Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.

Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.

(Volledig herschreven, vanwege een onjuiste Yad Vashem-verklaring, en met toevoeging van veel informatie over het verzetsgezin Beckman-Halkema)

Onderduikers:

  • Abraham Joseph van S., gepensioneerd onderwijzer uit Nederlands-Indië (Steenwijk, 26 september 1892 – Hilversum, 8 augustus 1988) en
  • echtgenote Marie van S.-M. (Meppel, 27 april 1905 – Hilversum, 1 mei 1992)
  • zoon Harry van S. (Tondano-Nederlands-Indië, 1936)

Jodenhelpster en onderduikgeefster:

  • Bertha Wilhelmina Beckman-Halkema, gehuwd (Meester Cornelis-Nederlands-Indië, 22 maart 1898, Den Haag, 19 december 1983)
  • zoon Jan Beckman

Vijf kinderen (1919, 1921, 1922 – overleden in 1940, 1923 en 1927), waarvan er twee Auschwitz overleefden

De oorlogsgeschiedenis van huize ‘De Zandhaas’, Acacialaan 18a, is doortrokken van tragiek en verzetsgeest, en die geschiedenis gaat wat illegaal werk betreft aanzienlijk verder dan het verschaffen van onderduik. Als gevolg van een volstrekt onjuiste Yad Vashem-verklaring moet de eerdere beschrijving voor dit onderduikadres volledig herschreven worden.

Tot 1931 heeft het daar woonachtige gezin Beckman-Halkema in Nederlands-Indië gewoond. Zowel moeder Bertie (Bertha) als haar dochter en vier zoons zijn in Nederlands-Indië geboren. Bertie is de dochter van een gewezen luitenant-kolonel van het Oost-Indische leger, terwijl haar echtgenoot in Nederlands-Indië ook een militaire carrière heeft doorlopen, bij het KNIL. In die jaren is er niet alleen sprake van toenemende malaise in de Nederlandse burgermaatschappij, maar ook in het leger. Als de regering een gunstige afvloeiingsregeling voor officieren voorstelt, maakt kapitein Beckman (1888) daar gebruik van. De dan 43-jarige Beckmann vertrekt in 1931 met zijn gezin naar Nederland.

Ze wonen de eerste zes jaar in Oegstgeest. Daar heeft Karel Beckman zich gericht op de organisatie van de lokale Burgerwacht, een uit gewone burgers samengestelde groep die de openbare orde en veiligheid handhaaft. Dat levert hem een bevordering op tot majoor titulair. Al gauw nadat het gezin zich in 1937 op Acacialaan 18a heeft gevestigd, is Beckman commandant van de Zeister Burgerwacht.

Die Burgerwacht is in mei 1940 behulpzaam bij het arresteren en interneren van NSB’ers en Rijksduitsers. Karel Beckman is daar niet bij, want die is op 10 mei naar Den Haag vertrokken, om te vechten tegen Duitse parachutisten. Als hij in Den Haag arriveert, is de strijd daar echter al gestreden. Bij terugkeer worden Beckman en andere burgerwachten bedreigd door weer vrijgelaten NSB’ers.

In de daaropvolgende tijd wordt zijn oudste zoon Hans benaderd door sportleraar Dick Folmer van Utrechtseweg 88. Die weet dat een kunstschilder in Utrecht een spionagegroep wil organiseren. Zou majoor Beckman zich ook voor die groep in willen zetten? Desgevraagd, gaat Beckman aan de slag en spant hij zich uiteindelijk in om verzetskernen te vormen uit de verschillende ontbonden burgerwachtkorpsen. Die kernen gaan onderdeel uitmaken van de landelijke verzetsorganisatie Oranjewacht. Het doel van deze illegale organisatie is hetzelfde is als die van de illegale, militaire Orde Dienst, namelijk ordehandhaving in het gezagsvacuüm tussen het vertrek te zijner tijd van de Duitse bezetter en de komst van de Nederlandse regering. Maar in de tussentijd gaat de Oranjewacht voor sabotage met wapens en springstoffen.

Maar eerst treft het gezin Beckman-Halkema in de nacht van 23 op 24 augustus 1940 een noodlottig ongeval. Zeist wordt voor de tweede keer opgeschrikt door bominslagen. Een Duits vliegtuig kan na het opstijgen van de luchtmachtbasis in Soesterberg niet genoeg hoogte krijgen en loost een aantal bommen. Twee uur na middernacht komen zeven projectielen terecht in de tuin van het gezin Beckman-Halkema, hoek Dalweg/Acacialaan. Scherven vliegen in het rond en doorboren de houten bovenbouw van de woning Acacialaan 18a op zeven plaatsen.

