Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
Antonlaan 16 (afgebroken; nu een andere locatie?)
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement))
In memoriam:
- Ludwig Leon Oppenheimer, ongehuwd, advocaat, wetenschappelijk auteur (Berlijn, 24 september 1878 – Auschwitz, 18 oktober 1944), bereikte de leeftijd van 66 jaar
Overige onderduikers:
- Michiel Groenteman, beursbediende, na de bevrijding snelfilmexploitant (Amsterdam, 20 april 1907 – Amsterdam, 1 maart 1974)
- Echtgenote Rachel Groenteman-Smit, redactiestenografe (Amsterdam, 3 september 1910 – Amsterdam, 26 augustus 1987)
- ‘Hans’ Marx, student
- Rosa Wassertrüdinger-Wiener (Fürth (Dld), 20 april 1891 – onbekend)
Onderduikgeefster:
- Pieternella de Heus-Jägers, weduwe, pensionhoudster (Culemborg, 17 februari 1902 – Zeist, 28 juni 1951)
Kinderen (1924, 1925, 1927, 1930-overleden in 1931, 1932, 1934, 1938, 1942)
Email Frans de Heus op 9 juni 2022:
‘Beste heer Van der Vorst
Ik las over het boek dat u geschreven hebt over onderduikers.
Ik ben erg benieuwd of er in dit boek ook iets verteld wordt over mijn grootouders, Wim de Heus en Pieternella Jägers die op de Antonlaan 16 woonden en ook Joodse onderduikers in huis hadden, waaronder de heer en mevrouw Groenteman.
Ik ben erg benieuwd of u daar iets over gevonden hebt.
Met vriendelijke groet,
Frans de Heus’
Over deze onderduiksituatie bleek in Zeist informatie te vinden. In het lokale bevolkingsregister was tijdens de bezetting op het adres Antonlaan 16 een vrouw geregistreerd met de naam ‘Elly Smit’, met als geboortegegevens 3 september 1910 in Amsterdam. Combinatie van die geboortedatum en de naam Groenteman leverde meteen de naam Rachel Groenteman-Smit op.
Mede op basis van een verslag van de vader van Frans de Heus en nader onderzoek kon de onderduiksituatie op Antonlaan 16 als volgt beschreven worden.
Op Antonlaan 16 woonden tijdens de bezetting Wim (Wilhelmus) en Pieternella de Heus-Jägers met hun grote gezin.
Meester-schoenmaker Wim de Heus vestigde zich in 1922 in Zeist, waar hij op De Wetlaan 74 een schoenmakerij begon. In de loop van de volgende jaren verhuisde hij met die schoenmakerij naar adressen in de Kritzingerlaan, Cronjélaan, Emmastraat, van Reenenweg, Antonlaan 12 en tenslotte Antonlaan 16. De Heus was een bijzondere Zeistenaar. Hij voetbalde een blauwe maandag, maar werd vooral een sterke atleet op de nummers discuswerpen en kogelslingeren. Hij werd geselecteerd voor de Olympische Spelen, maar door verwikkelingen kwam het niet tot daadwerkelijke uitzending.
Wim de Heus was in april 1923 getrouwd in Oosterbeek met veermansdochter Pieternella Jägers, en dit katholieke echtpaar kreeg in Zeist acht kinderen, waarvan een dochtertje in 1931 overleed. De Heus was een veelzijdige en actieve man. Naast zijn beroep en atletiek deed hij ook aan muziek. Hij werd voorzitter van het muziekgezelschap Entre Nous en leidde zelf een strijkje met de naam Red Boys. Nadat de atletiek er op zat, ging hij dammen, een sport waarin hij op lokaal niveau eveneens goed voor de dag kwam.
Het echtpaar De Heus-Jägers kreeg op 9 januari 1942 een dochtertje dat Irene werd genoemd. Na de geboorte kregen ze brieven met onder meer de uitspraak: ‘Weer een die over tien jaar haar naam niet meer durft te noemen.’
