Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 291-292; volledig herzien, ook wat betreft de naam van de onderduikgevers; adres Biltseweg 18 toegevoegd)

In memoriam:

  • Irma Silberberg-Abrahamsohn (Prostken/Prostki-Polen, 19 november 1900 – Zeist, 15 januari 1944), bereikte de leeftijd van 43 jaar.

Overlevende onderduiker:

  • Echtgenoot Gustav Silberberg, koopman/handelaar in kleding (Mensguth-Duitsland/Dzwierzuty-Polen, 28 februari 1887 – Zeist, 14 oktober 1952)

Onderduikgevers op Biltseweg 20:

  • dr. Albertus Johannes Goedheer, conservator bij de Rijksuniversiteit Leiden (Utrecht, 26 juni 1912 – Airdrie, Monklands Hospital, North Lanarkshire, Schotland, 27 december 1995) en
  • echtgenote Ida Auguste Goedheer-Ravenek (Den Haag, 25 november 1914 – Den Haag, 4 december 1982)

Tijdens de bezetting een zoon (1943)

Onderduikgeefster op Biltseweg 18:

  • Adriana Berrevoets-Langerak, weduwe, geen beroep (Jaarsveld, 11 oktober 1905 – Den Dolder, 2 september 1976)

Geen kinderen

Het leven van Irma Abrahamsohn zou in het teken van vluchten staan. Ze werd geboren in Oost-Pruisen, in Prostken waar haar vader ook het levenslicht had gezien. Haar ouders vluchtten kort na de Eerste Wereldoorlog met hun drie dochters voor de Russen naar Berlijn. Daar dreven ze een kleine zaak in bekleding.

In 1932 stierf Irma’s moeder, die daardoor de machtsovername van Hitler niet meer meemaakte. In 1933 en 1935 vluchtten twee dochters met hun partners naar Palestina. Irma Abrahamson zelf, inmiddels gehuwd met Gustav Silberberg, bleef in Duitsland. Haar meer dan 13 jaar oudere echtgenoot, een broer van haar moeder Käthe Abrahamsohn-Silberberg, dreef in Dortmund een goedlopende kledingzaak. Hij kon zich bijvoorbeeld een auto met chauffeur permitteren. Gustav Silberberg was in de Eerste Wereldoorlog hospik geweest in het Duitse leger, en hij hoopte dat hij daarom op clementie kon rekenen. De werkelijkheid was ontluisterend, en zo zouden Irma Silberberg-Abrahamsohn en haar echtgenoot de verschrikkingen van de Reichspogromnacht (vaak spottend de Reichskristallnacht) ondervinden.

Pas op 15 juli 1940 weet het echtpaar van Dortmund naar Amsterdam te komen, waar ze ongetwijfeld in totaal andere omstandigheden verkeren. Binnen een jaar verhuizen ze daar maar liefst zes keer. Irma’s vader en stiefmoeder zijn achtergebleven in Duitsland. Het laatste levensteken dat daar vandaan komt, is een telegram dat ze via het Rode Kruis naar Tel Aviv hebben gestuurd. Ze schrijven dat ze zich ‘grosse Sorge um Euch’ [hun dochters en aanverwanten] maken en hopen dat iedereen gezond is. De zorgen zullen omgekeerd ook groot zijn. Op 29 januari 1943 worden Emil en Else Abrahamsohn-Salinger, vanuit een voormalig joods bejaardentehuis, met circa duizend anderen naar Auschwitz gedeporteerd. Daar worden ze op de dag van aankomst vermoord.

Irma Silberberg-Abrahamsohn moet in de loop van 1943 voor de derde keer vluchten, dit keer gaat ze in onderduik. Dat doet zij samen met haar echtgenoot op Biltseweg 20 in Bosch en Duin, bij het echtpaar Ab (Albertus) en Ida Goedheer-Ravenek.

