Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Nieuw onderduikadres ten opzichte van het Onderduikboek en het Supplement; zie ook Frederik Hendriklaan 31)
Onderduikers:
- Emanuel Davidson, inkoper bij de HEMA (Amsterdam, 19 augustus 1902 – Groningen, 3 november 1955) en
- echtgenote Hannah Davidson-de Jong (Tottenham-Londen, 8 september 1902 – Wormerveer, 30 januari, 1969)
- zoon Leonard Davidson, scholier (Amsterdam, 24 mei 1927 – Krimpen aan den IJssel, 12 juli 2011)
Onderduikgevers:
- Leendert Hilgeman, aannemer, bouwkundige (Montfoort, 5 april 1898 – Utrecht, 12 februari 1980) en
- echtgenote Jannetje Maria Hilgeman-Verhoeff (Vinkeveen, 16 februari 1911 – Zeist, 23 juni 1981)
Twee dochters (1936, 1940)
Het echtpaar Davidson-de Jong en hun zoon Leo (Leonard) zijn na hun vlucht uit Amsterdam eerst voor twee weken ondergebracht op Frederik Hendriklaan 31 in Zeist (zie de beschrijving van dat onderduikadres). In die tijd heeft de bewoner van het daar achter gelegen adres Amalia van Solmslaan 28, de aannemer Leen (Leendert) Hilgeman, schuilplaatsen ingericht in zijn woning.
Het echtpaar Davidson-de Jong is onder de valse identiteiten van Zeistenaren geregistreerd in het bevolkingsregister van Zeist, te weten als ‘Gerard Geuchien Siemons’ (de werkelijke G.G. Siemons zal op 16 april 1944 in Zeist trouwen) en ‘Alida Coljee’ (de naam van een geboren Zeisterse die ook nog leeft). Of die personen daarvan afweten, is niet bekend.
De familie van Hannah Davidson-de Jong weet blijkbaar niet waar ze onderduiken, want op 29 maart 1943 komt er bij de Joodse Raad een vraag binnen van het Red Cross in Londen, van ene Harris Matthews.
Leen (Leendert) en Jans (Jannetje Maria) Hilgeman-Verhoef waren in juni 1935 komen wonen op Amalia van Solmslaan 28 (ze zouden er tot begin 1972 blijven wonen). Over de onderduiktijd bij dit echtpaar zal Leo Davidson, dan inmiddels journalist, later schrijven:
‘Het echte onderduiken gebeurde op de Amalia van Solmslaan 26 [moet 28 zijn] bij LEEN en JANS HILGEMAN en hun kleine kinderen LETTY en GERDA. De laatste van een jaar of drie, Letty twee jaar ouder. Leen was aannemer, een rechtschapen, stijle protestant, CHU-er in hart en nieren, fel anti-Duits, verzetsman tot in zijn botten. Hij had een keiharde kop, de kin strijdbaar vooruit gestoken, gaf je een hand met zijn eeltige knuisten waarvan je ineen kromp. Een rasechte Utrechter.
Jans was een zorgzame moeder en gastvrouw, haar man las veel, had een brede interesse – zij breide ’s avonds en dommelde ’s winters heerlijk in bij de kachel. We aten in het begin gewoon met z’n allen in de huiskamer. Leen las voor de maaltijd een stuk voor uit de bijbel. Ter ere van ons koos hij om te beginnen een deel uit het Oude Testament.
Mijn vader en moeder hadden op de eerste verdieping een aardige slaapkamer, ik een klein kamertje aan de voorkant van het huis. Boven was een ruime zolder. Achter het huis was een soort loods met een grote hoeveelheid timmerhout en balken. Mijn vader en ik hebben er in het begin heel wat gezaagd, voor de kachel. In de huiskamer luisterden we naar de Engelse radio, naar Radio Oranje uit Londen en ik naar mijn nog altijd zo geliefde Ramblers en andere dansorkesten. Meneer Hilgeman vond het maar niets dat ik naar die fascisten van Hilversum luisterde, zoals hij ze betitelde.
Leen Hilgeman maakte er geen geheim van dat hij het geld hard nodig had dat mijn ouders betaalden voor onze onderduik. Zijn bereidheid tot hulp – offerbereidheid, eigenlijk! – was oprecht gemeend, maar hij móest er geld voor vragen. Van meet af aan zei hij dat hij na de oorlog, wanneer er weer werk voor hem zou zijn, alles wilde terugbetalen. Daarvan wilden mijn ouders niets weten, uiteraard niet. Ze hadden gelukkig voldoende middelen om het een hele tijd uit te zingen en toen het geld op was lieten ze via onze contactman, wat sieraden verkopen.