Wim de Heus werd ernstig ziek en zou op 18 juni 1943 overlijden aan longkanker, op 46-jarige leeftijd. Zijn echtgenote had moeite om een opvolger te vinden voor de schoenmakerij en ze begon een soort pension annex onderduikhuis, waarin ze joodse onderduikers opnam. Er moet een relatie met illegale werkers zijn geweest. Beider oudste zoon Frits zou na de bevrijding zijn ervaringen over de bezetting opschrijven, waarbij hij ook informatie noteerde over de onderduikers die op Antonlaan 16 waren geweest.
De eerste onderduiker die in 1942/1943 kwam, was de joodse student Hans Marx. Mogelijk werd hier de joodse student Ernst Marx mee bedoeld, die ook op andere adressen in Zeist verbleef (zie het grote Onderduikboek, pagina’s 127, 129 en 394). Hoe lang deze onderduiker op Antonlaan 16 bleef, is niet bekend.
Na zijn vertrek kwam Rosa Wassertrüdinger-Wiener, een joodse Duitse. Zij was de weduwe van dr. Max Moritz Wassertrüdinger, advocaat bij het Landgericht Nürnberg en bij het Oberlandesgericht Nürnberg. Hij was op 30 juni 1937 overleden, op 52-jarige leeftijd. Na de Reichskristallnacht op 9/10 november 1938 vluchtten zijn weduwe en dochter Hildegard van Nürnberg naar Alkmaar, waar ze zich in de zomer van 1939 vestigden. Joodse Duitsers moesten na de Duitse inval weg uit de kuststreek, omdat de bezetter ze als potentiële spionnen beschouwde bij een mogelijke invasie.
Op 7 januari 1941 kwamen moeder en dochter naar Zeist. Voor een week of 9 vonden ze onderdak op Bergweg 84, waarna ze op Wilhelminalaan 20 gingen wonen. Op 1 september 1942 moesten ze gedwongen verhuizen naar Amsterdam, waar twee adressen werden genoteerd in het bevolkingsregister, maar uiteindelijk doken moeder en dochter onder. Rosa Wassertrüdinger-Wiener dus op Antonlaan 16, waar ze geruime tijd bleef. (Na de bevrijding keerde ze terug op Oranje Nassaulaan 33 in Zeist.)
Nadat ook zij vertrokken was, kwamen er drie nieuwe joodse onderduikers in huis.
Ludwig Leon Oppenheimer (Berlijn, 1878) was een Duitse advocaat en wetenschappelijk auteur. Hij werkte aan een biografie van de Nederlandse filosoof, politiek denker en exegeet uit de Gouden Eeuw Baruch Spinoza. Oppenheimer kon zeer slecht zien – hij was bijna blind – en kreeg op Antonlaan 16 de grote slaapkamer met balkon. Zijn persoonsbewijs stond op naam van ‘Gerrit Manussen (Amsterdam, 1880)’.
Dat hij op Antonlaan 16 terecht kwam, was mogelijk geregeld door Ernst Marx of diens oom Frits Steiner die beiden illegaal actief waren, de gemengd gehuwde arts Steiner vanuit Amsterdam. Oppenheimer was namelijk een oude vriend van hun grootmoeder Laura Henschel-Rosenfeld.
Hij was op 31 maart 1933 ingeschreven in het verblijfsregister van Rotterdam. Na enkele maanden had hij zich in Amsterdam gevestigd, om zich in oktober 1940 in Wageningen te voegen bij Laura Henschel-Rosenfeld, haar dochter Grete Steiner en twee andere, oudere joodse vrouwen die Duitsland ook in 1933, na de machtsovername door Hitler, ontvlucht waren. Ze waren gezamenlijk naar Zeist verhuisd, waar ze van burgemeester Visser de woning Verlengde Slotlaan 125 hadden gehuurd. In augustus 1942 waren ze allen gedwongen om naar Amsterdam te verhuizen. (Zie pagina’s 18-21 van het grote Onderduikboek, waarin Oppenheimer ook ter sprake komt als ‘Onkel Ludwig’).
