijn vrouw ging hier brutaal tegen in en schreeuwde met de hand op het hart uit, dat ze zich Goddank net zo goed Duits voelde als hij ook. Nog moest ze enige keren haar handtekening zetten en toen die klopte was hij tevreden en gaf het persoonsbewijs terug.’
De arrestanten werden afgevoerd en het diep geschokte echtpaar Hertog-Frank werd meteen ‘weggewerkt’. Dat wil zeggen, enkele dagen en nachten lagen deze oude mensen in huis in een gat onder de vloer en sommige dagen en nachten in de bossen totdat er een nieuwe schuilplaats voor gevonden was. Dat was het geval op 12 augustus 1943, toen het echtpaar in een open karretje, bespannen met een hitje, naar het polderdorpje Tienhoven werd gebracht. Ze mochten overnachten bij de prettige voerman die ze de volgende dag naar de nieuwe onderduikplaats bracht.
Het huishouden daar bestond uit een ‘zeer grote slungel van ongeveer 24 jaar’, zijn enkele jaren oudere vrouw en een kindje van nog geen jaar oud. Het was een slordig en lang niet zindelijk huishouden. Adèle Hertog-Frank stak daarom de flink de handen uit de mouwen. Ze kookte en besteedde de resterende tijd aan naaien, stoppen enzovoorts, zolang het licht dat ‘s avonds mogelijk maakte. Het huis lag aan een dwarsstraat, was een boerenwoning met genoeg ruimte, grote stal en schuur. In de schuur huisden een paar studenten die de Arbeitseinsatz ontliepen:
‘Zij hadden de schuur netjes geïnstalleerd, zelfs een kleed op de vloer, kookten hun eigen potje, werkten bij de boeren en zorgden voor voldoende melk en karnemelk voor allen. De huisbaas zelf was te lui om te werken, wilde niet eens zijn eigen aardappelen rooien, want die enkele mud was hem niet voldoende; dit neemt niet weg, dat er, toen wij kwamen, voldoende eten was, vooral vlees. Al vrij spoedig hoorden we, dat dit afkomstig was van een uit de buurt gestolen en geslacht schaap. De man was in zijn jeugd bij een tuinier werkzaam geweest, wat hem niet beviel op de duur, had daarna het chaufferen geleerd en, toen hij als chauffeur niet aan de slag kon komen, een jaar lang als vrijwilliger voor de NSKK dienst gedaan, eerst naar Frankrijk, daarna Rusland.’
Het is in deze fase dat de belevenissen van het echtpaar Hertog-Frank gingen overlappen met een verhaal in het boek. Zie Tulpstraat 5. Omstreeks half oktober 1943 kregen ze namelijk gezelschap van een bijzonder aardige, jonge joodse vrouw, waarvan de echtgenoot bij een bakker in Zeist werkte. Het ging hier om Lisa (Froukeline) van der Hoek-van Dam. Zij en haar echtgenoot boden het oudere joodse echtpaar ‘heel, heel veel hulp en steun’. Aäron van der Hoek kwam eenmaal per week, bracht dan brood en soms nog andere levensmiddelen mee, en bezorgde gratis levensmiddelen, waar tot dan toe altijd duur voor moest worden betaald. Er ontstond daar in Tienhoven (of Westbroek) dan ook een levenslange vriendschap tussen de onderduikers.
Aan dezelfde weg stonden nog enkele geïsoleerde woningen en vrijwel in elke woning huisden onderduikers, jongens die de Arbeitseinsatz wilden ontlopen, twee joodse echtparen, een jong joods meisje en een door de plaatselijke dominee aangebrachte, ongeveer 16-jarige joodse jongen. Er was een wachtdienst georganiseerd en bij onraad vluchtten de onderduikers ‘s nachts de polder in.
