Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement)
Onderduikers:
- Herbert Ginsberg (Gilbert), bankier (Berlijn-Duitsland, 27 september 1881 – New York-VS, 5 november 1962), en
- echtgenote Olga Ginsberg (Gilbert)-Lachmann (Berlijn-Duitsland, 20 september 1888 – New York-VS, 18 maart 1963)
Onderduikgevers:
- Evert Kiers, commies bij de Nederlandse Buurtspoorweg Mij (Harlingen, 23 oktober 1897 – Zeist, 31 juli 1966), en
- echtgenote Johanna Maria Kiers-Nelemans (Ginneken en Bavel (Breda), 7 juni 1902 – na 31 juli 1966)
Drie kinderen (1932, 1934 en 1935)
Volgens de valse inschrijving van ‘Herman Ginsberg’ in het Zeister bevolkingsregister woonde hij met zijn echtgenote ‘Olga Ginsberg-Lastman’ vanaf 10 september 1941 op Wilhelminalaan 12. ‘Herman Ginsberg’ zou makelaar van beroep zijn en het rooms-katholieke geloof aanhangen. Met zijn echtgenote zou hij in Den Haag op Ruychrocklaan 96 gewoond hebben, en vervolgens vanaf 10 oktober 1940 op Groenekanseweg 96 in De Bilt, alvorens naar Wilhelminalaan 12 te zijn verhuisd.
Nader onderzoek wijst al gauw uit dat het hier om het joodse echtpaar Herbert en Olga Ginsberg-Lachmann gaat. Hun geboortedata kloppen. Hun wieg stond echter niet in Groningen respectievelijk Den Haag, maar in Berlijn. De gegevens van hun ouders waren verzonnen. Het Haagse adres klopt. Op 24 oktober 1940 moesten beiden van de bezetter weg uit de kuststrook:
- Herbert Ginsberg ging op die datum in pension Huize Nassau van de dames Abshoven, op Wilhelminalaan 32 (op 25 februari 1942 hernoemd tot Stadhouderslaan 32);
- Olga Ginsberg-Lachmann ging op Slotlaan 29bis wonen, maar voegde zich op 4 december 1940 bij haar echtgenoot in het pension.
Aan deze joodse onderduikers is een bijzondere geschiedenis verbonden die nog lang niet ten einde is en nog veel vragen kent.
Herbert Ginsberg was geen makelaar van beroep. Hij was een Duits-joodse industrieel, bankier en kunstverzamelaar. Hij werd in Berlijn geboren als tweede zoon van het echtpaar Isidor en Anna Ginsberg-Wolff (en dus niet ‘Frederik en Martha Ginsberg-Martens, zoals in Zeist werd genoteerd). Zijn vader was fabriekseigenaar.
De Ginsbergs waren een rijke familie, oorspronkelijk afkomstig uit Rusland. Ze bezaten fabrieken voor de verwerking van katoen in Polen en stichtten in 1866 in Berlijn een bedrijf dat later de particuliere bank Gebrüder Ginsberg zou worden. In de Berlijnse society manifesteerden de Ginsbergs zich als begunstigers en ondersteuners van veel sociale en wetenschappelijke instituten.
Herbert Ginsberg studeerde economie en rechten in München en Berlijn. Hij promoveerde in 1904 in Heidelberg tot doctor in de rechten.
In 1907/1908 ondernam de vrijgezelle Ginsberg met zijn drie jaar oudere broer dr. Edgard Maximilian Ginsberg een wereldreis die zes maanden zou duren. In 1900 had hij van zijn oom Max Schlesinger een sculptuur gekregen van de in pantser geklede oorlogsgod Bishamon (bestraffer van boosdoeners). Uit zijn dagboeken lijkt op te maken dat zijn verblijf in Azië zijn belangstelling voor Oost-Aziatische kunst aanwakkerde. Alleen in Japan kocht hij al zo’n 300 houtsnijwerken en 160 netsukes (met de handgesneden gordelknopen). Terug in Berlijn zou Herbert Ginsberg nog meer dan 15 jaar intensief verder gaan met het verzamelen van Oost-Aziatische kunst uit China, India, Japan en Korea, door internationale aankopen op veilingen.
