Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Zie het Onderduikboek, pagina’s 137-140; aangevuld)

De arrestaties op dit adres maken deel uit van een razzia op 28 en 29 november 1943 in Soest en Bosch en Duin:

  • Baarnseweg 37, Bosch en Duin

  • Veenzoom 10, Soest

  • Vossenlaan 8, Bosch en Duin

  • Paduaweg 8, Den Dolder

In memoriam:

  • Israel Koopman, handelaar in poetslappen, (Zwolle, 10 april 1895 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 48 jaar
  • echtgenote Debora Koopman-Beetz (Amsterdam, 3 april 1891 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 52 jaar
  • dochter Regina Klara Koopman (Amsterdam, 19 december 1924 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 19 jaar
  • zoon Salomon Meijer Koopman (Amsterdam, 2 oktober 1926 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte de leeftijd van 17 jaar
  • > (Ondergedoken in Soest:)
  • Icek Jacob Goldman, juwelier (Gerwinsk, 18 januari 1893 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 51 jaar
  • echtgenote Malie Goldman-Michael (Kolno, 10 februari 1899 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 45 jaar
  • dochter Mirjam Goldman (Amsterdam, 27 mei 1922 – Auschwitz, 11 februari 1944), bereikte de leeftijd van 21 jaar
  • zoon Elias Mendel Goldman (Amsterdam, 22 februari 1924 – Auschwitz, 30 juni 1944), bereikte de leeftijd van 20 jaar

In het najaar van 1941 komt inwoner A. uit Bosch en Duin voor zaken bij de joodse lompenhandelaar Bram de Liever in Amersfoort. Op de vraag hoe het gaat, antwoordt De Liever dat het slecht gaat. Hij vreest dat hij in Polen terecht zal komen. Maar hij heeft toch veel kennissen en vrienden? Niemand wil hem tot nu toe helpen, zegt De Liever. Daarop doet A. hem een mooi aanbod. Als de nood aan de man komt, mag De Liever bij hem in Bosch en Duin komen.

Omstreeks juni 1942 belt Bram de Liever naar Bosch en Duin. Er zal iemand ‘over blik’ komen spreken met A. Dezelfde dag verschijnt ene Sieger Schuurman uit Amsterdam in Bosch en Duin. Die vertelt dat hij door De Liever is gestuurd, om te vragen of diens zwager, vrouw, dochter en zoon mogen onderduiken op Baarnseweg 37. Voor zichzelf heeft De Liever inmiddels toch een onderduikplek weten te vinden. De onderduikers mogen komen. Het gaat om het uit Amsterdam afkomstige echtpaar Koopman-Beetz met hun zoon van 15 jaar en dochter van 17. Israël Koopman en Schuurman zijn compagnons – Koopman heeft het meeste kapitaal ingebracht – in een handel in poetslappen. Afgesproken wordt dat de onderduikers, die op zolder ondergebracht worden, 80 gulden per week zullen betalen en dat Schuurman telkens dat geld en bonkaarten zal brengen.

Het gaat zo’n 15 maanden goed. Maar onderhand wil A. zijn onderduikers graag kwijt. De geheimhouding en de zorg om eten beginnen te drukken. Die praktische problemen worden op een dramatische wijze weggenomen.

Sieger Schuurman wordt in Amsterdam verraden. Door wie zal onduidelijk blijven. Op zondagavond 28 november verschijnt hij opeens met een medewerker in burger van de Sicherheitsdienst aan de deur bij Baarnseweg 37. Buiten houdt een medewerker van de Sicherheitspolizei de wacht. Met een revolver in de hand roept de eerste man – die later Kling zal blijken te heten – op harde toon: ‘Ik kom die joden halen! Wijs eens aan die joden!’ De onderduikers worden naar beneden gehaald en Bob Kling verhoort beurtelings mensen.

Op een onbewaakt moment vraagt A. aan Schuurman wie de boel verraden heeft. ‘Een jood’, is het antwoord. Zelf is Schuurman ook verraden en wordt hij gedwongen om mee te werken met Kling.

Als Kling een aanvankelijk stug ontkennende A. verhoort, blijkt hij al van de hoed en de rand te weten. Dat de onderduikers er al 15 maanden zitten, wat ze betalen, dat er twee radio’s zijn huis zijn – hij kent zelfs de merken (Sierra en Philips) – en volgens hem heeft hij dat allemaal uit de onderduikers gekregen. Volgens de latere verklaringen van A. raakt hij op dat moment in paniek, want de radio’s liggen – verstopt onder de vloer – bij twee kistjes met 40 revolvers en duizend patronen. Als de Sicherheitsdienst dat allemaal vindt, is hij ten dode opgeschreven. Volgens hem heeft wijkagent Rozendaal gevraagd die kistjes te verstoppen. Deze verklaring wordt later overigens volstrekt ongeloofwaardig genoemd door illegale werkers die met Rozendaal hebben samengewerkt. De politieman kan er zelf dan niets meer over zeggen, want hij is in 1944 in Zeist overleden.