Het was ook half oktober 1943, dat de onderduikgever van het echtpaar Hertog-Frank een oproep kreeg voor de Arbeitseinsatz, maar ontkwam op het station. Er zou niet meer naar hem gezocht worden, maar de onderduiksituatie was nu minder veilig. Op kosten van de onderduikers richtte hij een hut in de polder in, enkele honderden meters van de weg. Daar overnachtten zijn drie onderduikers ‘s nachts:
‘Van dit verblijf een beschrijving geven is niet eenvoudig. Stel U voor, U ziet op een afstand een hooimijt, enkele meters hoog, gelegen in een moerassig weiland. We moesten ons direct flinke klompen kopen, om niet met natte voeten naar bed te moeten gaan en het mag een wonder heeten, dat geen van ons beiden er een ziekte of rheumatiek door heeft opgelopen. Bovendien mogen we van geluk spreken dat het een vrij zachte winter was. Het interieur van de keet was ons bed, een paar oude stoelen, een bed voor de jonge vrouw, een voor de jongen man en een divan voor den baas zelf. Het kon er geducht koud zijn en tochtig. Eenmaal zelfs bij stormweer woei ‘s nachts een gedeelte van het dak er af, meer behoef ik er dus niet van te vertellen, de rest moet U zich maar bijdenken.’
Enkele maanden later volgde een nieuw incident. Op een zaterdagavond bleef de onderduikgever lang weg, tot opwinding van zijn echtgenote. Toen hij eenmaal boven water kwam, verweet zij hem, dat men hun dochtertje later zou na roepen dat haar vader een dief was. De man bleek een flinke roeiboot gestolen te hebben, die hij de volgende dag van rood naar groen schilderde.
Naar aanleiding van dit incident – de politie kon langskomen – werd Lisa van der Hoek-van Dam weggehaald en door LO-medewerker Toon van de Kamp naar een broer en schoonzuster in zijn woonplaats Zeist gebracht, waardoor haar hartelijke gezelschap en flinke hulp verloren ging voor het echtpaar Hertog-Frank. Al gauw volgde een nieuwe dreiging. Op zaterdag 5 maart moest Alfons Hertog bij de buren komen, waar ambtenaar van het gemeentehuis zat. Die kwam vertellen dat er een anonieme brief was binnengekomen, waarin stond dat er in het huis van de buurman een joods kind werd verpleegd. Dat was niet zo, maar het was raadzaam voor het joodse echtpaar om te vertrekken. De brief zou zondagavond om tien uur doorgestuurd worden. Alfons Hertog maakte de man er op attent dat in drie nabijgelegen woningen vijf joodse onderduikers verbleven. De man bleek dat te weten en zou ook daar gaan waarschuwen.
De plaatselijke dominee werd gealarmeerd door de joodse jongen die door hem gebracht was. Die zou zijn best doen. Het was maart, koud, ruw weer, en toen het die zondagavond ongeveer acht uur geworden was, besloot het echtpaar Hertog-Frank toch maar de nacht in de ijzig koude polder door te brengen. Op het moment van vertrek kwam de dominee die ze door een vrouw naar een piepkleine arbeiderswoning liet brengen, waar ze konden overnachten. De volgende dag werden ze verder gebracht naar het onderduikadres in Vr (?). Dat verblijf duurde maar een paar dagen, in verband met een huis-aan-huis-controle op radio’s. Er werd meteen voor tien dagen uitgeweken naar de kleine arbeiderswoning en daarna ging het echtpaar in arren moede maar terug naar het onderduikadres in Tienhoven, waar ze samen met een ander oud echtpaar ondergebracht werden in de hut, uit veiligheidsoverwegingen voortaan voor de hele dag. Een armzalige situatie.