Op 17 mei 1910 trouwde Ginsberg in Berlijn met de eveneens joodse Olga Lachmann. Zij was de dochter van fabriekseigenaar Georg Lachmann en zijn uit Amsterdam afkomstige echtgenote Hedwig Eltzbacher. Grootvader Gustav Eltzbacher was een bankier die met zijn broer Julius van Zandvoort een gewilde badplaats had gemaakt. In haar jeugd had Olga Lachmann regelmatig haar grootouders Eltzbacher-Raffalovich in Zandvoort bezocht.
Een jaar na haar huwelijk met Herbert Ginsberg werd dochter Marianne Ginsberg (1911-1996) geboren. Ginsberg werkte na het behalen van zijn doctoraat in de familiebedrijven, de textielfabrieken in Polen en bij Gebrüder Ginsberg op Neustädtische Kirchstraße 57 in het centrum van Berlijn. Laatstbedoeld bedrijf was in 1866 gesticht, en in december 1920 omgeturnd tot een particuliere bank die geleid werd door Herbert Ginsberg en zijn neven Ludwig en Max Ginsberg.
Financieel ging ‘t het echtpaar Ginsberg-Lachmann voor de wind, en Herbert Ginsberg breidde zijn kunstcollectie tot 1923 met veel toewijding uit. Hij deed zijn aankopen in Amsterdam, Frankfurt am Main, Hamburg, Londen, München, Parijs en vooral in Berlijn.
Zo ontstond een uiterst kostbare collectie, waaruit kunstwerken vaker opgenomen werden in tentoonstellingen. Vanaf 1924 deed Herbert Ginsberg nog maar spaarzaam aankopen – voor het laatst in november 1929 – en werd hij bestuurlijk actief op het gebied van de Oost-Aziatische kunst. Al in 1910 was hij op uitnodiging ondersteunend lid geworden van de Oost-Aziatische kunstafdeling van de staatsmusea in Berlijn en in 1924 trad hij toe tot de commissie van deskundigen. In 1926 was hij een van de oprichters van de Society for East Asian Art, waarvan hij penningmeester werd.
Het belang van Ginsbergs Oost-Aziatische collectie en zijn expertise blijkt ook uit het feit dat hij als bruikleengever optrad voor veel nationale en internationale tentoonstellingen.
In 1912 werden op de tentoonstelling van oude Oost-Aziatische kunst aan de Berlijnse Kunstacademie voor het eerst veertien collectiestukken getoond, voor het merendeel gekleurde houtsneden.
In de maanden januari-april 1929 werden 21 objecten tentoongesteld op de internationale tentoonstelling Ausstellung Chinesischer Kunst van de Gesellschaft für Ostasiatische Kunst aan de Academie van Beeldende Kunsten.
Zelfs na de machtsovername door de nazi’s kon Herbert Ginsberg aanvankelijk nog als bruikleengever optreden. In 1934 waren stukken uit zijn collectie te zien op de tentoonstelling Six Centuries of Pottery Art in Berlijn. In 1935 trad hij internationaal op als bruikleengever aan de International Exhibition of Chinese Art aan de Royal Academy of Arts in Londen (november 1935-maart 1936) en de tentoonstelling Die Kunst des alten Japans in het Kunstgewerbemuseum in Basel (februari-maart 1935).
De machtsovername door de nazi’s maakte in de volgende jaren toch ook een eind aan het goede bestaan van het echtpaar Ginsberg-Lachmann. De bank Gebrüder Ginsberg werd in 1938 ‘geariseerd’ en het leven was toen voor joodse Duitsers al jaren totaal onmogelijk geworden. Eerder was Herbert Ginsberg al gedwongen om zijn penningmeesterschap van de mede door hemzelf opgerichte Society for East Asian Art op te geven.