Er ontwikkelde zich een routine voor alle dag. Moeder kookte vaak en graag en hielp verder met het drukke huishouden. De Hilgemans genoten van de lekkere gerechten die ze met de niet al te riante middelen klaarmaakte. De rantsoenering werd steeds verder doorgevoerd, alles werd schaarser en voor ons moesten de distributiekaarten clandestien – dus voor veel geld – worden gekocht.
We lazen erg veel, we puzzelden – vader heeft nog eens (onder een valse naam) een prijs gewonnen van Denksport). Hij deed ook veel aan Fries houtsnijwerk – samen met Hilgeman maakte hij prachtige voorwerpen, dozen, dienbladen, kistjes en dergelijke. Mijn moeder breide, maakte kleren voor de kinderen, borduurde. We maalden tarwe en rogge op zolder die clandestien waren gekocht en ’s avonds, in het donker (alles was streng verduisterd) hebben we ’s winters zelfs wel wat wandelingen gemaakt in de buurt. Een avond vroeg een Duitse soldaat ons nog de weg… We dachten dat het einde was gekomen!
Voor mij werd een ‘goede’ oude, gepensioneerde onderwijzer gevonden die een keer per week op bezoek kwam en die mij dan een paar uur les gaf in de belangrijkste schoolvakken, taal, rekenen, boekhouden en dergelijke. Ik kreeg uiteraard veel huiswerk te doen. Verder zat ik veel door de gordijnen van mijn kamertje naar buiten te kijken en dan zag ik kinderen van mijn leeftijd voorbij fietsen en lopen, opgewekt kletsend, jongens en meisjes met de armen om elkaar heen. Jongelui met hockeysticks, met tennisrackets. Het gewone leven ging immers door.
Betrouwbare buren die wisten wie wij waren, kwamen nu en dan een praatje maken maar onze namen kende niemand, ook de Hilgemans niet. Voor de kinderen waren wij een oom en tante uit Rotterdam, of iets dergelijks. Ik speelde vaak met Letty en Gerda.
Maar ik was toen 15, 16 jaar. Er ontwaakte uiteraard ook in de onderduik, iets in mij. Heel opwindend vond ik het toen ik op een ochtend door de openstaande deur van de slaapkamer van de Hilgemans – die aan de mijne grensde – hoorde hoe Leen zijn welgeschapen Jans knuffelde en daarbij niet mis te verstaan commentaar leverde.
Nog opwinderder vond ik de aanblik – alweer door de half openstaande deur – van Jans die zich op een ochtend stond aan te kleden!
Dat waren zo de geneugten en tegelijk de problemen van een opgroeiende jongen in de onderduik.
Sinterklaasavond, Kerstmis, Oudejaarsavond, het waren ondanks alles, heel gezellige gebeurtenissen in de door ons, uitgebreide familiekring. Een leuke, jongere zuster van Jans kwam er ook veel bij.
Er zaten nogal wat onderduikers in Zeist en steeds meer hoorden we dat er Joden waren ontdekt en met hun gastheer waren weggevoerd. Wie onderduikers verborg wachtte hetzelfde lot in een Duits concentratiekamp als de Joden.
De illegale bladen waarschuwden: de grootst mogelijke voorzichtigheid moest in acht worden genomen. Het gevaar voor verraad bestond alom.
Het werd op den duur, na ongeveer een jaar, steeds gevaarlijker en daarom bleven we toen uitsluitend boven. Om de beurt hielden we de wacht achter het raam van mijn kamer, vooral ’s avonds. We hadden met elkaar precies afgesproken wat er gedaan moest worden met onze bedden in het geval er huiszoeking zou komen ’s avonds. De zus van Jans logeerde in de zomer van 1943 permanent bij ons, om het beddenprobleem wat gemakkelijker te maken.
‘ZE KOMEN ER AAN’
Een avond in augustus 1943. Tien uur was ‘spertijd’ dan mocht niemand meer op straat zijn. Mijn moeder zat op wacht, ik lag al in bed.
Plotseling zag ze drie mannen in burger op de fiets aankomen, ze reden voorbij ons huis maar draaiden even later om en kwamen in de richting van nummer 26. “Ze komen er aan!” riep moeder zacht terwijl ze de huisgenoten alarmeerden.
