Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
Utrechtseweg 141
(Zie pagina’s 239-245 van het Onderduikboek)
Bevrijdingsactie op dinsdag 23 januari 1945
Bevrijde arrestanten:
- Hartog Bril
- Louis Gomperts
- Sonny (Sara) Gompers-Sturhoofd
- Alida Heijmans
- David Heijmans
- Judith Heijmans-Francken
- Ernst Stein
- Saartje Sturhoofd-Wallage
- Jacques Sturhoofd
- Max Sturhoofd
Belangrijkste betrokkenen bij de bevrijding
- Rudi Karl Albert Beeskow, Duitse deserteur, in Duits militair uniform, als SS’er
- Jan Stroomenberg, ook in Duits militair uniform, als tweede SS’er
- Arie de Groot, ondergedoken politieman, in het uniform van de Nederlandse staatspolitie
- Hennie Idenburg, idem
- Jan Blonk (KP) en anderen, buiten op wacht
- Machiel (‘Dolf’) Edelman, illegale werker, initiator van de bevrijdingsactie en medewerker
- Pieter van den Top (KP-commandant), overleg over eventuele bevrijdingsactie
- Ries van Schaik (KP), idem, zorgde voor de vrachtwagen
- Jan Kleinveld, idem, overleglocatie
- Ed Beumer (plaatsvervangend commandant KP), idem, vervalsing documenten
- Kees en Joop van Domselaar en weer Machiel Edelman, verder vervoer van de bevrijde gevangenen en hun bagage naar Driebergen
- opnieuw Machiel Edelman en anderen, verzorging nieuwe onderduikadressen
Het politiebureau speelt in dit boek een prominente rol. In de politierapporten worden veel arrestaties van joodse onderduikers vermeld. Achter die zakelijke notities gaan drama’s schuil. Het bureau is een soort doorgangshuis. Gearresteerde joodse onderduikers verblijven meestal enkele uren tot meerdere dagen in de politiecel, om vervolgens naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam, Den Haag of soms Utrecht gebracht te worden. Van daaruit gaat het transport naar Kamp Westerbork en vandaar verder naar een concentratiekamp. In een enkel geval zitten er maar 5 dagen tussen de arrestatie in Zeist en de vergassing in Sobibor of Auschwitz.
In januari 1945 zal het bureau echter het toneel zijn van een spectaculaire bevrijdingsactie. Na arrestaties op 15 en 16 januari zitten er tien joodse arrestanten in de koude cellen van het politiebureau. Als dat bekend raakt bij de burgerij zullen mensen zich hun lot aantrekken. Ondanks de schaarste aan voedsel tijdens de Hongerwinter wordt er volop eten naar het bureau gebracht voor de arrestanten.
Op Harry Bril en Ernst Stein na, zijn de arrestanten allen nog geregistreerd onder de valse identiteiten die op het gemeentehuis voor hen zijn bedacht:
‘Cel 9 – E. Stein en H. Bril Sipo
Cel 10 – A.A. v.d. Hoek en W. Hegemans Sipo
Cel 11 – A.G. van Doorn, J. Land, J. Oberheide, M. Oberheide, A. Herman en J. Fransen allen voor Sipo’
Zo zitten Saartje Sturhoofd-Wallage en haar zoons van 10 en 12 jaar er als Johanna Land en Jacques en Max Oberheide. De jongens zijn op maandag 15 januari weggehaald uit pension ‘Kleuver’ op Berkenlaan 7, toen hun vader afwezig was. Sinds hij bij thuiskomst had gehoord wat er gebeurd was, is Alexander Sturhoofd radeloos. Hij heeft zich meteen naar het politiebureau gespoed en eiste dat ze hem bij zijn echtgenote en zonen opsloten. De dienstdoende politieman heeft echter geweigerd om hem te arresteren. De wachtcommandant heeft een paar keer geroepen: ‘Ga weg. Ik wil je hier niet zien!’ Maar evenzo vaak heeft Alexander Sturhoofd geweigerd om te vertrekken. Ook nadat de wachtcommandant grovere taal begon te gebruiken. Uiteindelijk is Saartje Sturhoofd-Wallage uit de cel gehaald, om haar man tot bedaren te brengen. Zij heeft hem gevraagd om contact op te nemen met de illegaliteit.