Een poging van het echtpaar om met dochter Marianne naar Brazilië te emigreren mislukte. Daarna wilden ze naar de Verenigde Staten. Marianne slaagde erin om in het voorjaar van 1938 naar New York te vluchten. Dat lukte haar ouders niet meer. Op 7 juli 1938 vluchtten Herbert en Olga Ginsberg-Lachmann zelf naar het Zwitserse Basel. Ze moesten hun twee villa’s aan het meer Kleiner Wannsee bij Berlijn, hun grote appartement in Berlijn-centrum en een groot deel van hun andere familiebezittingen in Berlijn achterlaten.
In afwachting van toestemming om ook naar de Verenigde Staten te mogen komen, reisde het echtpaar door naar Nederland, waar ze familiaire en zakelijke relaties hadden. Beide echtelieden werden op 18 oktober 1938 ingeschreven in het bevolkingsregister van Den Haag. Na een kort verblijf in de Van Alkemadelaan vestigden ze zich op Ruychrocklaan 96.
Bijzonder was dat Herbert Ginsberg erin slaagde om een deel van zijn omvangrijke kunstcollectie mee te nemen op zijn vlucht. Niet bekend is onder welke omstandigheden hem dat lukte. Zijn totale collectie Ostasiatica, zoals Oost-Aziatische kunstwerken genoemd worden, bestond onder meer uit bronzen beelden, houtsnijwerken, Chinese en Japanse schilderijen, porselein, gewaden, wapens en netsukes. In publicaties worden verschillende aantallen genoemd als het gaat om de totale collectie die Ginsberg had: 825, 836 en 931 stukken. Het deel dat Ginsberg in voorlopige veiligheid wist te brengen, bestond uit in totaal 380 collectiestukken in 13 verschillende dozen.
In 1939 gaf hij 136 kunstvoorwerpen in bruikleen aan het Gemeentemuseum/Kunstmuseum Den Haag. Waar hij de rest van de 380 stukken tijdelijk onderbracht, is niet bekend. Maar vooral is het de vraag wat er tussen 1929 en 1939 met de overige (maximaal) 551 Ostasiatica van de collectie gebeurd was. Tot nu toe is er geen bewijs dat Ginsberg ze op de kunstmarkt had verkocht, maar hij zou ze later ook niet in claims noemen.
Tijdens zijn ballingschap in Nederland organiseerde Ginsberg in 1939 nog een tentoonstelling Netsuke in de galerie van Felix Tikotin in Den Haag. Maar niet lang na de Duitse inval in Nederland dwong de bezetter joden te vertrekken uit de kuststreek, omdat ze gezien werden als spionnen in het geval van een invasie.
Op 24 oktober 1940 vertrok het echtpaar Ginsberg-Lachmann gedwongen uit Den Haag, naar Zeist. In juni van dat jaar kwamen hun namen voor op een opgave van joodse inwoners van Zeist, die de burgemeester van Zeist aan de Sicherheitspolizei in Utrecht verstrekte.
Intussen was de bezetter begonnen met het confisqueren van kunstwerken van joodse eigenaren. De 136 Ostasiatica in het Gemeentemuseum/Kunstmuseum waren niet langer veilig. In februari 1941 adviseerde wetenschappelijk medewerker Van Thienen van het museum om de collectie weg te halen. Ginsberg volgde dat advies op. Als dank voor het onder beheer nemen van zijn Ostasiatica in de periode 1939-1941 schonk hij in 1941 drie objecten aan het Gemeentemuseum/Kunstmuseum Den Haag. Dat waren een bronzen bel en twee grafsculpturen die nog steeds in het bezit zijn van het museum.
Herbert Ginsberg bracht daarop zijn Ostasiatica onder bij zijn vriend Johan Christiaan van Dijk, een Rotterdamse bankier en belegger. Dat betrof de 380 collectiestukken die hij mee had weten te nemen op zijn vlucht.