We dekten bliksemsnel onze bedden toe en snelden onze zorgvuldig klaargemaakte schuilplaatsen in waar we onze kleren al eerder in hadden gelegd voor alle zekerheid. Voor mijn vader was er in een kast in de slaapkamer van de Hilgemans een plaats gemaakt achter een met behang afgedekte loze muur van triplex die van het schuin aflopende plafond in de kast naar beneden leidde. Voor moeder en mij was een soortgelijke plaats in de kamer van mijn ouders. De triplex muur, een deurtje eigenlijk, konden we van binnenuit afsluiten met een haakje. Moeder en ik kropen naar binnen en wachtten af.
We hoorden dat er gebeld werd, de mannen waren van de politie. Ze kwamen huiszoeking doen. Dat gebeurde. Ze keken overal naar binnen, eerst beneden en toen naar boven. Meneer Hilgeman ging met hen mee, er werd niets gezegd, ze vroegen ook niets. Met een lantaarn keken ze in kasten en dergelijke, ook in de bedjes van de kinderen die ze gelukkig niet wakker maakten.
En zo kwamen ze ook bij de kast waar wij achter zaten. De valse muur werkte perfect want ze hebben er niet eens op geklopt…
Nooit heb ik mijn hart zó horen kloppen als in die luttele seconden toen ik hoorde dat die mannen in onze kast keken. Onverrichterzake liepen ze naar beneden, ze waren met z’n tweeën, nummer drie was meteen de tuin in gegaan. Ik hoorde duidelijk hoe Jans de politiemannen vroeg wat ze eigenlijk zochten: “We komen zo maar eens kijken”, was het laconieke antwoord, waarop het drietal vertrok.
De emoties die zich hierna konden ontladen vat ik maar samen met dit simpele zinnetje: ze hebben ons niet gevonden!
De volgende dag zijn we via de achtertuin naar ons eerste, tijdelijke adres teruggegaan want we vonden het bij de Hilgemans te gevaarlijk. Later hoorden we dat in de kast van mijn vader een pistool klaar lag dat Leen zeker had gebruikt wanneer het mis was gegaan. Bliksemberaad met de contactman leidde ertoe dat mijn ouders nog een nacht in Zeist op het tijdelijke adres zouden blijven, ik werd per fiets naar Amersfoort gebracht. Dat betekende dus afscheid van vader en moeder. Zij stonden boven aan de trap en ik liep naar beneden waar ik me nog even omdraaide. Mijn vader snikte: “Dag man”, zo noemde hij me vaak. Ik had hem nog nooit zien huilen.
De fietstocht door de bossen naar Amersfoort verliep zonder problemen. Alleen zagen we op zeker moment twee kerels in uniform op de fiets die in de verte ons pad kruisten.
“Gewoon doorrijden”, vermaande mijn begeleider en er gebeurde niets. Van de mensen bij wie ik twee weken verbleef, kan ik me weinig herinneren. Het waren eenvoudige, wat simpele mensen. Zij was onappetijtelijk vet en stoeide de hele dag met een jonge knul die er in huis was. Ik ging een keer naar de kapper, een paar huizen verder.
Ook moest ik steeds maar van die vrouw horen dat alle Joden rijk waren en dat ze zo lekker konden koken. Zo goed en zo kwaad als ik kon bestreed ik het eerste en relativeerde het tweede stereotype beeld. Maar goed, ook zij hebben mijn leven gered.
Mijn dappere moeder is in haar eentje per trein naar Amsterdam gegaan, nadat het in Zeist onveilig was geworden en is bij vrienden en bekenden, enkele weken verborgen gehouden. Vader bracht die tijd door in Driebergen, bij een gereformeerde dominee van wie hij een bijbel meekreeg toen hij er wegging.
Met de Hilgemans, vooral met Leen, is er heel wat over godsdienst afgepraat. Wij waren thuis op godsdienstig gebied volkomen vrij, ‘we deden er niets aan’. Voor moeder, die net als Barbara en Mark op school in Engeland godsdienst als vak had gehad, was het voorlezen uit de bijbel dikwijls een leuke herkenning. Ze kende nog precies de Engelse tekst van bepaalde psalmen die Leen voorlas. Hij deed dat altijd met inbegrip van het woord ‘sela’, wat rustpunt betekent. Mijn vader maakte hem daar eens op attent, ook daar is flink over geboomd.