A. ziet een uitweg als Bob Kling hem vraagt om andere onderduikadressen. Het is hem bekend dat B. in Soest ook een joods gezin in huis heeft. Het is niet zijn bedoeling om B. in grote problemen te brengen – om de onderduikers bekreunt hij zich minder of niet – en daarom vraagt hij aan Kling wat er gebeurt met onderduikgevers die verraden worden. Niets, zegt Kling en geeft hem zelfs ‘de hand er op’. Na deze belofte van de SD-man besluit A. het adres van B. te noemen.

Eerst worden de arrestanten in twee etappes met een auto van de politie Zeist naar het bureau gebracht. Uit het dagrapport van de gemeentepolitie Zeist:

'22 uur Assistentie verleend aan den Onderwachtm[eester] van politie Klink uit Den Haag, en den wachtm[eester] van politie Vogelenzang uit Amsterdam, die zich ten huize van Leeuwenkamp aan de Baarnscheweg no. 37 alhier bevonden, alwaar zij 4 Joden hadden aangetroffen. De Joden zijn door voornoemde personen overgebracht naar het bureau te Zeist.'

En vervolgens gaan Bob Kling en zijn medewerker (Sipke Vogelzang) met A. op pad naar Soest.

Omstreeks drie uur in de nacht wordt er hard aangebeld bij de woning van B., op Veenzoom 10 in Soest. Als B. de deur opent, ziet hij eerst de hem welbekende A. Die is de vorige middag nog bij hem langs geweest, wat hij nooit eerder heeft gedaan, om wat melk te kopen en vooral om over de onderduikers te praten. Ook B. wilde zijn onderduikers wel kwijt, om dezelfde redenen als A. Samen zouden ze andere onderduikadressen zoeken.

Maar nu komt A. niet alleen. Hij zegt nog: ‘Jongen, ik kan er niets aan doen. Ik kon niet anders!’ Direct stappen er twee personen in burger achter hem aan naar binnen, waarvan er een roept: ‘Waar zijn die rotjoden? Wijs aan die joden!’ Met een revolver in de rug brengt B. de beide mannen naar zijn onderduikers. Het is het gezin Goldman-Michael dat op de benedenverdieping verblijft.

Als SD-medewerker Kling en zijn collega even in de weer zijn met de onderduikers, sist A. naar B.: ‘Als je denkt dat je vastloopt, donder op, loop weg!’ Hij krijgt daarop volgens zijn latere verklaringen het antwoord: ‘Ik hoef niet weg te lopen, want ik doe net als jij. Ik wijs ook joden aan. Joden zijn er genoeg.

Desgevraagd mag A. weer naar huis. Acht dagen later zal hij Kling en een collega weer naar zijn huis zien komen. Hij zal dan het bos achter zijn huis in vluchten, maar het blijkt alleen om geld te gaan. Bob Kling zal weer vertrekken met een bedrag van 1.300 gulden, het bedrag dat A. en zijn echtgenote van de onderduikers hebben ontvangen.

In die noodlottige nacht van 28 op 29 november moet Icek Goldman zijn kapitaal van ongeveer 10.000 gulden afgeven, terwijl alle bezittingen van zijn gezin in twee zakken worden gedaan, die de zoon van B. overdag naar de Sicherheitsdienst in Den Haag moet brengen. B. zelf is voorlopig niet van de overvallers af. Hij moet vertellen hoe hij aan bonkaarten is gekomen. Die heeft hij voor relatief veel geld gekocht bij distributieambtenaar Marcus Onderdelinden in Soest. Prompt moet hij de woning van Onderdelinden aanwijzen, die ook gearresteerd wordt. Dan worden de Sipo-medewerkers met al hun arrestanten naar Zeist gereden. Tegen de echtgenote van B. roept Kling nog: ‘Wij nemen uw man mee, want hij heeft een beetje straf verdiend. Hij komt echter dinsdag om 12.00 uur weer naar huis.

B. zal die dinsdag niet thuis komen. Tot groot leedwezen van A. die Kling naar hem toe heeft gebracht, blijkt de belofte van de SD-medewerker van nul en generlei waarde te hebben. Hoewel B. zich volgens een politieman ‘slap’ opstelt bij de verhoren op het Zeister politiebureau en Kling geeft waar hij om vraagt – joodse onderduikers – zal hij nooit meer thuis komen.