Net als veel andere joodse inwoners kreeg het echtpaar Ginsberg-Lachmann een oproep om zich op 19 augustus 1942 met gepakte handkoffers gereed te houden voor gedwongen verhuizing naar het joodse ghetto in Amsterdam. Het was hen duidelijk dat het de bedoeling was om mensen daar te concentreren voor verdere anti-joodse acties. Omdat ze niet meer konden emigreren, besloten ze onder te duiken, onder het motto ‘Aide-toi et Dieu t’aidera’, zoals Ginsberg in zijn naoorlogse verslag over de onderduikperiode zou schrijven. De aanwijzingen van de Joodse Raad vertrouwde hij al lang niet meer.
De joodse binnenhuisarchitect André Michaelis en diens niet-joodse, Zwitserse echtgenote wisten een onderduikadres. Zelf woonden ze op Ernst Casimirlaan 23. Ernst Casimirlaan 25 vormde een hoekpand met Anna van Burenlaan 8, waar kennissen van hen woonden. Het echtpaar Evert en Johanna Maria Kiers-Nelemans bleek bereid om onderduik te verschaffen aan het echtpaar Ginsberg-Lachmann.
De Fries Evert Kiers was in maart 1929 van Utrecht naar Zeist verhuisd, waar hij op Torenlaan 29 was gaan wonen. In mei 1931 was hij – toen commies bij de Nederlandse Buurtspoorweg Mij – getrouwd met de in Noord-Brabant geboren en in Zeist woonachtige Johanna Maria Nelemans. Ze woonden toen op Kroostweg 21b. Een klein jaar na de geboorte van een zoontje in 1932 was Johanna Maria Kiers-Nelemans met de baby naar Utrecht vertrokken – haar echtgenoot bleef achter op Jagerlaan 51 – om ruim een jaar later terug te keren naar Zeist, waar de echtelieden weer samen gingen wonen op Nicolaas Beetslaan 60. Daar werden een tweede zoon in 1934 en een dochter in 1935 geboren. Van 1936 tot en met 1939 woonde het gezin op Oude Arnhemseweg 283. Op enig moment – na de Duitse inval? – waren ze in de half vrijstaande villa Anna van Burenlaan 8 gaan wonen, waar ze ook een dagmeisje inhuurden.
Evert Kiers was tijdens de bezetting voorzitter van de Belangenvereniging ‘De Hooge Dennen – Kerckebosch’ die 250 leden telde.
Evert en Johanna Maria Kiers-Nelemans stonden vijandig tegenover de bezetter en konden bovendien met hun grote huis en drie kinderen wel extra inkomsten gebruiken – volgens Ginsberg conform de ingeboren animo van Nederlanders voor speculatief gewin. Eerder waren daar al bezittingen opgeslagen op een zolderkamer. Ze namen in totaal 42 ‘gebruiksvoorwerpen’ uit de kunstcollectie, zoals Aziatische tapijten en lampen, mee naar het onderduikadres.
Vooraf was toegezegd dat de onderduikers onder geen beding op straat zouden worden gezet, zelfs wanneer de doodstraf op onderduik geven gezet zou worden.
Op zaterdag 15 augustus 1942 betrokken Herbert en Olga Ginsberg-Lachmann een onderduikruimte die beslist comfortabel – riant – genoemd mocht worden. Ze kregen de beschikking over:
- een grote slaapkamer op de bovenverdieping en een naastgelegen badkamer, met bad, waarvan de boiler door nachtstroom verhit werd en altijd warm water bood, en toilet;
- eveneens op de bovenverdieping een terras met uitzicht over diverse achtertuinen;
- in de parterre een grote woonkamer (6 bij 8 meter) met velours vloerbedekking, eigen meubels en uitzicht door de brede openslaande deuren op de achtertuin.