Alexander Sturhoofd is als een verslagen man weggegaan, maar hij heeft toch de raad van zijn echtgenote opgevolgd. Hij is de volgende ochtend vroeg op pad gegaan naar Marinus Lokerse, hoofd van de Christelijke ULO in Driebergen, bij wie zijn zoon Jaap op school heeft gezeten totdat het onderwijs wegens oorlogsomstandigheden gestaakt is. Via Marinus Lokerse – en mogelijk een andere contactpersoon – komt Sturhoofd er achter dat de verzetsman Chiel (Machiel) Edelman, alias ‘Dolf’, ondergedoken zit bij de weduwe Wijkhuizen op Buzziburglaan 24 in Driebergen. De volgende dag, woensdag 17 januari, vervoegt hij zich om circa 6 uur ’s ochtends op het aangegeven adres.
Als er herhaald aan de voordeur gebeld wordt, waarschuwt Chiel Edelman een van de dochters van zijn onderduikgeefster. Die gaat naar beneden om de deur te openen. Boven aan de trap luisterend, hoort Edelman dat Alexander Sturhoofd in alle staten van opwinding is. Hij gaat naar beneden en hoort dan dat er tien joodse arrestanten in het politiebureau zitten, waaronder Sturhoofds echtgenote en twee zoons. Als de wanhopige Sturhoofd hem smeekt om ze te bevrijden, belooft Edelman nader onderzoek te zullen doen.
Dat is de start van een actie zonder weerga. Eerst vraagt Chiel Edelman de medewerking van een paar goede politiemannen, maar die geven niet thuis voor zo’n gevaarlijke actie. Vervolgens wordt er contact gelegd met de Zeister KP’ers Piet van den Top en Ries van Schaik. Er wordt een vergadering belegd bij schoenwinkel Kleinveld, waaraan behalve Van den Top, Van Schaik en Edelman ook de kundige vervalser Ed Beumer (een ondergedoken student met tekentalent) deelneemt. Het is bij dat overleg dat iemand de naam ‘Duitse Pietje’ laat vallen, een gedeserteerde en ondergedoken korporaal bij de Luftwaffe, die verkering heeft met een meisje uit Soest. Het is Rudi Beeskow die zich bereid verklaart tot medewerking aan de gevaarlijke operatie. Hem wordt bij wijze van tegenprestatie beloofd dat hij, na de Duitse capitulatie niet in krijgsgevangenschap hoeft als hij meewerkt.
Vooraf hebben Piet van den Top en Ries van Schaik gesproken met waarnemend korpschef Georg Goorhuis. Ze hebben hem gevraagd om de arrestanten over te dragen en zelf onder te duiken. Dat heeft de korpschef geweigerd, maar hij zou bij een actie niet tegenwerken. Bovendien heeft hij hen de situatie in het politiebureau geschetst. Zo is bekend waar de gevangenen zitten. De cellen liggen op de eerste verdieping en de ramen zijn voorzien van draadglas. Dat maakt een overval op het politiebureau vrijwel onmogelijk.
Nu een goed Duits sprekende militair in zijn uniform de rol van SS’er kan vervullen, wordt gezocht naar drie mannen die in uniform zouden kunnen deelnemen aan de bevrijdingsactie. Ze mogen niet uit Zeist komen, om herkenning te voorkomen.