Dat echtpaar is in 1939 getrouwd, en in juni datzelfde jaar op dat adres gaan wonen. Ab Goedheer had eerder al in Den Dolder gewoond. In 1930 was zijn ouderlijke gezin vanuit Utrecht daar op Paltzerweg 28 komen wonen.

Zijn vader Carel A. Goedheer was in 1910 in de Provinciale Staten gekozen voor de SDAP-afdeling Utrecht en Ab Goedheer was in zijn politieke voetsporen getreden. Hij was van 1937 tot 7 september 1938 secretaris van de SDAP-afdeling Den Dolder die onder voorzitterschap van Johannes H. Scheps stond. In datzelfde jaar was hij op 6 mei gepromoveerd tot doctor in de Letteren en Wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Utrecht, op het proefschrift ‘Irish and Norse traditions about the battle of Clontarf’. Hij hield op 20 november 1938 nog een voordracht in Het wapen van Zeist over Ierland, voor het Instituut voor Arbeiders Ontwikkeling, maar was toen al benoemd tot conservator van het Kern-instituut van de Universiteit Leiden en was daar ook gaan wonen.

Terug in Den Dolder heeft het echtpaar Goedheer-Ravenek (extra) wetenschappelijke studie afgerond. In oktober 1941 heeft Ab Goedheer in Leiden ook nog met goed gevolg het doctoraal examen Indonesische taal en letterkunde afgelegd, terwijl zijn echtgenote Ida Goedheer-Ravenek in december 1942 aan de Rijksuniversiteit Utrecht geslaagd is voor haar doctoraalexamen Klassieke letteren.

Een dik half jaar later neemt het echtpaar Goedheer-Ravenek op Biltseweg 20 dus het joodse echtpaar Gustav (56) en Irma (42) Silberberg-Abrahamsohn in onderduik. Hoe het contact tussen onderduikers en onderduikgevers tot stand gekomen, is niet bekend. Het joodse echtpaar komt uit Amsterdam, waar ze op het laatst woonden op Michel Angelostraat 83 huis.

Regelmatig moeten Gustav en Irma Silberberg-Abrahamsohn ‘s nachts in een schuilplaats in de tuin van Biltseweg 20 slapen, als er razzia’s en huiszoekingen dreigen. Die schuilplaats is een gat in de grond met een deksel. Het is een nare ervaring om erin te moeten kruipen, een ervaring die zich voegt bij de permanente angst voor verraad en arrestatie.

Niet iedereen is daar tegen bestand. Irma in elk geval niet. Zij is vroeger al eens geestelijk ziek geweest. Eind december 1943 steken dergelijke problemen weer de kop op. Echtgenoot Gustav Silberberg in een naoorlogse verklaring tegenover de gemeentepolitie Zeist:

Door de ongelukkige omstandigheden, waaronder wij leefden, omdat wij steeds bang waren te zullen worden gearresteerd, verergerde de ziekte snel. Ik heb haar onmiddellijk onder behandeling van dokter J.B. Zwaardemaker te Bilthoven gesteld en deze kwam op het laatst driemaal per dag. Zij was uiterst onrustig en luidruchtig en geheel verward, waarom zij zooveel mogelijk onder den invloed van verdoovende middelen werd gehouden.

De toestand verergert en wordt onhoudbaar. Inmiddels hebben Ab en Ida Goedheer-Ravenek zoontje Carel gekregen wat de kwetsbaarheid van de onderduiksituatie heeft vergroot.

Op 15 januari 1944 bezoekt dokter Zwaardemaker zijn patiënte opnieuw, waarbij hij haar slaapmiddelen toedient. Om 11 uur die ochtend overlijdt Irma Silberberg-Abrahamsohn. De gewaarschuwde dokter Zwaardemaker komt meteen terug en constateert de dood.