De villa lag gunstig gesitueerd op een hoek waar de kruising een soort pleintje vormde, waardoor buren geen inkijk hadden. De omgeving beviel Ginsberg wel. In zijn woorden (vertaald): ‘Deze straat ligt in een geheel modern aangelegde wijk van Zeist, direct aan het Zeisterbos. De villa’s vormen als randbebouwing een omlijsting van de achtertuinen, die gezamenlijk een tuinoppervlakte van circa 20.000 m² beslaan. De villa’s hebben bovendien allemaal voortuinen, meestal goed onderhouden en voorzien van prachtige bloemenperken langs brede straten, die zich onderscheiden door verschillende tuinarchitectonische aanlegvormen. Vaak worden de tuinen nog eens van de straat afgescheiden door dichte struiken (bijvoorbeeld wilde rozen in de meest uiteenlopende soorten en geuren). Daarnaast staan bijvoorbeeld in de Burenlaan afwisselend witte en rode esdoorns, waarvan de betoverende bloesem aan Japanse kersenbomen doet denken, voordat zij hun bruine bladerkleed afwerpen. Kortom, precies wat men in Engeland een Garden City noemt.’
Hoewel hun namen voorkwamen op een lijst die de gemeente Zeist op 19 september 1942 opmaakte van nog aanwezige joodse inwoners was het echtpaar Ginsberg-Lachmann toen dus al ruim een maand vertrokken uit Wilhelminalaan 32. Beter gezegd, uit Stadhouderslaan 32, want de naam van (Koningin) Wilhelmina mocht niet langer verbonden zijn aan een straatnaam.
Hoe lang hun verblijf op Anna van Burenlaan 8 zou duren, konden ze niet weten, maar ze stelden zich in op een lange tijd. Om dat vol te houden, namen ze afstand van elk menselijk verlangen en kozen ze voor systematische bezigheden. Zo begonnen ze elke dag met gymnastiek en wassen met koud water. Olga Ginsberg-Lachmann hielp in de huishouding, maakte de eigen woonruimte schoon, bereidde eten e.d. In Ginsbergs naoorlogse verslag uitte hij zijn bewondering voor zijn echtgenote ‘Olly’, die door enorme tact, diplomatie en geduld de verhoudingen met de onderduikgevers zo goed wist te houden, dat die haar dankbaar waren. Geestelijke activiteiten schoten er bij haar helemaal bij in, maar haar echtgenoot las alles wat voor hem uit de Zeister bibliotheek en privébibliotheken te halen viel, en wat zijn kennis van Amerika en het Engels bevorderde.
Aanvankelijk moesten ze zich behelpen met dure valse papieren die gestolen waren. Dat bleek onhoudbaar omdat de gestolen bewijzen geregistreerd werden en controle arrestatie in zou houden. De valse registratie in Zeist werd kennelijk niet veilig genoeg gevonden. Met behulp van de illegaliteit – hoe ze daar contact mee kregen? – wisten ze andere, professionele persoonsbewijzen te verwerven, op naam van ‘Herman J. en Ottilie Gorter-Lorentz’ uit Basel respectievelijk Zürich. Ginsbergs doofheid kwam nu goed uit, terwijl de valse identiteit strookte met de slechte uitspraak van het Nederlands van zijn echtgenote. Beiden werden met die valse identiteit door de illegaliteit aangemeld in het bevolkingsregister, zodat ze ook konden beschikken over een distributiekaart.
Ginsbergs doofheid was verder wel een ernstige beperking van het onderduikleven. Een gesprek met haar dove echtgenoot – die al gauw niet meer aan batterijen voor zijn gehoorapparaat kon komen – was voor Olga Ginsberg-Lachmann alleen mogelijk, wanneer zij direct in zijn oor sprak. Maar dat moest ze zo voorzichtig doen, dat niemand Duits kon horen praten in het huis: ‘So wird man begreifen, welch wirliches Martyrium diese beste und geduldigste aller Frauen durchmachen musste.’ Hoe dat met de jonge kinderen van de onderduikgevers ging, is niet bekend. Aan hen wijdde Herbert Ginsberg geen woord in zijn naoorlogse verslag.
Gedurende de onderduikperiode kon Olga Ginsberg-Lachmann meeluisteren op de radio die onderduikgever Evert Kiers achter had weten te houden.
Het eten was niet slecht. De onderduikgevers hadden aanvankelijk een behoorlijke voorraad, kochten ‘zwart’ en hadden een eigen groentelandje in de tuin. Maar de situatie veranderde in de Hongerwinter, waarin in het algemeen ernstig honger en kou geleden werden.