Een van die scherven raakt via de afvoerpijp van de wastafel, de onderkant van het bed en de kapokmatras de in de benedenverdieping slapende dochter Tineke (Eugenie Christiane) in haar achterhoofd. De opgeroepen artsen Bendien en Van der Vliet kunnen alleen maar de dood constateren van de 18-jarige leerlinge uit de vierde klas van het Christelijk lyceum. Gelet op het aantal inslagen mag het een wonder heten dat de andere gezinsleden ongedeerd zijn gebleven. Ze krijgen voorlopig onderdak bij een overbuurman.

Wel verwijderen ze nog snel vier pistolen uit de schoorsteen, die daarin met ijzerdraadjes zijn opgehangen. Die worden meegenomen door Willem Walraven die actief is voor een andere groep van illegaal werkers.

Op 31 augustus bedankt het gezin Beckman-Halkema per advertentie in de Nieuwe Zeister courant voor de hartelijke blijken van medeleven en de vele bewijzen van deelneming die ze ontvangen hebben bij hun zwaar verlies.

Dat verlies tempert het gezin echter niet in hun felle anti-nazi-houding. Zoon Pim (Karel) is invalide, als gevolg van verkeerd behandelde kinderverlamming, maar de rest van het gezin zal intensief betrokken raken bij illegale activiteiten, niet in het minst beide ouders.

De arrestatie van Karel Beckman en zijn zoons Hans en Rob

Voor majoor Karel Beckman duurt zijn verzetswerk niet lang. Al op 12 december 1940 doet de Gestapo huiszoeking op Acacialaan 18a, waarbij hij gearresteerd wordt. De reden voor deze snelle arrestatie is niet bekend. Een enkeling plaatst daarbij later de kanttekening dat Karel Beckman zijn anti-Duitse gezindheid wellicht te openlijk heeft uitgedragen. Dat zou vragen om ellende zijn geweest?

Begin 1941 moet Beckman voor het Feldkriegsgericht in Den Haag verschijnen. Hij zit dan al een tijdje in ‘Einzelhaft’, en dat zal zes maanden duren in welke periode hij geen bezoek mag ontvangen. Hij wordt uiteindelijk veroordeeld tot drie jaar tuchthuis.

In zijn boek ‘Glorieuzen’ zal Edouard de Nève (schrijverspseudoniem van Willem Johan Marie Lenglet) later schrijven over de houding van majoor Beckman in de strafgevangenis in Scheveningen (het ‘Oranjehotel’). Als Beckman terugkomt van zijn drie dagen durend proces wil zijn celgenoot, die hem beschrijft als zeer kalm en vastberaden, hem opbeuren: ‘Maar Beckman heeft mijn hulp niet nodig. Hij is een kerel van top tot teen, die door niets neergeslagen wordt.

Karel Beckmann schrijft een aantal brieven tijdens zijn gevangenschap. Op 1 augustus 1942 komt er bijvoorbeeld een brief uit Kamp Amersfoort. In die brief laat hij zijn echtgenote (‘liefste’) weten hoe blij hij is met haar brieven en hij vraagt haar niet te streng te zijn voor zoon Jan die met een matig rapport overgegaan is op het Christelijk Lyceum in Zeist. Later verloopt de correspondentie van Zeist naar het Duitse Siegburg en vice versa. Karel Beckmann is dan via Kamp Amersfoort en het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen gedeporteerd naar Kamp Siegburg, waar hij de rest van zijn gevangenisstraf uit moet zitten.

De arrestatie van hun echtgenoot en vader belet Bertie Beckman-Halkema en haar vier zoons Hans (Johan), Rob(ert) en Jan niet om zelf risico’s te nemen.

Ten tijde van de Duitse inval was oudste zoon Hans (1919) cadet-sergeant bij de Militaire Academie in Breda, maar zijn militaire opleiding is afgebroken. Hij is betrokken bij dezelfde illegale activiteiten als zijn vader. In maart 1941 komt hij van Den Haag terug naar Zeist. Niet om daar lang te blijven.