Aangifte daarvan bij de gemeente Zeist is uiteraard niet mogelijk, en het stoffelijk overschot moet zo snel mogelijk verborgen worden, omdat er permanent huiszoeking dreigt. Onderduikgever Goedheer en Silberberg wikkelen het lichaam van Irma in een witzijden Tallismantel, een zeer grote badhanddoek en daarover heen een wit laken. Om de voeten wordt een witte kussensloop gedaan. Hierna wordt het stoffelijk overschot zo snel mogelijk begraven in een kuil van minstens een meter diep op het bosterrein dat bij Biltseweg 20 hoort, in een iets zittende houding. Ab Goedheer markeert het graf met een paar stenen.

Er hangt die dag een haast ondoordringbare mist, zodat het begraven zelfs van betrekkelijk korte afstand nog niet kan worden gezien door iemand.

Gustav Silberberg wordt daarna door de illegale werkers van het gemeentehuis gelegaliseerd als de Nederlands Hervormde kleermaker ‘Johannes Bakker’, geboren in Soerabaja (Nederlands-Indië) en als zodanig op 6 februari 1944 ingeschreven op Biltseweg 20.

Hij zou echter ook onderduik hebben gekregen bij de buurvrouw op Biltseweg 18, Adriana Berrevoets-Langerak. Dat zou dan na 6 februari 1944 gebeurd moeten zijn. Deze weduwe heeft een ongeveer anderhalf jaar durend huwelijk – van augustus 1932 tot eind maart 1934 – met een 38 jaar oudere man achter de rug. Zij woont vanaf november 1932 op Biltseweg 18. De verhuizing van Biltseweg 20 naar Biltseweg 18 zal ongetwijfeld om veiligheidsredenen zijn geschied, maar de veiligheid was in dit geval betrekkelijk. Te weinig afstand en in haar woning verbleven ook twee Duitsers, en bij de bevrijding zou Adriana Berrevoets-Langerak tegen een van hen – een arts – gezegd hebben: ‘Weet je met wie je al die tijd aan tafel hebt gezeten?

Gustav Silberberg overleeft de bezetting en op 7 september 1945 doet hij aangifte van het overlijden van zijn echtgenote. Hij vraagt toestemming om het stoffelijk overschot op te mogen laten graven voor herbegraving op de joodse begraafplaats in Diemen. Daartoe wordt een summier proces-verbaal opgemaakt door hoofdagent-rechercheur Jacob Blokland van de Zeister gemeentepolitie. Silberberg beschrijft zijn echtgenote als klein van postuur met grijzend, geknipt haar. De politieman vraagt kennelijk niet door? Irma Silberberg-Abrahamsohn was geestelijk ziek, maar dat verklaart haar overlijden niet. Is er sprake geweest van een overdosis aan slaapmiddelen? In elk geval is zij het tragische slachtoffer geworden van de feitelijk onmogelijke onderduikomstandigheden.

Gustav Silberberg krijgt de gevraagde toestemming, en op 18 september 1945 wordt het stoffelijk overschot van zijn echtgenote herbegraven op de joodse begraafplaats te Diemen.

Bij het Amsterdamse bevolkingsregister wordt Irma Silberberg-Abrahamsohn op 17 juli 1945 ingeschreven op het adres Michelangelostraat 83 huis. Dat is uiteraard een administratieve vergissing. Mogelijk is dat het tijdelijke verblijfsadres van Gustav Silberberg?

Die wordt pas op 11 januari 1947 weer ingeschreven in het bevolkingsregister, en dan op het adres Dijsselhofplantsoen 4 huis, waar het echtpaar Gerda en Mojzesz Hirschsprung-Pinkus dan net is gaan wonen. Gerda Hirschsprung-Pinkus is geboren en getogen in Dortmund, en mogelijk kennen Gustav Silberberg en zij elkaar van hun jaren in Duitsland. Zowel Mojzesz Hirschsprung als Gerda Pinkus hebben dramatische jaren achter de rug. Ze zijn elk met hun partners en kleine kinderen gedeporteerd en alleen teruggekomen. Ze krijgen samen nog een dochtertje.