En dan waren er de razzia’s. Bij de eerste werd de hele wijk afgesloten, maar de onderduikers wisten desondanks het bos in te vluchten De laatste razzia vond kort voor de bevrijding plaats, waarbij gezocht werd naar verborgen wapens. Die waren er rijkelijk voorhanden, maar zo goed verstopt dat ze niet gevonden werden. Bij die zeer stressvolle gelegenheid werden de valse persoonsbewijzen grondig gecontroleerd en de woonruimte overhoopgehaald.
Het echtpaar Ginsberg-Lachmann haalde echter de bevrijding, waarover Herbert Ginsberg in zijn verslag van juni 1945 uitgebreid en enthousiast schreef. ‘Gruppenführer’ Evert Kiers van de Binnenlandse Strijdkrachten had de laatste chicanes van Duitsers energiek met zijn tommygun onderdrukt.
In zijn verslag repte Ginsberg niet of nauwelijks over zijn verzameling. Kort nadat hij op 15 augustus 1942 was ondergedoken, had hij vernomen dat tijdens een huiszoeking bij Van Dijk de daar berustende Ostasiatica in beslag waren genomen door de bezetter. Eind december 1945 werden op de zolder van de villa aan de Rozendaalselaan 40 in Velp bij Arnhem 61 stukken teruggevonden. Hoe die daar gekomen waren? De villa was van 1935 tot en met 1944 in eigendom van Herman Lucas Pateer (1889-1962). Niet bekend is of Pateer in enige relatie tot de bezetter stond. De in Velp aangetroffen voorwerpen werden teruggegeven aan Herbert Ginsberg. Samen met de 42 stukken die hij in onderduik bij zich had gehouden, beschikte hij over in totaal 103 kunstwerken van zijn collectie.
Al in augustus 1945 rapporteerde Ginsberg het verlies van andere Ostasiatica aan het Bureau van de Militaire Regering voor Duitsland en de Nederlandse organisatie Stichting Nederlandsch Kunstbezit in Amsterdam. De claim werd ook opgenomen in de lijsten van de Robert Commission. Het was echter voor beroofde joodse kunsteigenaren allesbehalve eenvoudig om hun collecties weer terug te krijgen.
In augustus 1946 kon Herbert Ginsberg met zijn echtgenote eindelijk naar New York emigreren, waar ze hun achternaam lieten veranderen in Gilbert. In 1951 stelde Herbert Ginsberg een catalogus samen van zijn verloren collectie. In 1957 werd de Federal Restitution Act van kracht, waarop Ginsberg een verzoek tot herstel indiende. Dat deed hij voor slechts 284 verzamelobjecten. Opmerkelijk is dat hij voor zo’n 500 stukken uit zijn oorspronkelijke collectie geen claim indiende. Had hij die voor de vlucht uit Duitsland verkocht? Zijn aanvraag werd op 13 september 1961, een jaar voor zijn dood, overigens voor slechts 50 procent goedgekeurd.
Op initiatief van Ginsbergs Berlijnse nazaat Dodi Reifenberg wordt sinds oktober 2019 intensief onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van de geroofde en verdwenen kunstwerken van Herbert Gilbert. Het wetenschappelijk herkomstonderzoek staat onder leiding van projectleider Laura-Marijke Hecker in Berlijn.
De uitdaging van het onderzoek is om de collectie van vóór 1933 te reconstrueren en te controleren op bewijzen van roof als gevolg van de nazi-vervolging na 30 januari 1933. Gehoopt wordt dat onderzoek naar de context van de inbeslagname van de collectie en de kunstmarkt tijdens de Duitse bezetting in Nederland licht zal werpen op de mogelijke paden die de collectie na de inbeslagname heeft gevolgd.
Eén van de onderzochte personen is bijvoorbeeld Johan Christiaan van Dijk, een vriend en zakenpartner van het echtpaar Ginsberg-Lachmann. De collectie werd bij hem in Rotterdam opgeslagen totdat deze werd geconfisqueerd. Hij was bankier en actief in het verzet tegen de Duitse bezetter.