Hans Beckman wil naar Engeland, waar hij zich wil aansluiten bij het Nederlandse leger aldaar. Met iemand anders bereidt hij een vlucht per boot over de Noordzee voor, maar het gekochte bootje is ongeschikt en de bewaking is te goed. Daarom besluit hij, nog steeds in 1941 via Frankrijk naar Engeland uit te wijken. Zijn moeder gaat akkoord met dat plan, op voorwaarde dat Hans zijn vier jaar jongere broer Rob meeneemt. Om meerdere redenen denkt ze dat Rob in Zeist door zijn doen en laten gevaar loopt. Hij is al verhoord.

Op 30 oktober 1941 vertrekken de broers, niet beseffend dat hun onderneming zal uitmonden in een jarenlange horror-geschiedenis. Die begint als ze, na een lastige reis, op 6 november aan de Frans-Zwitserse grens in handen vallen van de Geheime Feld Polizei. Ze zitten viereneenhalve maand gevangen en weigeren te bekennen dat ze naar Engeland wilden. Ze blijken goed op elkaar ingespeeld te zijn en ontlopen zo de doodstraf, die andere Nederlanders wel wegens ‘Feindbegünstigung’ krijgen. Op 17 maart 1942 komt hun zaak voor. Kriegsgerichtsrat dr. Schmidt redt hun het leven, door hen de juiste verklaringen in de mond te leggen. Hun straf wordt bepaald op de tijd die ze in voorarrest hebben doorgebracht.

Hans en Rob Beckman komen echter niet vrij. Ze worden ondergebracht in een gijzelaarskamp in Compiègne, dat door de Duitse bezetter als reservoir voor represaillemaatregelen wordt beschouwd. Het contact met moeder Bertie Beckman-Halkema verbreekt voor langere tijd als Hans en Rob op 2 juli 1941 als zogenaamde ‘Nacht und Nebel’-gevangenen worden gedeporteerd. Hun moeder krijgt te horen dat haar zoons dood zijn. Circa 200 joodse en 1.000 niet-joodse personen worden in veewagens (50 man per wagon) in een reis van 4 dagen naar Auschwitz gebracht. Er is weinig geschikt voedsel en nauwelijks water. In Auschwitz worden de gevangenen de trein uitgeknuppeld. Rob Beckman krijgt een slag met een knuppel, waarna Hans hem opbeurt en meesleept. Als men in het concentratiekamp merkt dat ze ook Duits en Frans spreken, worden ze ingezet als tolk bij de Politische Abteilung, waar ze inlichtingenstaten in moeten vullen. Kort na hun aankomst arriveren daar de eerste transporten met joodse gevangenen uit Nederland.

Van juli 1942 tot september 1944 zullen de broers geïnterneerd blijven in Auschwitz, Hans als gevangene 45218 en Rob als 45219. De wijze waarop ze getatoeëerd worden, roept respect op. Er wordt namelijk geroepen dat zij als arische gevangenen geen nummer op hun arm hoeven. Maar de broers besluiten zich uit solidariteit met hun medegevangenen toch te laten tatoeëren.

Bertie Beckman-Halkema heeft geen geloof gehecht aan het bericht dat haar zoons dood zijn, maar ze verkeert al maandenlang in onzekerheid over het lot van haar zoons.

Ze onderneemt een poging om haar zoons vrij te krijgen. Uit het dagrapport van donderdag 7 januari 1943 van de Zeister gemeentepolitie:

14. uur Verzocht Sipo Amsterdam (mej. Bartels) mede te deelen aan mevr. Beckman-Alkema, Acacialaan 18 [moet zijn Acacialaan 18a], dat zij inzake het door haar ingediende Entlassungversuch over Johan en Robert geen verdere briefwisseling hoefde te doen, de SD Den Haag doet dat geheel zelfstandig. Afzonderlijk schrijven heeft geen zin.

Intussen krijgt ze op 17 maart 1943 te maken met nieuwe ellende. Uit het politierapport van die dag:

15.30 u. Deelt mevr. van der Werff wonende Acacialaan dat het huis van Beckman, Acacialaan 18 [moet zijn Acacialaan 18a] in brand staat.

De dochter van zoon Jan zal in de zomer van 2024 schrijven dat de brand veroorzaakt werd door een sigarettenpeuk die een van haar vaders vrienden weggegooid had. Haar vader had zich daar altijd schuldig over gevoeld.