Briljant is werkelijk de wijze waarop de samenzweerders aan de benodigde Duitse legervrachtwagen komen. KP’er Ries van Schaik woont in de buurt van de garage waar legerauto’s, in hoofdzaak vrachtwagens, worden gerepareerd. Hij kent een paar mensen, die daar werken en wil aan hen voorstellen een raampje van een legervrachtwagen klem te zetten en dan met geweld omlaag draaien, zodat het glas barsten zal. De auto zal dan voor reparatie naar carrosseriebedrijf Niemeijer aan de Patijnlaan gebracht worden. Deze auto zou dan in overleg met garagehouder Niemeijer ‘geleend’ kunnen worden voor de bevrijdingsactie. Dat zal lukken.
Ed Beumer maakt het vereiste document met een nagemaakt SD-stempel. De bedoeling is dat de gevangenen zogenaamd zullen worden opgehaald door de Sicherheitspolizei uit Den Haag om te worden overgebracht naar Kamp Westerbork, voor verder transport naar Duitsland.
De legervrachtwagen is op tijd beschikbaar, maar het blijkt lastig om aan extra Duitse uniformen te komen. Al met al duurt het toch wel een paar dagen om alles goed voor te bereiden. Intussen wordt bekend dat de gevangenen op 23 januari om 7.00 uur afgehaald zullen worden en de tijd begint te dringen. De legervrachtwagen is wel op tijd beschikbaar, maar de gedeserteerde Duitse militairen, die bij een boer in Driebergen zijn ondergedoken, weigeren medewerking aan het gevaarlijke plan. Wel komt er via die weg een Duits militair uniform beschikbaar. De illegale werker Jan Stroomenbergh in Driebergen is bereid om daarin als tweede SS’er te fungeren. De twee in de nabije omgeving ondergedoken politiemannen Arie de Groot en Hennie Idenburg, die een rijbewijs heeft, zullen in hun politie-uniform meedoen. Gewapende mannen uit Zeist zullen zich verdekt opstellen in de omgeving van het politiebureau, voor het geval de actie onverhoopt uit de hand zal lopen.
Op dinsdag 23 januari is het zover. Tegenover het bureau, op de hoek Montaubanstraat/Utrechtseweg zitten groepjes van elk vier gewapende KP’ers en LO-medewerkers, voor het geval de SD eerder zal verschijnen. Op de Tweede Hogeweg vlakbij de Laan van Beek en Royen staan twee gewapende KP’ers die een gemotoriseerde achtervolging moeten zien te stoppen.
Op 6.00 uur ’s morgens stopt de Duitse legervrachtwagen voor het politiebureau. De twee nep-SS’ers en Arie de Groot in zijn Nederlandse politie-uniform spoeden zich naar binnen. De andere ‘politieman’, Hennie Idenburg, durft de wagen niet te verlaten, doodsbang dat de motor afslaat. Het is nogal een oude vrachtwagen. Verder houden Blonk en een andere KP’er buiten de wacht. Rudi Beeskow in een latere verklaring:
‘Toen we binnen waren, overhandigde ik de papieren aan de wachtmeester en snauwde en schreeuwde: ‘Ich komm die zehn Juden holen. Schnell, schnell!’ Ik had in het Duitse leger wel geleerd hard te zijn. De wachtmeester schrok zich wezenloos en liep met ons mee naar de cellen op de eerste verdieping. De joodse mensen zaten in een hoekje weggedrukt. Ze hadden dekens om, want het was erg koud. Ik joeg die joden er uit en schopte ze de trap af.’
De tweede nep-SS’er, Jan Stroomenbergh uit Driebergen, laat zich zo meeslepen, dat hij ook een soort Duits begint te roepen: ‘Opschiessen!’
Voor ze het weten, zitten de gevangenen in de vrachtwagen die richting de Arnhemse Bovenweg rijdt. Bij De Breul rijdt de auto het bos in. De laadklep gaat naar beneden. Saartje Sturhoofd-Wallage, zal later vertellen dat ze dacht dat dit het einde was. Maar dan krijgen de gevangenen te horen dat ze vrij zijn en zo dadelijk in kleine groepjes naar de vergaderruimte van de Gereformeerde kerk aan de Engweg zullen worden gebracht. Daar kunnen ze blijven tot er onderduikadressen gevonden zijn. De opluchting van de gevangenen is onbeschrijfelijk. Er staan een paar jongens klaar om ze met hun bagage op een bakfiets naar de Engweg te brengen. Daarbij moeten ze de spoorlijn voorzichtig passeren, want daar wordt door Duitse militairen wacht gelopen, in verband met de vele sabotagepogingen. Maar ze komen allemaal behouden aan in de vergaderruimte aan de Engweg.