Tot geluk van het echtpaar Hertog-Frank hadden ze contact gehouden met hun vriend Aäron van der Hoek die zelf gezorgd had voor het intussen voorgeschreven controlemerk op hun persoonsbewijzen. De nood was duidelijk en Van der Hoek spande zich daarom in om het echtpaar ergens anders, en in meer menselijke omstandigheden, onder te brengen. Dat lukte al op 6 mei 1944, toen een LO-medewerker – waarschijnlijk Toon van de Kamp die het echtpaar had leren kennen – het echtpaar naar Zeist bracht, waar ze van 6 mei 1944 tot 12 juni 1945 zouden blijven, op Bothalaan 23:
‘Wij kwamen nu van de hel in de hemel. Moderne woning, net gezin, bestaande uit man (afdeelingschef op het bureau van een grote fabriek ter plaatse) vrouw en 2 kinderen, oud resp. 14 en 9 jaar. Het milieu op zichzelf was voor ons al een uitkomst; het was er uiterst zindelijk; mevrouw kookte en bakte lekker, ook dit bracht ons spoedig op gemak. Wij beschikten over een frisse, aan de straat gelegen slaapkamer, met aansluitend zitje, waar ik mijn lege tijd vulde met lezen, terwijl mijn vrouw zich ook hier weer verdienstelijk maakte met de handen flink uit de mouw te steken, te helpen bij alle huiswerk, koken en vooral met naaien, verstellen en breien. Wel moesten we hier evenals in het laatste kwartier binnen blijven; met het oog op de buren, die onze aanwezigheid niet mochten weten, moesten we zachtjes praten en mochten wij niet buiten het huis komen, ook niet in de tuin achter het huis, omdat de aanliggende tuinen slechts door draad afrastering gescheiden waren en men met een van de buren op voet van oorlog leefde.’
Natuurlijk waren er in de toch wat gespannen situatie wel eens strubbelingen, maar die liepen nooit hoog op. De Hongerwinter bracht echter nieuwe ellende. Levensmiddelen kopen bij boeren lukte niet, ruilen wel, bijvoorbeeld tegen kledingstukken en sieraden. ‘Zwart’ kon ook, tegen schandalig hoge prijzen: een mud (75 kilo) aardappelen voor 700-800 gulden, een kilo boter voor 200 gulden, een kilo vlees voor 50 gulden, een kilo vet voor 75 gulden en acht ons brood voor 25 gulden.
Ook hier hielp Aäron van der Hoek wat hij kon, maar het werd steeds beroerder. Helena Jansen-Bennik fietste met dochtertje Riet helemaal naar Staphorst om voedsel te halen, maar ze stond met haar zorg voor zes personen voor een schier onmogelijke taak. En tot overmaat van ramp werd haar echtgenoot vanaf 28 oktober, net als alle mannen van bepaalde leeftijden, opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. Albertus Jansen, overtuigd Christelijk en Oranjegezind, kon dat niet met zijn geweten verenigen en verborg zich maandenlang bij familie in Zeist. Herhaald werd er gewaarschuwd, dat men ontduikers van de Arbeitseinsatz zou komen halen. Gelukkig telkens loos alarm, maar de zenuwen van Helena Jansen-Bennik raakten zo gespannen, dat zij haar onderduikers op een ochtend verzocht om een ander adres te zoeken. Gelukkig nam een kalm gesprek de kou uit de lucht en Albertus Jansen keerde later terug naar huis. De voedselschaarste bleef:
‘Het gebeurde dan ook meerdere malen, dat vooral de baas en ondergetekende graag nog wat zouden hebben gegeten, als het er geweest was, al beweerden we beiden wel verzadigd te zijn. Vooral de maanden april en mei 1945 waren in dat opzicht intreurig. Van uur tot uur hoopte eenieder op het einde van de oorlog, speciaal op 1 mei, maar de laatste lootjes wogen het zwaarst. Op 7 mei volgde eindelijk de bevrijding van Zeist door Britse troepen. Zo’n gebeurtenis moet men mee beleven; mijn pen is niet in staat die overal plotseling opwellende geestdrift te beschrijven. Mijn vrouw en ik waren er nu natuurlijk ook direct bij; stel je voor: vrij, vrij, vrij! Een mens als alle anderen, geen verschoppeling meer, geen wezen, die zich moet verbergen nog erger dan misdadigers! Die eerste vrije dag zal ons nog lang heugen, net zo als de eerste dag, dat wij onze verbanning waren begonnen, maar dan zoveel prettiger, vooral voor mijn vrouw, die van 6 Mei ’44 af niet door de deur was geweest noch voor, noch achteruit was dit een gelukkig gevoel; ik zelf had in de laatste dagen nog wel eens een enkel slippertje gemaakt. (…)