De vijf oudere joodse vluchtelingen waren in Amsterdam gesplitst gehuisvest. Ludwig Leon Oppenheimer was van 1 september 1942 naar Rubensstraat 60 II verhuisd, en op 3 maart 1943 naar Gaaspstraat 81 boven. Niet lang daarna moet hij ondergedoken zijn. Volgens zijn valse persoonsregistratie in het bevolkingsregister van Zeist kwam hij daar op 3 juni 1942 (een onjuiste datum dus) van Pieter de Hoochstraat 12 in Amsterdam naar Platolaan 73. Of hij daar werkelijk geweest is, is niet bekend en uiteindelijk dook hij onder op Antonlaan 16. Zijn onderduik aldaar zou uitmonden in een drama.
Ongeveer tegelijk met Ludwig Leon Oppenheimer kwam een jong joods echtpaar uit Amsterdam. De man was beursbediende en zijn uiterlijk werd door Frits de Heus beschreven als typisch joods: ‘kromme neus, pikzwart haar en een donkerblauw doorschijnende huid door zijn baard’. Hij heette Michael of Shel Groenteman. Zijn vrouw Rachel Groenteman-Smit had geen joods uiterlijk en werd Ellen genoemd. Zij werd op 10 oktober 1943 in het Zeister bevolkingsregister geregistreerd als de Nederlands hervormde, ongehuwde ‘Elly Smit’, geboren in Amsterdam en in 1939 verhuisd naar Wisch (adres B 39), van waaruit ze naar Zeist was gekomen. De namen van haar ouders waren vervalst.
Het echtpaar kwam oorspronkelijk uit de Amsterdamse Rivierenbuurt, waar ze op Geleenstraat 13 III, naast ijssalon Oase hadden gewoond. Ze hadden een dochtertje Hanneke, dat elders was ondergebracht. Voor hen was op Antonlaan 16 alleen nog een heel klein kamertje beschikbaar. Later aten ze met de weduwe De Heus-Jägers en haar kinderen mee aan tafel. Ze betaalden 150 gulden per maand. (Wat Oppenheimer betaalde, is niet bekend.) Voor Michael Groenteman was een schuilplaats gemaakt in een ingebouwde hangkast. Door een zijwand weg te nemen, kon Groenteman zich verstoppen in een kleine ruimte, waar buizen doorheen liepen. Aan de binnenkant van de zijwand waren twee handgrepen aangebracht, zodat men in de schuilplaats de zijwand naar zich toe kon trekken. Op die manier was niet zichtbaar dat daar iets achter zat.
Het noodlot sloeg toe op een donderdag, vermoedelijk 25 mei, of anders 1 juni, 1944. Het gezin De Heus-Jägers en het echtpaar Groenteman-Smit zat om ongeveer zes uur ’s avonds aan tafel, toen voor het huis een lage Citroen stopte, een veel door de Sicherheitsdienst gebruikte wagen. Er stapten vier mannen uit. Michael Groenteman vloog naar boven, naar zijn schuilplaats. Zijn bord en bestek werden direct naar de keuken gebracht. In een mum van tijd stond er een SD’er voor het raam aan de voorkant van het huis en één achter het huis. Toen na het bellen de voordeur geopend werd, stormden twee SD’ers naar binnen en ondervroegen Pieternella de Heus-Jägers over de inwoners. Daarna keken ze rond en gingen ze naar boven, waar ze Oppenheimer aantroffen. Diens valse persoonsbewijs hielp hem niet: ‘… had een uitgesproken joods uiterlijk’. Bovendien stond hij niet ingeschreven op Antonlaan 16. Zijn onderduikgeefster werd beschuldigd een joodse man verborgen te hebben, maar ze bestreed dat bij hoog en bij laag. Ludwig Leon Oppenheimer had immers een Nederlands identiteitsbewijs op de naam ‘Gerrit Manussen’. Ze kwam er voor dat moment mee weg en werd zelf niet meegenomen.
