Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 283-289)
Onderduikers:
- Georg Hollaender (Samter – Duitsland (thans Polen), 11 september 1894 – Rotterdam, 12 december 1979), handelaar in huiden en vellen (in loondienst)
- echtgenote Renée Sara Hollaender-Roth (Hodonin – Tsjecho-Slowakije (thans Tsjechië), 23 mei 1906 – Rotterdam, 28 november 1994)
- dochter Erika Hollaender (Praag, januari 1930)
Onderduikgevers:
- Johanna Elizabeth Barends-Simoons, weduwe (Amsterdam, 19 januari 1870 – Zeist, 20 januari 1956)
- zoon Jan Frederik Barends junior, markiezenmaker (Amsterdam, 14 maart 1907 – Neuengamme – Duitsland, 11 november 1944)
- zoon Pieter Johan Susan Barends, tijdens de bezetting theologisch student (Amsterdam, 28 maart 1913 – Heerenveen, 21 oktober 1988)
Georg Hollaender wordt geboren in Samter nabij het Duitse Posen (anno 2023 Poznan in Polen). In maart 1915 meldt hij zich als 20-jarige tegen de zin van zijn moeder als gemotiveerd vrijwilliger voor het Duitse leger in de oorlog tegen Frankrijk. Aan de fronten bij Arras en bij Verdun raakt hij gewond, maar telkens wordt hij opnieuw ingezet. Aan het front bij Reims wordt hij in mei 1917 krijgsgevangen genomen. Een reis langs verschillende kampen eindigt wegens ontsnappingspogingen in een zwaar strafkamp op een eiland in de Atlantische Oceaan. Na het einde van de WOI moet Georg Hollaender nog twee jaar dwangarbeid verrichten in Noord-Frankrijk. Onder meer moet hij niet-ontplofte mijnen helpen ruimen. Als hij in 1920 eindelijk naar huis mag, blijkt zijn geboortestreek in Polen te liggen. Hij moet eerst een visum aanvragen voordat hij naar huis kan gaan.
Hollaender ontwikkelt zich tot specialist in huiden en vellen, en komt voor zijn werk terecht in Leipzig. Daar leert hij de in het Tsjechische Hodonin geboren Renée Roth kennen, jongste dochter uit een aanzienlijk gezin. Haar moeder Ida Roth-Ehrenfreund heeft vroeger toneelstukken geschreven en voor een toneelstuk ter ere van 60 jaar Keizer Franz Joseph een onderscheiding gekregen. Ze trouwen en in 1930 wordt dochter Erika geboren.
Na de machtsovername worden joodse oorlogsveteranen zoals Georg Hollaender wel enige tijd ontzien, maar uiteindelijk verliest hij zijn baan in Leipzig. Hij gaat dan met vrouw en kind naar Praag. In 1938 reist het echtpaar een keer via Vlissingen en Harwich naar Londen, om bezittingen van een in Tsjecho-Slowakije bedreigde joodse familie over te brengen, maar hun aanvragen van visa voor Engeland, de VS, Zuid-Afrika en Nederland worden afgewezen.
Dat wil zeggen, alleen Georg Hollaender krijgt een visum voor Nederland. Hij gaat werken bij Kaufmann’s Huidenhandel in Rotterdam. Begin januari 1939 komt hij in Nederland aan.
Zijn echtgenote en dochter blijven achter in Praag, waar het leven al gauw een hel voor ze wordt. Bij hun vertrek uit Duitsland hebben ze al hun bezittingen achter moeten laten en Hollaender verdient in Nederland niet genoeg om geld te sturen. Na zes maanden krijgen vrouw en kind echter ook toestemming om naar Nederland te komen. Eind juni 1939 wordt het gezin herenigd in Rotterdam.