Bertie Beckman-Halkema verhuist voor de duur van 5 maanden naar Kersbergenlaan 7. Op 10 april 1943 bedanken zij en haar twee nog thuiswonende zoons per advertentie in de Nieuwe Zeister courant voor alle ontvangen hulp, steun en sympathie.

In die periode komt een vrouwelijke Jehova-getuige, die ontslagen is uit Auschwitz, naar Zeist. Op verzoek van Hans Beckman geeft ze door dat hij en Rob leven en in Auschwitz gevangen zitten. Bertie Beckman-Halkema neemt meteen contact op met het concentratiekamp. Haar zoon Hans ligt dan vanaf herfst 1942 ernstig ziek in de ziekenbarak. Maar hij overleeft zijn vlektyfus en andere ziekte, omdat hij maandenlang beschermd is door verplegers en artsen. Hij is onder meer telkens naar een andere afdeling verplaatst, zodat hij ontkomt aan het lot van ernstig zieken: de gaskamer.

Ook de beruchte SS Untersturmführer Hans Stark bekommert zich om de broers. Dat ziet ook de voormalige joodse Zeistenaar Heinz Dallmann die eveneens aangesteld is als Aufnahmeschreiber bij de Politische Abteilung. In zijn latere verklaring als Auschwitz-overlevende:

De gebroeders Beckmann heb ik ook ontmoet; zij waren gearresteerd, omdat zij op weg naar Indië [onjuist, de broers wilden naar Engeland] waren. Later zijn zij door Oberscharführer Stark overgeplaatst en naar de Politische Abteilung in Auschwitz gebracht; zij hadden een reusachtige protectie. Een van hen was heel goed, maar de andere was maar zo zo. Ik zou niet weten wie de goede en wie de minder goede is geweest.

Rob Beckman is nog jong – en ook hij zal zich nog zeer verdienstelijk maken – en ongetwijfeld is Heinz Dallmann vooral onder de indruk van Hans Beckman die joodse gevangenen helpt waar hij kan. Ze bijvoorbeeld soms kan redden door hun joods-zijn niet te vermelden. Hans Beckman wordt gewaarschuwd voor zijn vriendschappelijke omgang met joodse gevangenen, maar desondanks breidt hij zijn hulp uit tot andere groepen, zoals joodse Grieken in Auschwitz. Hij leert er ook zijn toekomstige echtgenote kennen, de Joegoslavische illegaal werkster Noëmi Trpin, met wie hij na hun bevrijding een huwelijk van 65 jaar zal aangaan.

Overigens hebben de broers Beckman na de interventie van hun moeder toestemming gekregen om naar huis te schrijven. Bertie Beckman-Halkema ontvangt dan eindelijk brieven van zoon Hans uit Auschwitz. Ze maakt tussen de regels zaken duidelijk, zoals dat Betteke Was – wier moeder in Ravensbrück zit wegens het onderduik geven aan het joodse meisje Floortje Hamburger – nu illegaal werk doet. Ook stuurt ze een brief van vader Karel Beckman door, die hij vanuit Sachsenhausen naar Acacialaan 18a heeft geschreven.

Hans en Rob Beckman zien in Auschwitz verschrikkelijke gebeurtenissen. Ondanks de protectie die ze gedurende een deel van de tijd krijgen, worden ze soms zelf zwaar mishandeld, maar ze blijven in leven. Ook door onderlinge hulp. Als Hans weer ziek wordt, verzorgt Rob hem bijvoorbeeld intensief.

Op 7 september 1944 worden de broers Beckman per personentrein naar het concentratiekamp Gross-Rosen getransporteerd. En weer later naar Kamp Leitmeritz. In het voorjaar van 1945 slepen de broers de doodzieke Groningse Harry Paalvast tijdens een ‘dodenmars’ mee. Helaas sterft Paalvast vervolgens toch.

Op 30 april 1945 worden Hans en Rob Beckman bevrijd.

Hulp aan joodse onderduikers

Terug naar 1943. Haar dochter is omgekomen door een bominslag, haar echtgenoot en twee zoons zitten gevangen in een concentratiekamp en Acacialaan 18a is ernstig beschadigd. Die situatie zou voor menigeen reden zijn geweest om bij de pakken neer te zitten. Zo niet voor Bertie Beckman-Halkema. Zij gaat zich bezighouden met de hulp aan joodse onderduikers.