De beide joodse gezinnen worden op 7 december 1943 geïnterneerd in strafbarak 67 van Kamp Westerbork.

Het gezin Koopman-Beetz wordt op 25 januari 1944 gedeporteerd naar Auschwitz, en daar na aankomst op 28 januari 1944 vermoord.

Voor het gezin Goldman-Michaël volgt deportatie op 8 februari naar Auschwitz. Daar zullen het echtpaar en hun dochter na aankomst op 11 februari 1944 vermoord worden. Hun zoon Elias wordt blijkbaar eerst nog als dwangarbeider benut, Hij sterft op 30 juni 1944 in Auschwitz. De vermelding van de gezinsleden op de Weinreb-lijst I heeft ze niet gebaat.

Jodenjager Bob (Joseph Franciscus) Kling verschijnt medio november 1947 voor het Bijzonder Gerechtshof in Utrecht, op de beschuldiging dat hij vier jaar eerder in vier dagen tijd 33 joodse onderduikers en 10 jodenhelpers gearresteerd heeft, waarvan er veel nooit teruggekomen zijn. Ook zou hij zich niet ontzien hebben om kinderen, bejaarden en zelfs stervenden te mishandelen. De procureur-fiscaal noemt Kling een zeer slecht mens die geen greintje schuldbesef of berouw heeft getoond en hij vordert de doodstraf.

In juni 1948 verschijnt Joseph Kling opnieuw voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Bosch, ditmaal wegens zijn werk voor het Judenreferat IV B4 van de Sicherheitsdienst in Den Haag, waarvoor hij ziekenhuizen en inrichtingen heeft afgestroopt op zoek naar joodse patiënten die hij arresteerde. Ook hiervoor wordt de doodstraf tegen de jodenjager geëist.

Tegen Kling is nu tweemaal de doodstraf geëist, maar hij ontkomt aan executie. Het Parool van 8 juli 1948:

Het Bijzonder Gerechtshof te Utrecht veroordeelde de beruchte Jodenvervolger J. F. Kling uit Amsterdam, gewezen administrateur bij de S.D. te 's-Gravenhage, die in bezettingstijd talrijke Joden aan de S.D. uitleverde, tot levenslange gevangenisstraf. Tegen hem was de doodstraf geëist, doch op grond van psychiatrische rapporten, die de beschuldigde als erfelijk belast kenschetsten, meende het Hof deze laatste eis, hoewel gerechtvaardigd, niet te moeten toewijzen.

Kling wordt in 1949 ingesloten in de psychiatrische inrichting Veldzicht in Avereest (Balkbrug). Hoe lang zijn verpleging duurt, is niet bekend, maar in De Telegraaf van 19 augustus 1977 staat een door zijn drie kinderen geplaatste advertentie, waarin ze laten weten dat hun ‘lieve vader’ na een langdurige ziekte toch nog onverwacht is overleden. Op eigen verzoek is hij in stilte begraven.

De arrestaties op Baarnseweg 37 en in Soest krijgen een vervolg, zodat een keten van arrestaties ontstaat. Zie Vossenlaan 7, Bosch en Duin, en Paduaweg 8, Den Dolder.

De onderduikgevers zijn geanonimiseerd (met A. respectievelijk B.) in verband met de belangen van hun nazaten.

Bronnen:

  • Nationaal Archief, toegang 2.0909, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inventarisnummers 63998 en 102673-3091/IV/’45, J.F. Kling
  • Channa Kalmann, ‘Hun namen niet vergeten. Herdenkingsstenen Amersfoort’, Stichting Regionaal Spitwerk, 2019, 83, gezin De Liever-Beetz
  • ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raadkaarten voor de leden van de gezinnen Koopman-Beetz en Goldman-Michael
  • Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor de leden van de gezinnen Koopman-Beetz en Goldman-Michael
  • Joods monument, de leden van de gezinnen Koopman-Beetz en Goldman-Michael
  • www.delpher.nl, diverse kranten

1. Baarnseweg 37

2. Medewerker Bob Kling van het Judenreferat IV b4 van de Sicherheitsdienst in Den Haag

3. Sipke Vogelzang

4. De Joodse Raad-kaart van Debora Koopman-Beetz

5. De Joodse Raad–kaart van Icek Jacob Goldmann

6. Wijkagent Adriaan Rozendaal van Bosch en Duin

7. Bericht in het Nieuwsblad van Frieslnd van 25 juni 1948 over de rechtszaken tegen Bob Kling

8. Overlijdensadvertentie van de voormalige jodenjager Joseph Franciscus Kling