Niet lang daarna krijgen ze visa voor Engeland en vertrekken ze. Eind augustus 1939 komen ze aan in Londen, waar inmiddels een zus van Renée uit Leipzig met haar gezin woont. De stad bevindt zich in vergaande staat van oorlog (verdedigingsballonnen in de lucht e.d.), waarna het echtpaar Hollaender-Roth besluit in september 1939 terug te gaan naar Rotterdam in het neutrale Nederland. Dat besluit pakt ongelukkig uit, als Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnenvalt. Ook Georg Hollaender wordt als Duitser door de Nederlandse autoriteiten gevangen gezet. In theater De Doelen overleeft hij op 14 mei 1940 ternauwernood het verschrikkelijke bombardement op Rotterdam. Om bij te komen van de verschrikkingen brengt het gezin enkele dagen door in Driebergen, waarna ze terug keren naar hun Rotterdamse woning. De bezetter wil geen joden in de kuststreek (‘veiligheidsoverwegingen’) en daarom vertrekken ze in september 1940 definitief uit Rotterdam. Ze vestigen zich dan in Driebergen, waar ze na enkele verhuizingen mooi komen te wonen, op De Wetstein Pfisterlaan 36.
Georg Hollaender krijgt toestemming om naar zijn werk in Rotterdam te reizen. De bezetter vindt de productie van leer belangrijk voor oorlogsdoeleinden. Zijn gezin krijgt daarom een vrijstelling van deportatie. De treinreizen naar Rotterdam en vice versa worden een zekere kwelling voor Hollaender, want hij wordt regelmatig vernederd in de trein. In 1943 gaat er in Driebergen een vrouwelijke Quaker langs de (joodse) inwoners, om ze te waarschuwen voor nog komende ellende.
Een zuster van Georg Hollaender is met haar echtgenoot en kind al gedeporteerd, maar het echtpaar Hollaender-Roth voelt zich door de vrijstelling nog redelijk veilig. Tot op 13 april 1943 de jonge politieman Samuel Esmeijer uit Driebergen in burger aanklopt. Hij vertelt dat de vrijstellingen vervallen zijn en dat Georg Hollaender die avond gearresteerd zal worden. Esmeijer zal hem naar een veilige plek brengen.
Die avond lopen Renée en haar dochter met George mee, tot ze Samuel Esmeijer met twee fietsen zien staan. Dan gaan ze terug en duiken ze voor die nacht onder bij hun buurvrouw – een niet bang uitgevallen jonge vrouw met een baby – waarvan de joodse echtgenoot ondergedoken zit in België. Verstopt op zolder horen ze vanuit het buurhuis hoe politiemensen op hun voordeur bonzen. Als die geen gehoor krijgen, wordt de woning verzegeld.
De volgende morgen lopen moeder en dochter – zonder ster – de vijf kilometer naar Zeist, waar ze onderdak krijgen bij vrienden, de joodse advocaat Ludwig Kurt Selowsky uit Berlijn en diens niet-joodse echtgenote Auguste Charlotte Selowsky-Liedermann (een voormalige actrice uit Wenen), op Driebergseweg 3. Van de hoofdbewoner mogen ze hooguit 1-2 nachten blijven, omdat hun aanwezigheid gevaar met zich meebrengt.
Gelukkig staat verzetsman Samuel Esmeijer ’s ochtends al voor de deur. Hij heeft een ontmoeting gearrangeerd met echtgenoot en vader Georg. Op een houtpad naast een grote kerk – de Nieuwe Nederlands Hervormde kerk – staat die daar met een zoon van zijn onderduikgeefster. Laatstgenoemde nodigt moeder en dochter uit voor een kopje thee bij hem thuis, op Berkenlaan 42, hoek Berkenlaan/Lindelaan. Het klikt met de weduwe Barends-Simoons en Renée en dochter Erika mogen ook komen.
De weduwe heeft twee thuiswonende zoons, Jan die illegaal werk doet en Pieter die theologie studeert (na de sluiting van de universiteiten krijgt hij privé onderricht van een dominee). De leden van het gezin Hollaender-Roth hebben van Samuel Esmeijer al valse papieren gekregen, zodat hun onderduik behoorlijk geregeld is.