Oppenheimer werd wel meegenomen. Toen hij naar de wagen liep, botste hij door zijn slechte gezichtsvermogen tegen het tuinhek aan. Zijn verblijf bij de Sicherheitsdienst zal niet langer geduurd hebben dan de doorgaans gebruikelijke 1-2 weken. Hij werd op 6 juni 1944 ingesloten in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork. Op 4 september volgde deportatie naar Theresienstadt, en anderhalve maand later, op 16 oktober naar Auschwitz. Daar werd Ludwig Leon Oppenheimer op 18 oktober 1944 vermoord. Zijn naam zou vermeld worden op het Holocaust-monument Niet Weer, Nooit Meer in het Walkartpark in Zeist en op de Naamwand van het Monument voor de Gevallenen in Wageningen. Direct na zijn arrestatie haalde een joodse organisatie het manuscript voor het boek over Spinoza op. Waar dat manuscript gebleven is, is niet bekend.
De Sicherheitsdienst kwam ’s zaterdags na de arrestatie van Ludwig Leon Oppenheimer terug, om de eigendommen van Oppenheimer in beslag te nemen. Het was ook de bedoeling om Pieternella de Heus-Jägers te arresteren, maar die was niet thuis. Ze dook zes weken onder en ontkwam zo aan de toen gebruikelijke gang voor onderduikgevers naar Kamp Vught.
Bij de inval was Michiel Groenteman niet ontdekt in zijn schuilplaats. Zijn echtgenote had lijkbleek, en verstijfd van schrik, aan tafel gezeten. De SD’ers zagen haar over het hoofd en ze had een waterdicht vervalst persoonsbewijs waarmee ze officieel ingeschreven stond op Antonlaan 16. Na een paar weken werd het echtpaar om veiligheidsredenen ondergebracht op een ander onderduikadres. Waar is niet bekend.
Nadat haar ‘pension’ was beëindigd, probeerde Pieternella de Heus-Jägers toch de schoenmakerij voort te zetten. Ze nam begin augustus 1944 een 62-jarige schoenmaker uit Lunteren in de kost, maar die vertrok 10 dagen later weer naar Lunteren terug. Ook met andere knechten lukt het niet. Ze nam in januari 1945 een ijssalon over op Oude Arnhemseweg 203, die van de NSB’er G.J. P. (banketbakker) was geweest. Maar dat werd geen succes en dat gold ook voor haar huwelijk in oktober 1945 met een van de laatste schoenmakersknechten. Zowel de zaak als het huwelijk eindigde in februari 1950. Pieternella overleed in 1951, op 49-jarige leeftijd.
Haar zoon Frits had inmiddels gezocht naar informatie over het lot van Ludwig Leon Oppenheimer. Het Rode Kruis had hem alleen kunnen vertellen dat Oppenheimer via Kamp Westerbork naar Theresienstadt was overgebracht, maar verdere gegevens ontbraken nog. Bij een bezoek aan Yad Vashem in Israël, zag hij in de registers dat Ludwig Leon Oppenheimer in Auschwitz was vergast.
Er was meteen al een vermoeden geweest wie Oppenheimer verraden zou kunnen hebben. Dochter Cisca de Heus werkte in 1944 in de kapsalon Maison Dürr op Slotlaan 82. Ze was enigszins bevriend met een vrouwelijke collega, die ze ook wel mee naar huis nam. Die vertelde een keer, dat haar vriend, die bij de marechaussee werkte, tijdens een razzia op het punt stond een joodse man te arresteren, die voor zijn neus van drie hoog uit het raam was gesprongen. Toen de collega weer eens op Antonlaan 16 kwam, en in de gang stond, verscheen Oppenheimer boven aan de trap. Ze vroeg wie de man was. Kort daarop volgde de inval van de Sicherheitsdienst, wat het gezin De Heus-Jägers deed vermoeden dat zij achter het verraad zat. Onderzoek vond er nooit plaats?
De andere onderduikers van Antonlaan 16 overleefden de bezetting.