Gustav Silberberg is bevriend gebleven met de weduwe Berrevoets-Langerak. Als Gerda Hirschsprung-Pinkus in 1950 ziek wordt, wordt zij thuis verpleegd door de weduwe. Die woont dan ook in op Dijsselhofplantsoen 4 huis. Gerda overlijdt op 6 mei 1951 na een lang ziekbed, op pas 38-jarige leeftijd, en dan verschijnt er een overlijdensadvertentie waarin onder meer de namen ‘mevrouw Berrevoets en G. Silberberg’ uit Bosch en Duin staan. Hun adres is dan weer Biltseweg 18. Volgens het Amsterdamse bevolkingsregister woont Silberberg tot medio juli 1952 in de hoofdstad, maar dat is dus niet juist.

Op 26 juli 1952 vestigt Gustav Silberberg zich officieel vanuit Amsterdam op Hertenlaan 25d in Den Dolder, waar zijn vriendin Adriana Berrevoets-Langerak in die maand gaat wonen. Silberberg overlijdt nog geen drie maanden later, op 14 oktober 1952, op 65-jarige leeftijd. In zijn overlijdensadvertentie staat als weduwe Adriana Silberberg-Langerak genoemd, maar tot een huwelijk is het niet meer gekomen.

Voormalig onderduikgever Ab Goedheer verruilt in 1945 zijn wetenschappelijke activiteiten tijdelijk voor een aanstelling bij het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Het laat zich raden of zijn oorlogservaringen daar mede debet aan zijn geweest, maar zijn echtgenote en hij – voor de oorlog zonder belangstelling voor religie – slaan een meer spirituele weg in. In 1949 houdt Ab Goedheer voordrachten over het Quakerisme. Op zeker moment vertrekt het echtpaar naar Groot-Brittannië, waar Ab Goedheer theologie studeert in Glasgow en filosofie in Londen. Hij wordt priester bij de Schotse Kerk, en werkt in kleine gemeenten, zoals Tiree, voor een laag inkomen.

Hij heeft zich in Schotland laten naturaliseren, en noemt zich daar Goodheir, omdat die naam zich daar beter laat uitspreken. Waarschijnlijk is hij dan al gescheiden van Ida Ravenek die in 1982 in Den Haag zal overlijden. In elk geval hertrouwt Albert Goodheir in 1970 met Phyllis Ethel Williams, ook een Quaker.

In dat jaar verschijnen de eerste Esperanto-gedichten van zijn hand. Hij is gedurende 20 jaar secretaris van de Glasgow Esperanto Society, en publiceert een Esperanto-periodiek. In 1977 verschijnt van zijn hand een monografie over de filosofie van Spinoza in het Esperanto: ‘Albert Goodheir, Fondita sur Roko. La Filozofio de Spinoza post Tri Jarcentoj [Gefundeerd op een rots. De filosofie van Spinoza na drie eeuwen]. Eldonejo Kardo, Glasgow, Schotland,1977.’ Een jaar later komt het boek ook uit in het Engels: ‘Albert Goodheir, Founded on a Rock: The Philosophy of Spinoza After Three Centuries. Kardo, Glasgow, 1978’.

In februari 1995 krijgt Albert Goodheir een beroerte, waarna zijn gezondheid en de kwaliteit van zijn leven zienderogen verslechtert. Studeren en concerten bezoeken is niet meer mogelijk en hij kan het contact met zijn vijf kinderen, elf kleinkinderen, twee achterkleinkinderen en drie stiefkinderen ook niet goed meer onderhouden. Het kost zijn tweede echtgenote Phyllis de nodige moeite om de artsen van het Monklands Hospital in Lanarkshire te overtuigen van zijn levenstestament dat euthanasie inhoudt. Op 27 december 1995 overlijdt Albert Goodheir in dat ziekenhuis.

In 2023 wordt het proces-verbaal over de dood van Irma Silberberg-Abrahamsohn aangetroffen in het gemeentearchief van Zeist. Dat document doet de onderduikgeschiedenis oprakelen. Er blijkt namelijk uit dat er geen sprake was van een andere diagnose dan ernstige geestelijke verwardheid, en houdt de – onuitgesproken – mogelijkheid in dat de toegediende slaapmiddelen tot haar dood geleid hebben. De verbalisant had op dit punt niet doorgevraagd.