Ik werd teruggebracht naar Zeist en opnieuw op de fiets. Een nacht slapen bij de familie Hilgeman – het werd een welgemeend en buitengewoon hartelijk weerzien. Vertrouwd en wonderlijk genoeg, helemaal niet meer angstig door wat we er hadden beleefd. Mijn ouders zaten intussen in Zuid-Limburg, kreeg ik te horen en daar zou ik de volgende dag – een zondag – ook heen worden gebracht.
Zuid-Limburg, het leek een ver buitenland, een onbekend gebied. Erg aanlokkelijk leek het mij niet…
Mijn begeleider was een meneer Van Kranen die in Heerlen op het hoofdpostkantoor werkte. Een prima man die heel veel Joden heeft helpen onderduiken, met gevaar voor eigen leven. Hij woonde in Heerlerheide, hield veel van kunst en was homofiel, zoals ik later hoorde.
We reisden in een stampvolle trein, ik zonder papieren – ik moest maar zeggen dat ik nog geen dertien jaar was als we werden gecontroleerd. Dat gebeurde gelukkig niet.
Bij de uitgang van het station Heerlen stonden politieagenten maar ook die deden niets. Thuis bij mijn begeleider zette zijn huishoudster een kopje thee voor ons, voordat we met de tram verder reden naar Hoensbroek, destijds nog een echt mijnwerkersdorp met de staatsmijn Emma. In een van de ‘koloniën’ zoals de wijken met woningen voor de ‘kumpels’ werden genoemd, wachtten mijn ouders op me, zo hoorde ik.
We liepen naar het huisje waar een man in de voorkamer over het kozijn geleund, de straat inkeek. Hij schudde zijn hoofd, dus we liepen een blokje rond. Hij had iets gemompeld van “bezoek”. Nadat dit was verdwenen, konden we naar binnen en was ons kleine gezin herenigd. Wat waren ze blij hun zoon weer gezond en wel te zien
Lang zijn we niet gebleven in Hoensbroek, een week of zes denk ik. Het was er nogal benauwd, het stof van de mijn zal daar zeker toe hebben bijgedragen en ik kreeg dan ook prompt ademhalingsproblemen, astma-achtige aanvallen. Er werd een betrouwbare dokter bijgehaald, een goede vaderlander dus en die schreef morfinepoeders voor. Toen hij me had onderzocht, zag hij een dik boek liggen in de slaapkamer waar we met ons drieën sliepen: “Dat is niets voor hèm” zei deze slechte ‘psycholoog’, in mijn richting wijzend.
Ik ging het dus prompt lezen als mijn ouders de kamer uit waren. Chinese erotische verhalen. Mede in combinatie met die verdovende poeders heb ik daar plezierige dromen van gehad…’. (Einde tekst Leo Davidson)
A.M. van Kranen is een actieve jodenhelper. Zijn groep brengt het gezin Davidson-de Jong onder bij het gezin Enthoven op Sluiterdstraat 23 in Brunssum, waar ze tot de bevrijding kunnen blijven. Omdat de etage in Brunssum groot is, zullen er na bevrijding ook Britse soldaten ingekwartierd worden. Tot vreugde van de in Engeland geboren en getogen Hannah Davidson-de Jong.
Zoals in vrijwel elke joodse familie is er na de bevrijding al gauw het grote verdriet om de slachtoffers. Emanuels zuster Roza van Praag-Davidson, haar echtgenoot Mozes en haar dochtertje Selma zijn vermoord. De directe familie van Hannah Davidson-de Jong heeft overleefd in Engeland, waar haar ouders al voor haar geboorte naar toe geëmigreerd waren.
Het gezin Davidson-de Jong krijgt vrij snel eigen woonruimte in Brunssum. Emanuel Davidson gaat aan de slag bij de Hema in Heerlen. Hij heeft voor de oorlog bij de Hema in Amsterdam gewerkt, als inkoper.
Leo Davidson meldt zich aan bij de Orde Dienst/Binnenlandse Strijdkrachten en daarna als soldaat bij de 2nd Netherlands Pioneer Group, British Liberation Army. Hij begint met bureauwerk, maar krijgt een militaire opleiding. Tot zijn grote teleurstelling wordt hij echter afgekeurd. Hij had willen meevechten om de Duitsers te verslaan.