Andere mensen die bij de roof betrokken waren, zijn onder meer Friedrich Wilhelm Ohlendorf, die vanaf november 1941 SS-squadronleider in Den Haag was en een centrale rol speelde in het recyclingsysteem van in beslag genomen of gestolen goederen in bezet Nederland. Daarnaast zouden Karl August Schmidt, die als politiesecretaris werkte bij de SS-veiligheidsdienst in Den Haag, en mevrouw J. de Meester, advocaat, betrokken zijn geweest bij de inbeslagname van de collectie.
De betrokkenheid van de SS’er Ohlendorf kan de aanwezigheid van stukken in Velp verklaren. In die plaats nam het Duits opperbevel in de laatste oorlogsjaren in Velp villa’s en herenhuizen in gebruik. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en SS-Obergruppenführer Hanns Rauter woonden er op een gegeven moment, en de SD Zentralstelle Velp zou een belangrijk overslagpunt voor geroofd joods erfgoed zijn geweest. Friedrich Wilhelm Ohlendorf woonde indertijd in een villa aan de Burgemeester Brandtlaan in Velp, op een steenworp afstand van Rozendaalselaan 40.
Het onderzoeksproject zou in augustus 2023 afgerond worden, maar heeft door corona grote vertraging opgelopen. De onderzoeksresultaten zouden gepresenteerd worden in een tentoonstelling. Het project wordt op de voet gevolgd door documentairemaker Julia Albrecht.
Tegelijkertijd wordt in het kader van het onderzoeksproject ook gezocht naar de eveneens geroofde collecties van de beide medevennoten van Gebrüder Ginsberg, Ginsbergs neven Ludwig en Max Ginsberg. Ludwig Ginsberg (1873-1939) had een groot aantal zeldzame werken verzameld van de Duitse kunstschilder, tekenaar en illustrator Adolph Friedrich Erdmann Menzel, vanaf 1898 von Menzel (Breslau, 1815-1905). Max Ginsberg had een verzameling van islamitische kunst aangelegd.
In het Algemeen Dagblad van 30 april 2022 werd aandacht besteed aan de zoektocht naar wat een grote, onopgeloste kunstroof door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog werd genoemd. Dit onder de titel ‘Ruim achthonderd kunstobjecten van Joodse bankier zijn nog steeds spoorloos, klein deel in 1945 in Velp gevonden’.
De zoektocht naar de stukken die Ginsberg na de bevrijding in zijn bezit had en kreeg, heeft nog geen bijzondere resultaten opgeleverd.
Begin 2022 werden acht kleine Japanse netsukes voor verkoop aangeboden aan een veilinghuis. Nadat vastgesteld werd dat het hier om van Herbert Ginsberg geroofde kunstwerken ging, zijn ze gerestitueerd aan de nazaten van Ginsberg.
Eerder had men dus al achterhaald dat zich in het Gemeentemuseum/Kunstmuseum Den Haag drie door Ginsberg geschonken objecten bevinden.
Nog eens 31 items uit de naoorlogse Ginsberg-collectie zijn in de jaren 70/80 deels geschonken en deels verkocht door Gilberts dochter Marianne aan het Rietberg Museum in Zürich.
Kunsthistorica Yun Xie uit Utrecht, is een van de projectmedewerkers die zoeken naar de verloren Oost-Aziatische-collectie van Herbert Ginsberg. In het artikel in het Algemeen Dagblad werd Xie geciteerd: ‘De zoektocht naar de verdwenen Ginsberg-collectie is als een verhaal van Indiana Jones. Spannend en verrassend, het mysterie is voor een deel ontrafeld. Het is echter nog steeds een raadsel waar het overgrote deel van de door de nazi’s geroofde kunstschatten van Ginsberg zijn gebleven.’
Zij had onder andere al in het Gelders Archief in Arnhem en het Nationaal Archief in Den Haag gezocht naar verwijzingen naar vindplaatsen van de kunstschatten.