Zo is ze betrokken bij de onderduik van de joodse zenuwarts Salomon Koster en diens echtgenote Hanna Koster-Teixeira de Mattos in Zeist. In zijn oorlogsdagboek, dat berust bij het NIOD, schrijft Koster over de dag waarop hij van zijn onderduikadres in Haarlem vertrekt, vermoedelijk op 30 april 1943. In zijn dagboek krijgt elke betrokkene een pseudoniem. Bertie Beckman-Halkema wordt door hem als ‘mevrouw BEEK’ opgevoerd:

‘*In Zeist gingen wij eerst naar de tusschenpersoon der illegale actie, mevrouw BEEK, die juffrouw HOLLAND aan het adres van een chauffeur had geholpen. Eerst gingen juffrouw HOLLAND en mijn vrouw naar binnen, terwijl mevrouw HAAG, met mij, op een bank in een parkje in de buurt, even ging zitten, omdat zij het te opvallend voor de buren vond, dat ’s avonds om half zeven, vier menschen tegelijk bij mevrouw BEEK naar binnengingen. Tien minuten later gingen mevrouw HAAG en ik naar binnen.

Wij werden allerhartelijkst door mevrouw BEEK ontvangen. Zij ging direct met mijn vrouw naar den chauffeur* [beoogde onderduikgever, auteurs]*, een half uur loopen van haar huis, want die had gezegd, dat wij vóór half acht moesten komen, omdat hij dien avond om half acht, met zijn vrouw uitging. Mevrouw BEEK zou tegen donker terugkomen, om mij te halen, omdat het te opvallend voor de buren zou zijn, als wij met ons drieën bij den chauffeur tegelijk naar binnen zouden gaan.

Na een uurtje kwam mevrouw BEEK terug. Zij zette mij twee boterhammen met boter en jam voor. En dat in een tijd van vrij strenge rantsoeneering, terwijl zij zelf twee opgeschoten jongens thuis had. Het greep mij aan, zooveel spontane hartelijkheid van een vreemde.

Even later kwam een dame binnen, die zich niet aan mij voorstelde, alleen maar mij, even vreemd onderzoekend aankeek. Ik stelde mij evenmin voor. Zij vertelde aan mevrouw BEEK, dat zij probeerde een Joodsche zuigeling van een paar maanden te vinden, van wie de ouders weg waren, om die te verzorgen. Zij was ongetrouwd en had voldoende geld beschikbaar. Mevrouw BEEK zou haar daar misschien wel aan kunnen helpen, maar zij moest toch een beetje voorzichtig zijn.

Alle politiemannen in Zeist waren betrouwbaar, behalve een, die NSB’er was en voor dien kerel moest iedereen oppassen, want die ging op eigen gelegenheid op onderzoek uit om Joden op te sporen. Zo had hij enige kinderen weggehaald, maar toen die op het politiebureau bijeen waren werden die weer, door een overval van eenige studenten op het politiebureau bevrijd. Een andere keer was een transport Joodsche kinderen al in Amsterdam, toen zij door een overval, door studenten op touw gezet, bevrijd werden. Het is wel aan te nemen, dat de politie die kinderen heeft laten bevrijden.*’

[Kanttekening: De tijdlijn klopt hier niet. Het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos kwam eind april/begin mei 1943, terwijl de arrestatie en bevrijding van de joodse kinderen in juni/juli 1943 plaatsvonden. Zie de arrestaties op 1-3 juni 1943 op Stadhouderslaan/Wilhelminalaan 53 en op 10 juli op Kritzingerlaan 26). Koster moet deze verhalen op een later tijdstip gehoord hebben.]

‘*Mevrouw BEEK moest nu nog even weg, om een tweede bed voor ons op te halen, dat iemand van de organisatie ons wilde leenen, omdat bij de chauffeur maar één bed voor één persoon beschikbaar was. Terwijl zij weg was, vertelde haar vriendin mij, dat mevrouw BEEK veel verdriet had. Haar man was officier geweest en zat nu, evenals twee van haar zoons, die op de militaire academie waren geweest, gevangen in Duitsland en haar enige dochter was kort geleden gedood door een bom van een Engelsch vliegtuig, die tegelijk het huis van mevrouw BEEK volkomen vernield had. Maar, ondanks haar verdriet of misschien juist wel bijzonder aangezet door haar eigen ellende, deed zij in de geheime organisatie, wat zij maar kon, speciaal voor de Joden.