Jan Barends en student Piet Coumou, ook uit Zeist, gaan naar Driebergen, waar ze de verzegeling van de woning verbreken en allerlei benodigdheden meenemen. Na een verblijf van twee weken moet het joodse gezin huize Barends voor de duur van de Paasvakantie verlaten. Dochter Annie Barends komt dan namelijk voor een paar dagen bij haar moeder logeren met een vriend, waarvan de betrouwbaarheid niet vaststaat. Het gezin Hollaender-Roth kan dan terecht bij de ouders van de eerder genoemde Piet Coumou, op Lindenlaan 7. Omdat daar al joodse onderduikers zitten, moeten ze na de Paasvakantie wel weer terug naar Berkenlaan 42.
Dan horen de onderduikers begin zomer 1943 dat joden toestemming kunnen krijgen om via Spanje en Portugal naar Zuid-Amerika te reizen. Ze nemen het gerucht serieus, verlaten de onderduik en vertrekken naar Amsterdam, waar ze tijdelijk in een appartement op Amstellaan 252II gaan wonen, in afwachting van de regelingen. Ze zitten in de val, want het bericht blijkt niet juist te zijn. Tijdens een razzia horen ze diepgeschokt hoe joodse bewoners hardhandig uit hun appartementen worden gesleurd. Om onduidelijke redenen lopen de overvallers hun deur voorbij.
Het echtpaar Hollaender-Roth denkt voorlopig weer even veilig te zijn. Maar als dochter Erika de volgende dag weer naar de joodse school wil gaan, wordt ze onderweg door een man van straat gehaald. Binnenshuis waarschuwt hij haar ernstig. Ze moet haar ster bedekken met haar schooltas en meteen terug naar huis gaan, om haar ouders te vertellen dat het niet om een eenmalige razzia gaat, maar om een ‘schoonmaakactie’. Het is waarschijnlijk de ‘schoonmaakactie’ op 29 september 1943, waarbij Amsterdam ‘jodenvrij’ gemaakt wordt. Het gezin vlucht naar het huis van een Duitse vriendin in Amsterdam en waarschuwt hun contacten in Zeist.
De volgende dag wordt het gezin opgehaald door dochter To van het echtpaar Coumou-van Vooren en na een zeer risicovolle treinreis afgeleverd op Acacialaan 2. Daar blijven ze kort, totdat ze weer terecht kunnen bij de weduwe Barends-Simoons. Ze hebben van de illegale werkers op het gemeentehuis een nieuwe identiteit gekregen, die overigens sterk lijkt op hun werkelijke identiteit. De achternaam wordt Hollander. Georg en zijn dochter zijn geboren Amsterdammers geworden, terwijl Renée ‘Rood’ uit Brunnen in Zwitserland zou komen.
Er dreigt nog wel gevaar. Hun Duitse vriendin in Amsterdam wordt al gauw gearresteerd – een Rode Kruis-brief voor het echtpaar Hollaender-Roth is bij haar bezorgd – maar ze weet de verhoren te doorstaan. Er ontstaat echter een nieuw risico, als de dochter van de weduwe Barends-Simoons opnieuw met haar vriend op bezoek komt. De onderduikers worden dan ondergebracht bij een vrouw die al twee joodse mannen onderduik geeft, maar ze kunnen na enkele dagen weer terug. Als de relatie van Annie Barends voorbij is, komt ze weer thuis wonen. De jonge vrouw is zelf wel te vertrouwen en regelt zelfs dat Erica Engelse les krijgt.
Het gezin Barends-Simoons is gereformeerd. De weduwe vertelt haar onderduikers dat zij het haar Christenplicht acht om ‘Gods uitverkoren volk’ te redden. Haar zoon Pieter probeert verwoed om Georg Hollaender te bekeren. De onderduiker is niet opgewassen tegen de welsprekendheid van de dominee-in-spe. Niet dat Hollaender van zijn eigen geloof af wil, maar hij voelt zich in toenemende mate ongemakkelijk in zijn afhankelijke onderduiksituatie. Zijn echtgenote en dochter worden ook onderworpen aan de bekeringsdrift van Pieter Barends, maar minder intensief. Erica krijgt overigens wel Grieks en Latijnse les van hem.