De weergaloze actie krijgt in het politienachtrapport van maandag 22 op dinsdag 23 januari een uiterst summiere vermelding van het ophalen van de arrestanten, waarbij de tijd te laat wordt weergegeven:
‘7.15 uur De arrestanten uit cel 9, 10 en 11 door Duitsche militairen afgehaald voor vervoer naar Utrecht. T. (Voor de Sipo.) T.’
De komst van de Haagse jodenjagers Dick Verbaan en Henk Westerdijk met hun Duitse meerdere Gustav Nagel van de Sicherheitspolizei rond 7.00 uur krijgt zelfs in het geheel geen vermelding.
In de dagen die volgen, blijkt dat het tijdens de Hongerwinter extreem lastig is voor illegale werkers om onderduikers onder te brengen. Het lukt, bijvoorbeeld door mensen de beschikking te geven over een woning van NSB’ers die met Dolle Dinsdag gevlucht waren. Maar vooral het gezin Sturhoofd-Wallage is extreem lastig onder te brengen, omdat ze – begrijpelijk – na dit hachelijke avontuur per se met z’n vieren bij elkaar willen blijven. Een haast onmogelijke opgave. Een vergeefse poging (te voet) wordt gedaan in de Kroost in Zeist, waar een boerenhuisje leeg staat. Maar de boer wil daar geen joodse onderduikers in hebben, wel evacuees. Gelukkig komt er na een paar dagen een gedeeltelijke woning vrij bij mevrouw Dekkers aan de Meenkselaan in Driebergen.
Alle bevrijde gevangenen overleven de bezetting.
– 0 – 0 – 0 –
Het echtpaar David en Judith Heijmans-Francken vertrekt in 1949 en 1950 naar Israël. In 1963 wordt er een ‘Libelle-droomwens-reis’ georganiseerd voor voormalige onderduikgevers naar Israël. Ter gelegenheid van die reis krijgen de deelnemers van de ‘Organisatie van Nederlandse emigranten in Israël’ een boekje aangeboden, getiteld ‘Onderduik’, met artikelen van dankbare voormalige onderduikers, zoals David en Judith Heijmans-Francken. Ze beschrijven daarin hun laatste onderduik, na de bevrijding uit het politiebureau.
Bronnen:
- In later jaren ontstond discussie over de toedracht van de bevrijdingsactie en over de betrokkenen. Voor zo ver niet anders vermeld wordt, is de inhoud van deze paragraaf ontleend aan de persoonlijke herinneringen van de illegale werker Chiel ‘Dolf’ Edelman, ‘bevrijding van de tien joden te Zeist’ (ongedateerd)
- Loek Caspers, ‘Vechten voor vrijheid, Oorlog en verzet op de Utrechtse Heuvelrug’, Verloren, 2007, 218-220
- Kees Klijn, ‘KP’er in Zeist en vrijwilliger in Nederlands-Indië’, Klijn en Pot, Arnhem, 1977, 27
- Nieuwsbode van 2 mei 1985, ‘Brutale bevrijding van tien Joden uit Zeister politiebureau’
- Libelle, nummer 52 van 25-31 december 1963 (‘Libelle-droomwens-reis’)
- Zie voor het vervolg het bewezen onderduikadres Louise de Colignyplein 8, pagina’s 245-246 van het Onderduikboek, in het Gemeentearchief van Zeist, archief gemeentepolitie, toegang 3500, politienachtrapport van maandag 22 op dinsdag 23 januari 1945 is in de rapportenboeken geen informatie aangetroffen over de arrestatie van de bewoners van dit adres