Als de joodse student ‘Frans’ Marx werkelijk Ernst Carl Herman Marx (Almelo, 5 december 1922 – Driebergen, 22 april 2001) was, dan werd hij bedrijfskundige en hoogleraar organisatiekunde aan de Universiteit van Leiden.
Rosa Wassertrüdinger-Wiener vestigde zich weer in Zeist, op Oranje Nassaulaan 33, maar vertrok enkele jaren later naar het buitenland.
Journaliste en tv-presentatrice Hanneke Groenteman is de dochter van Michiel en Rachel Groenteman-Smit. Zij vertelde veel over haar eigen onderduik en de hereniging met haar ouders. Toen die een oproep hadden gekregen om zich melden, had haar moeder dat niet vertrouwd. Het echtpaar was ondergedoken en dochtertje Hanneke (1939) was gescheiden van hen ondergebracht door de verzetsgroep van het Utrechts Kindercomité. Vanwege de angst voor verraad was zij steeds naar een ander adres gebracht, één keer ’s avonds, in een deken gewikkeld op een kar.
Later kon Hanneke zich niets meer herinneren van haar onderduikadressen, uitgezonderd het laatste adres in Rijnsburg, waar ze terecht kwam bij de zeer gereformeerde familie Van Starkenburg, een liefdevol gezin waar ze anderhalf jaar bleef, tot de bevrijding. Daar gold ze als een nichtje uit Oegstgeest.
Zes weken na de bevrijding hadden er opeens – telefoon was er niet – een mevrouw en een meneer voor de deur in Rijnsburg gestaan, twee vreemde mensen die zeiden dat ze haar ouders waren. Ze kwamen met een legerjeep. De 5-jarige Hanneke had ze zich anders voorgesteld, haar moeder met een bril en haar vader zonder. Het bleek andersom te zijn: ‘Ik was heel erg teleurgesteld omdat ik ze heel anders had voorgesteld. Dat ik met ze mee moest vond ik helemaal niet leuk. Want het was erg fijn bij tante Cor en wilde dus helemaal niet weg. Mijn vader zei later dat ik op het moment dat ze voor de deur stonden ik meteen in hun armen rende en bij hen op schoot ging zitten. Maar dat was niet zo. Toen de bel ging en aan mij verteld werd “dit zijn je ouders en je moet met ze mee”‘, rende ik weg, naar achteren zo de tuin in. Ik heb me toen verstopt achter de kassen bij de bloembollen. En ze hebben mij met zijn allen moeten zoeken.’
Zoals vaak met langdurig gescheiden ondergedoken joodse ouders en kinderen was het niet eenvoudig om weer aan elkaar te wennen: ‘Ik moest weer aarden in een vreemde stad, in een vreemd verdrietig gezin, met vreemde gewoontes. Ze baden nooit. Ze gingen nooit naar de kerk. Er was niet eens een bijbel! Ik had heimwee naar mijn onderduik. Het is goed gekomen natuurlijk. Ik had lieve ouders, al werd er nauwelijks meer over de oorlog en de onderduik gepraat. We hadden het druk met weer wortelen, met werk zoeken, met school. De heimwee ging over. Maar de bevrijding is voor mij nooit echt feest geworden’.
De moeder van Michiel Groenteman was vermoord in Sobibor. De ouders van Rachel Groenteman-Smit hadden overleefd en kwamen bij hen inwonen. Over de oorlog werd niet gesproken, maar wel over de vrienden die niet meer teruggekomen waren.
Nu spijt het Hanneke dat ze haar ouders nooit bevraagd heeft. In een interview: ‘Ik had dat een keer moeten doen, als ik de moed had gehad. De tafel mooi moeten dekken en alles wat ik op mijn hart had en met de psychiater besprak, ook met mijn ouders en broertje moeten bespreken. Maar je doet zoveel niet met je ouders, dat achteraf hele goede ideeën lijken. Ik raad je aan, als je ouders nog leven, om ze een keer goed te interviewen over hun leven. Zo vaak denk ik: had ik maar meer gevraagd aan ze. Had ik ze maar het hemd van het lijf gevraagd, zoals ik dat ook in mijn werk doe. Hoe hebben jullie elkaar precies ontmoet? Hoe hebben jullie gemerkt dat de oorlog eraan kwam? Hoe hebben jullie mij laten onderduiken? Hoe hebben jullie na de oorlog de draad weer opgepakt? Ik zou een serie interviews kunnen maken. Niet omdat ze zo ontzettend interessant waren, mijn ouders. Maar voor mij waren ze dat wel.’