Er zijn tijdens de bezetting tientallen joodse onderduikers omgebracht, omdat ze een gevaar voor zichzelf en de onderduikgevers zouden vormen. Een onderwerp dat lang onbelicht bleef. Onder meer onderzoeksjournalist Bart Droog heeft vrij recent aandacht besteed aan het digitaal joods monument. De redenen om joodse onderduikers om te brengen, liepen uiteen.

In dit geval moet het schijnbaar niet te beteugelen gedrag van Irma Silberberg-Abrahamsohn grote risico’s meegebracht hebben voor het gezin Goedheer-Ravenek – in november 1943 uitgebreid met een zoontje – en Gustav Silberberg zelf. Te meer omdat Ab Goedheer dieper in het verzetswerk zat. Volgens zijn familie vervoerde hij geweren onder het matrasje in de kinderwagen. Er stond dan veel op het spel. Als de onderduikgevers al besloten hebben om het leven van Irma te beëindigen, moet daarbij nadrukkelijk worden aangetekend dat haar echtgenoot ook geen andere uitweg meer zag. Hij en de onderduikgevers stonden voor een verschrikkelijk dilemma.

Voor de oudste zoon van Ab en Ida Goedheer-Ravenek, historicus Carel Goodheir (1943), blijkt het illegaal werk, en de daarbij behorende grote spanningen, van zijn ouders van ingrijpende invloed op zijn leven te zijn geweest. Carel Goodheir was al in de dertig was, toen zijn moeder – bij een bezoek aan haar in Den Haag – openheid van zaken aan hem gaf. Ze vertelde hem dat Ab Goedheer en Gustav Silberberg, met goedkeuring van het lokaal illegaal werk, een einde hadden gemaakt aan het leven van Irma Silberberg-Abrahamsohn. Irma was haar verstand volledig kwijtgeraakt. Ze liep het huis uit om te vertellen dat ze ondergedoken zat en hoe aardig iedereen voor haar was. Verderop woonden NSB’ers en verraad lag altijd op de loer. De situatie werd onhoudbaar en uiterst gevaarlijk geacht, wat geleid had tot het vergaande en ingrijpende besluit. Eerst zou geprobeerd zijn Irma met medicijnen om te brengen, maar toen dat niet lukte, zou ze verdronken zijn in bad.

In het gezin Goedheer-Ravenek – er kwamen nog drie kinderen – werd zeker gesproken over de bezettingstijd. Bijvoorbeeld over de schuilplaats. Niet gesproken werd echter over de tragische gebeurtenis, waarvan wel vaststaat dat een dergelijke daad grote impact kon hebben op de direct betrokkenen en hun nazaten. Onderlinge relaties konden onder grote druk komen te staan, door (verwegen) zelfverwijt en onderlinge verwijten. Niet iedereen was in staat schuldgevoelens te verdringen.

Ab Goedheer misschien nog wel het best in dit geval, door zijn rationele, zeer intelligente en wetenschappelijke geest. Uiteindelijk zou hij overzees een tweede (theologie) en een derde (filosofie) universitaire graad behalen. Maar de opmerkelijke gang van zijn gezin in de naoorlogse jaren kan wel degelijk veel – zo niet, alles – te maken hebben met de spanningen tijdens de bezetting. Ab en Ida Goedheer-Ravenek werden religieus, ze emigreerden naar Groot-Britannië, Ab Goedheer werd na een studie zelfs predikant in kleine, Schotse parochies, er ontstonden grote spanningen in het gezin, uiteindelijk kwam het tot een scheiding en Ida Ravenek – die aan een hersentumor was geopereerd – vertrok terug naar Den Haag. En dat er ook bij hem sprake was van verdringing lijkt bevestigd te worden door zijn grote woede toen hij hoorde dat zijn echtgenote over het levenseinde van Irma Silberberg-Abrahamsohn had gesproken met hun oudste zoon Carel en toen Carel op zijn beurt dat onderwerp wilde aankaarten.