Voor ons beiden kwam nu het zeer moeilijk op te lossen vraagstuk aan de orde: “hoe komen we in Groningen?” Dit probleem was moeilijker dan men zich gedacht had. Niet slechts de vervoersvraag, want er liep geen trein, geen bus, fietsen naar Groningen voor een paar oudjes, als wij, niet te doen en te voet ging zeker niet, maar het grootste bezwaar was dat het Militair Gezag slechts in zeer bijzonder gevallen toestemming verleende de IJsel-linie te passeren. En het door mij gedane verzoek hiertoe, toegelicht met, volgens naar mijn mening, goede gewichtige motieven, werd afgewezen. Maar toch lukte het ons op 12 juni 1945 weg te komen. Onze dochter kwam ons per vrachtauto halen en verborgen passeerden wij de verboden linie. Ons doel: “terug in Groningen” was bereikt. Weliswaar zijn wij financieel geheel op de bodem, maar wij danken God voor het behoud van onze dochter en ons beiden. Van onze zoon en zijn vrouw ontvingen we, helaas, nog geen levensteken. We BLIJVEN hopen, want als die door de beulenhanden zouden gevallen zijn, zou dit voor ons beiden een slag zijn, die wij niet meer te boven zullen komen, en die onze laatste levensjaren zou vergallen. Al moge de tijd zo’n wonde wat verzachten, van heelen kan nimmer sprake zijn. En hiermede eindig ik dit verslag met een zeer, zeer hartelijke danktuiging aan allen, die meegeholpen hebben om ons leven te redden.’
Dochter Renie Hertog had de oorlog overleefd. Zoon Paul Isaäc Hertog en diens echtgenote Wies Hertog-van Dijk waren echter als onderduikers gearresteerd en op 17 november 1943 als strafgevallen ondergebracht in de strafbarak 67 in Kamp Westerbork. Op 8 februari 1944 waren ze op transport gesteld naar Auschwitz, waar Paul omkwam in december 1944, terwijl zijn echtgenote al in juni was gestorven.
De broer van Alfons Hertog, zijn drie zusters en hun partners bleken ook vermoord te zijn. Hoe het de Duitse familie van Adelheid Frank was vergaan, is niet bekend.
Na de bevrijding bleef er lang contact tussen de familie van de onderduikers en de familie van de onderduikgevers, zelfs na het overlijden van het echtpaar Hertog-Frank, in 1947 (Adèle) en 1951 (Alfons).
Albertus Jansen hield aan zijn illegaal werk tijdens de bezetting het Verzetsherdenkingskruis over, maar mogelijk ook zijn hartkwaal. Hij werd slechts 65 jaar oud.
Bronnen:
- Mededelingen van Piet Jansen, Riet van Dooyeweert-Jansen en Frits Grunewald
- Gemeentearchief Zeist, oude bevolkingsregister
- openjoodsehuizen.nl, Bram Querido
- bevrijdingsportretten.nl, Abraham Querido
- www.nieuws030.nl, ‘Bram Querido, sportarts en dokter van het gewone volk’
- Verslag van Alfons Hertog over zijn onderduikervaringen (mei/juni 1945)
- Getuigenis van Lisa van der Hoek-van Dam, beschikbaar gesteld door Gilah Leder-van der Hoek (privédocument)
- Zie de bewezen onderduikadressen Burgemeester Patijnlaan 49 (Aäron van der Hoek) en Tulpstraat 5 (Lisa van der Hoek-van Dam)
- ITS Arolsen (collections.arolsen-archives.org), Joodse Raad-kaarten voor Paul Isaäc Hertog en Bethje Louise Hester van Dijk
1. Bothalaan 23
2. Albertus Jansen
3. Bram en Fientje Queriodo-Daamen
3a. Bram Querido met de J in zijn persoonsbewijs
4. Alphonse Hertog
5. Adelheid Hertog-Frank
6. Tienhoven
7. Het gezin VanderHoek-van Dam in 1953, vlak voor de emigratie naar Australie. Van links naar rechts Leo, vader Aaron, Nafty, moeder Lisa en Gilah
8. Het echtpaar Jansen en zoon Piet
9. Het kerkje van Tienhoven
10. Het watergebied van Tienhoven
11. Piet Jansen en Riet Dooyeweert-Jansen met oorkonde