Er komt een einde aan deze ongemakkelijke situatie als er een waarschuwing komt, dat de andere zoon van de weduwe, Jan Barends, gezocht wordt wegens zijn illegale activiteiten. Een inval is ophanden en de onderduikers moeten met spoed weg. Georg Hollaender verdwijnt via de achtertuin, over de schutting, naar een straat verderop, waar al andere joodse onderduikers zitten. Dochter Erika wordt per fiets voor een paar dagen naar een ander adres gestuurd. Voor Renée Hollaender-Roth is zo gauw geen plaats gevonden, zij moet in de bossen afwachten. Na een dag wordt het gezin herenigd in Driebergen, bij het kostersgezin Stroomenbergh-Middeldorp. Daar kunnen ze blijven en vernemen ze wat later dat Jan Barends gearresteerd, in een concentratiekamp terecht gekomen is en daar ter dood gebracht. Uit respect gaan ze naar Zeist voor een condoleantie-bezoek op het adres waar ze gedurende 18 maanden ondergedoken hebben gezeten.
In september 1944 worden Renée Hollaender-Roth en anderen uitgenodigd door Jannetje Coumou-van Vooren, woonachtig aan de Lindenlaan. In het vermeende zicht van de bevrijding worden armbanden uitgereikt, zodat de dragers ervan meteen onderscheiden kunnen worden van ‘foute*’* Nederlanders. (Deze armbanden en andere onderscheidingstekens zullen nog maanden ongebruikt blijven.) Als ze weer teruggaan naar hun onderduikadres komen ze langs de ingang van het Christelijk Lyceum. Daar zien ze op een paard en wagen twee joodse bekenden die dwangarbeid moeten verrichten.
In het najaar verslechtert de voedselvoorziening drastisch. In die maanden onderneemt Renée Hollaender-Roth, soms met haar onderduikgeefster, verschillende voedseltochten. Een enkele keer tot in De Betuwe.
Een zware slag is het bericht dat hun redder, politieman Samuel Esmeijer omgekomen is. De uitzonderlijk moedige Esmeijer is als provinciaal LKP-leider van Zuid-Holland bij een vuurgevecht met Duitsers dodelijk getroffen.
– 0 – 0 – 0 –
Als de bevrijding een feit is, betrekt het gezin Hollaender weer hun woning in Driebergen, die volledig leeggehaald blijkt te zijn door vorige ‘foute’ bewoners.
Op 15 juli 1975 worden Johanna Barends-Simoons (postuum) en haar zoon Pieter Barends door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.
Dominee Pieter Barends sloot in 1947 een opmerkelijk huwelijk met de weduwe van een lid van een fanatieke NSB-familie, wier schoonvader als landwachter was geliquideerd door het verzet en wiens echtgenoot omkwam in vijandelijke dienst. Haar schoonvader mr. Joannes Frima was een huisvriend van het echtpaar Rost van Tonningen-Heubel en haar zwager werd na de oorlog veroordeeld tot dertien jaar rijkswerkinrichting.
Bronnen:
- ‘Family memories’ van Georg Hollaender, Renée Sara Hollaender-Roth en Erika Maurer-Hollaender (collections-ushmm.org)
- Reddingsverhaal Yad Vashem voor Johanna Elizabeth Barends-Simoons en haar zoon Pieter Johan Susan Barends
- Gemeente Zeist, register van illegalen, 1499-1500, ‘Georg en Renée Hollander-Rood en dochter Erika’
- Wikipedia, Samuel Esmeijer
- www.hdc.vu.nl (‘Predikanten die joden hielpen’): Pieter Johan Susan Barends (Amsterdam, 28-03-1913 – Heerenveen, 21-10-1988), gereformeerd dominee