In de nazomer van 1945 keert het gezin terug naar Haarlem, waar ze een woning van NSB’ers toegewezen hebben gekregen. Leo Davidson meldt zich aan voor een speciale klas van het Kennemer Lyceum. Nadat hij zo zijn middelbare opleiding heeft afgemaakt, gaat hij politicologie studeren, maar die studie rondt hij niet af. Hij wordt journalist bij het Algemeen Dagblad. Met zijn gezin zal hij voor zijn werk 14 jaar in Engeland doorbrengen.
Natuurlijk heeft het onderduikbestaan grote invloed op het verdere leven van de gezinsleden. Hannah Davidson-de Jong is een dappere, optimistische en krachtige vrouw, maar haar echtgenoot is wat zorgelijker. Hij heeft zich in Limburg ook bijna overgegeven, omdat hij het niet meer uithield in de onderduik. Gelukkig heeft men hem daarvan kunnen weerhouden. Hij is als eerste na de bevrijding teruggekeerd. Hij heeft zijn oude baan, als inkoper, teruggekregen bij de Hema in Amsterdam. Maar wel met de woorden: ‘Als u maar niet denkt dat iets vanzelfsprekend is.’ Het is de botheid waarmee veel joodse overlevenden bejegend worden bij hun terugkeer. Het heeft allemaal veel impact op Emanuel Davidson en zijn gezondheid. Hij zal in 1955 overlijden, pas 53 jaar oud.
Het echtpaar Davidson-de Jong houdt na de bevrijding contact met het echtpaar Hilgeman-Verhoeff dat bijvoorbeeld in mei 1950 eregast is op hun zilveren huwelijksfeest. Het feit dat Emanuel en Hannah dit feest willen vieren, geeft overigens ook aan dat ze de veerkracht hebben om het leven na de bevrijding weer op te pakken. Met het gezin Enthoven in Brunssum is dan niet veel contact meer. Leo Davidson daarover later: ‘De Enthovens waren brave mensen, maar echt goed contact was moeilijk. Dat lag niet aan het mijnwerkersmilieu, het lag aan de mensen. Die waren van een heel ander slag dan de Hilgemans. Toch denk ik ook aan hen dankbaar terug. Ook zij hebben ons leven gered.’
Leonard Davidson trouwt op 19 april 1957 met de in Indonesië geboren Enny Gezang die tijdens de bezetting naar Australië was gevlucht. Hij overlijdt op 12 juli 2011.
Zijn dochter Barbara verneemt pas op haar 11e omstreeks 1975 over haar joodse voorgeschiedenis. Het joods zijn had zoveel ellende gebracht. Op 1 oktober 2021 bezoekt Barbara met haar beide dochters in Zeist de beide onderduikadressen en dus ook Amalia van Solmslaan 28. De sporen van de onderduikvoorzieningen zijn vrijwel geheel verdwenen.
Bronnen:
- Mededelingen van Barbara Davidson
- Gemeentearchief Zeist, 1499-1500, Register van illegalen, ‘Gerard Geuchien Siemons’ en ‘Alida Coljee’
- Verhaal Leo Davidson (datering e.d.?)
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaart voor Emanuel Davidson
- Zie ook het bewezen onderduikadres Frederik Hendriklaan 31
- www.geheugenvanzeist.nl, collecties, oude krantenberichten
1. Amalia van Solmslaan 28
2. Bericht in De Zeister Courant van 18 november 1936 over aannemer L. Hilgeman
3. Bericht in De Zeister Courant van 12 mei 1937 over aannemer L. Hilgeman
4. Advertentie van aannemer L. Hilgeman in De Zeister Courant van 4 februari 1939
5 Bericht in De Zeister Courant van 24 februari 1939 over aannemer L. Hilgeman
6. Emanuel Davidson voor de bezetting
8. Leo Davidson in 1942
9. De valse persoonsbewijzen van Emanuel en Hannah Davidson-de Jong
10. Leo Davidson als militair op 19 februari 1945
11. Hannah Davison-de Jong op 18 januari 1946
12. Leo Davidson als journalist
13. Emanuel en Hannah Davidson-de Jong, ruim na de oorlog bij een bruiloft
14. Emanuel en Hannah Davidson-de Jong na de bevrijding
15. Overlijdensbericht van Emauel Davidson in het Algemeen Handelsblad van 4 november 1955
17. Bericht over Akademiedag in het Overijsselsch dagblad van 30 maart 1955; Leo Davidson als conferencier
18. Overlijdensbericht van Hannah Davidson-de Jong in Het Parool van 31 januari 1969
19. Leo Davidson
