De geschiedenis is leerzaam. Karakteristiek is het onbegrip – de onmacht – van veel illegaal werkers wat betreft de impact van (verzwegen/verdrongen) spanningen op nazaten. Het langdurige zwijgen over feitelijk onverteerbare oorlogservaringen hoort daarbij. Carel Goodheir had in zijn eerste levensjaar in de kinderwagen boven vuurwapens gelegen, terwijl er thuis sprake was van grote spanningen. Het echtpaar Goedheer-Ravenek en Gustav Silberberg moesten dealen met levensgevaar, zodat er bepaald geen sprake was van een onbezorgde babytijd. Voor hem is het nu eindelijk geschiedenis, wat ook te maken heeft met nieuwe, zorgwekkende ontwikkelingen in de wereld. Uiteindelijk begrijpt hij de extreme moeilijkheden waarvoor zijn ouders tijdens de bezetting werden gesteld door hun moedige keuze, en hij respecteert wat ze gedaan hebben.

Bronnen:

  • Mededelingen van Ankie Keizer (Historische Vereniging Den Dolder), email van Bert Simson van 6 juli 2021 aan Ankie Keizer, mededelingen van Frans Goedheer, Sylvia Hirschsprung en vooral Carel Goodheir
  • www.stolpersteine-berlin.de, biografie Emil Abrahamsohn bij een struikelsteen voor Rudolstadter-strasse 110
  • www.joodsmonument.nl, Irma Silberberg-Abrahamsohn
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Gustav en Irma Silberberg-Abrahamsohn (als geboorteplaats van Silberberg staat Meuzguth in Duitsland genoteerd, maar een plaats met die naam blijkt onvindbaar -> Mensguth?)
  • Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Johannes Bakker’; archief gemeentepolitie, toegang 3500, proces-verbaal over de dood en het begraven van Irma Silberberg-Abrahamsohn
  • Geheugen van Zeist, oude kranten en adresboeken, Albertus Johannes Goedheer en vader Carel A. Goedheer
  • www.delpher.nl, oude kranten, Albertus Johannes Goedheer en vader Carel A. Goedheer
  • Myheritage, persoonsgegevens echtpaar Goedheer-Ravenek
  • wiewaswie, Adriana Berrevoets-Langerak
  • blog.despinoza.nl, ‘Albert Goodheir (1912-1995) zag Spinoza gegrondvest op een rots’
  • www.euthanasia.cc, ‘The story of Albert Goodheir’
  • www.joodsmonument.nl, Onderzoek-naar-de-dood-van-joodse-onderduikers, en Bart Droog, reportersonline.nl, ‘Door verzet gedode onderduikers bijna 90 joden slechts enkelen erkend als oorlogsslachtoffer’

1. Biltseweg 20.

2. Irma Abrahamsohn en Gustav Silberberg,(foto Bert Simson)

3. Irma Silberberg-Abrahamsohn (rechts op de foto)

4. Ida Ravenek als klein mesije met haar moeder Ida Charlotte Susanna Ravenek-Lignac

5. Bericht in het Utrechts volksblad van 6 september 1938

6. Irma Silberberg-Abrahamsohn

7. Het graf van Irma Silberberg-Abrahamsohn op de joodse begraafplaats in Diemen

8. Bericht in het Nieuw Utrechtsch dagblad van 21 september 1949

9. Gustav Silberberg in de naoorlogse jaren

10. Het bericht van het overlijden van Gustav Silberberg op 14 oktober 1952

11. Ida Ravenek met haar dochter Saskia

12. Albert Goodheir (1912-1995)

13. Struikelsteen voor Else Salinger-Abrahamsohn, de zuster van Irma Silberberg-Abrahamsohn, voor Rudolstädter-strasse 110

14. Het gezin Goodheir na de oorolog