Projectleider Laura-Marijke Hecker sluit niet uit dat een groot deel van de verdwenen kunstvoorwerpen in Duitsland is, maar harde aanwijzingen daarvoor heeft ze niet. Hecker: ‘Het is moeilijker om Aziatische kunstobjecten op te sporen dan een schilderij van Monet (Franse kunstschilder, red.) of een Van Gogh, omdat ze niet zo uniek zijn. Ik hoop wel dat ik op een dag dit mysterie kan oplossen. Ik denk niet dat ik alle stukken kan vinden, want het was een enorme verzameling. Maar het zou een geweldig succes zijn, indien ik een paar objecten kan opsporen. Daarnaast gaat er het ook om het verhaal van de verzamelaar Herbert Ginsberg en zijn collectie te vertellen.’
De stand van zaken begin 2026 wordt door haar weergegeven op ginsberg-pro.hypotheses.org/zu-den-einzelnen-recherchen/herbert-ginsbergs-verschollene-ostasiatica-sammlung-eine-spurensuche-zwischen-1942-und-heute.
Bronnen:
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, register van illegalen, ‘Herman Ginsberg’
- Geheugen van Zeist, collecties, De Zeister Courant
- Stadsarchief Den Haag, personen, Herbert en Olga Ginsberg-Lachmann
- Wikipedia, Herbert Ginsberg en familie
- www.proveana.de/en/korperschaft, Bank Gebrüder Ginsberg
- Dr. T.G. van der Linden, ‘Ondernemers met lef, Joods BAD ZANDVOORT 1881-1951’, september 2015
- ginsbergprojekt.wordpress.com, Die Sammlung Herbert Ginsberg
- www.ad.nl/binnenland/, Paul Bolwerk, ‘Zoektocht naar grote onopgeloste kunstroof door nazi’s tijdens WO-II in Nederland’, in het AD van 30 april 2022
- www.tu.berlin/en/kuk/forschung/projekte/abgeschlossene-forschungsprojekte, Systematische Erforschung und rekonstruktion der Adolf von Menzel-Sammlung des Bankiers und Kunstsammlers Ludwig Ginsberg
- ginsberg-pro.hypotheses.org/zu-den-einzelnen-recherchen/herbert-ginsbergs-verschollene-ostasiatica-sammlung-eine-spurensuche-zwischen-1942-und-heute
- Newsletter van het Network of European Restitution Committees on Nazi-looted Art, published by the Advisory Commission, nummer 14, september 2022
- Wikipedia, Adolph (von) Menzel
- kulturgutverluste.de/en/news, Eight Japanese wooden figures restituted
- Herbert Ginsberg (Gilbert), ‘1942-1945 “Underground” in Zeist’, LBI/NY, Center for Jewish History, Gilbert Family Collection, box 2, Folder 7
- (Nog) niet geraadpleegd: Nationaal Archief, Stichting Nederlandsch Kunstbezit (SNK), archief 2.08.42, Ginsberg, H. Zeist, inventarisnummer 1071, brief van 18 juni 1945
0. Anna van Burenlaan 8
1. Wilhelminalaan 12
2. Het gezin Ginsberg-Lachmann
3. Herbert Ginsberg
4. Enkele Ostasiatica uit de verzameling van Herbert Ginsberg
5. Broer Edgard Ginsberg overleed al in 1934
6. De woonkamer van het echtpaar Ginsberg-Lachmann in hun appartement in Berlijn, op Von der Heydtstrasse 5
7. Advertentie van pension Huize Nassau in De Zeister Courant van 27 april 1938
8. Advertentie van pension Huize Nassau in De Zeister Courant van 5 november 1938
9. Advertentie van pension Huize Nassau in De Zeister Courant van 6 april 1940
10. De valse registratie van Herbert Ginsberg in de Zeister bevolkingsadministratie
11. Wilhelminalaan 32
12. Een beeld uit de verzameling van Herbert Ginsberg
13. Rozendaalselaan 40 in Velp, waar na de bevrijding een deel van de kunstcollectie op zolder werd aangetroffen