Met andere voormalige onderduikers tekende ze in 2020 de brief voor de kinderen van Moria, waarin het overheidshandelen aan de kaak gesteld werd: ‘Dat er weer allemaal kinderen zijn die Europa niet in kunnen, die in kampen moeten blijven zitten. Dat de Nederlandse regering er met veel moeite 100 wilde opnemen, maar die moesten dan wel uitgeruild worden tegen anderen. Zoals we vandaag de dag, in al onze oneindige luxe en vrede, omgaan met de verweesde kinderen en mensen daar, is zo onfatsoenlijk.’
Hanneke weet dat haar ouders in Zeist bij de familie De Heus ondergedoken hadden gezeten: ‘Heetten de dochters niet Beatrix en Irene?’ (Dat was een juiste herinnering.) Er was na de bevrijding vaak over de familie De Heus gesproken en haar ouders hadden volgens haar na de bevrijding nog contact gehad met de familie.
Bronnen:
- Mededelingen van Frits de Heus (naoorlogs verslag), Frans de Heus en Hanneke Groenteman
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Elly Smit’ en ‘Gerrit Manussen’; oud bevolkingsregister
- www.geheugenvanzeist.nl, oude kranten (W. de Heus)
- Stadsarchief Amsterdam, indexen, archiefkaarten voor Michiel en Rachel Groenteman-Smit, Ludwig Leon Oppenheimer en Rosa Wassertrüdinger-Wiener
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Michiel en Rachel Groenteman-Smit, Ludwig Leon Oppenheimer en Rosa Wassertrüdinger-Wiener
- www.deutsche-digitale-bibliothek.de/item (over de pensioenrechten van Rosa Wassertrüdinger-Wiener en haar dochter)
- Wikipedia, Ernst Carl Herman Marx, Hanneke Groenteman
- Lijst van 24 juli 1942 van NSB’ers in Zeist
- Onderduikervaringen van Hanneke Groenteman:
- inmijnbuurt.org/verhalen/ik-had-het-fijn-bij-tante-cor-en-ome-kees/
- www.deterugkeer.nl/hanneke-groenteman
- www.brainwash.nl/bijdrage/het-gevoel-een-buitenstaander-te-zijn-zal-altijd-blijven
- www.zin.nl/2020/03/12/naar-huis-mijn-huis-is-hier-dacht-het-kind/
1. Antonlaan 16 (inmiddels afgebroken) met het tuinhek
2. Wim de Heus in 1919
3. Wim de Heus in Olympisch kostuum
4. De kinderen uit het gezin De Heus-Jägers
4. Valse persoonsregistratie van Rachel Groenteman-Smit, als ‘Elly Smit’
5. Geboorte-advertentie voor Irene Emma de Heus in De Zeister Courant van 10 januari 1942
6. Het echtpaar De Heus-Jägers op 10 mei 1943, precies 3 jaar na de Duitse inval en enkele weken voor Wims dood
6. Wim de Heus met zoon Frits
8. Benedictus de Spinoza, gelatiniseerde vorm van Baruch Spinoza (Amsterdam, 24 november 1632 – Den Haag, 21 februari 1677) was een Nederlandse filosoof, politiek denker en exegeet uit de Gouden Eeuw
9. Valse persoonsregistratie van Ludwig Leon Oppenheimer, als ‘Gerrit Manussen’
10. Hanneke Groenteman (Wikipedia)
11. Pieternella de Heus-Jägers in 1945