Toen mevrouw BEEK met een kort tikje aanbelde aan het huis van de chauffeur, was het half elf en volkomen donker. Mijn vrouw deed open. Toen zij om half acht was gekomen, stond het echtpaar KATTE klaar, om uit te gaan. Mevrouw KATTE had haar direct een groote emmer aardappelen voor drie dagen voorgezet, die zij maar moest schillen en toen ik binnenkwam, was zij daar bijna mee klaar. Iets te drinken of te eten was mijn vrouw niet aangeboden.

Het was die avond voor het laatst, dat de menschen in Zeist tot elf uur op straat mochten: de volgende avond werd dat acht uur. Dus kwam het echtpaar KATTE even over elven thuis.*’ (Einde fragment oorlogsdagboek van Salomon Koster.)

Als er een razzia dreigt op het onderduikadres van het echtpaar Koster-Teixeira de Mattos schiet Bertie Beckman-Halkema alias ‘mevrouw BEEK’ het echtpaar opnieuw te hulp:

Wij gingen naar mevrouw BEEK. Die gaf, in haar angst, direct opdracht aan haar werkster, om een pakketje brieven, die haar in gevaar konden brengen, te verbranden. Bij die brieven was ook een, aan ons nog niet overhandigde brief van onzen zoon, waarin een bon zat, een zeer kostbaar geschenk. In angst, doet men nu eenmaal onvoldoende doordachte dingen! Mevrouw BEEK ging met ons mee en bracht ons naar een aannemer, dien zij kende. Daar waren al zes Joden ondergedoken, die allen door de een of andere oorzaak van hun onderduikadres waren verdreven.’ (Einde fragment oorlogsdagboek van Salomon Koster.)

Dit dagboekfragment identificeert een bestaand netwerk van onderduikershelpers in Zeist. De bewuste aannemer in het verslag is zonder twijfel Kees Kirpensteijn die op Krullelaan 17 met zijn vrouw een doorgangshuis voor joodse onderduikers onderhoudt. Dit echtpaar mag beschouwd worden als de grootste jodenhelpers van Zeist.

Harry en Hetty van S.

Bertie Beckman-Halkema helpt niet uitsluitend joodse onderduikers naar onderduikadressen, indien nodig neemt ze zelf ook tijdelijk onderduikers in huis. Helaas zal de verklaring hierover, die later zal leiden tot een postume Yad Vashem-onderscheiding voor haar in belangrijke mate onjuist zijn.

Volgens die verklaring zouden de joodse kinderen Hetty en Harry van S. uit Hilversum van december 1942 tot juli 1944 ondergedoken hebben gezeten op Acacialaan 18a. Hun ouderlijke gezin is ook afkomstig uit Nederlands-Indië en mogelijk kennen ze daar het gezin Beckman-Halkema van? Later zou Bertie Beckman-Halkema Harry naar een veiliger adres gebracht hebben in Den Haag. Hetty zou waarschijnlijk naar Driebergen gebracht zijn, waar haar ouders op zeker moment ook ondergedoken zaten.

Belangrijke details van deze beschrijving zijn dus helaas niet correct. Ondanks het ontbreken van nadere informatie en bereikbaarheidsgegevens laat een werkgroep van het Geheugen van Zeist en Comité 4 en 5 mei Zeist op 18 mei 2024 een gedenksteen voor Acacialaan 18a leggen, met het opschrift:

‘*hier waren ondergedoken

HETTY VAN S.

HARRY VAN S.

over hun lot

is niets bekend*’

(De achternaam van beiden is op verzoek niet volledig vermeld in deze beschrijving.)

Een dag na de ceremonie staat Harry van S. bevreemd naar de gedenksteen te kijken. Hij heeft niet alleen de bezetting overleefd, maar is bovendien elf jaar inwoner van Zeist geweest. Van 1974 tot 1985 heeft hij op Charlotte de Bourbonlaan 12 gewoond. Hij vertelt uitgebreid over de bijzondere onderduikgeschiedenis van zijn ouderlijke gezin.

Terug naar 1942. Abraham Joseph en Marie van S.-M. en hun vier kinderen (1926-1936) wonen op Roeltjesweg 18 in Hilversum. Fik, zoals Van S. door iedereen genoemd werd, was in 1916 naar Nederlands-Indië vertrokken, waar hij in meerdere plaatsen hoofd van een school zou worden. Net als Karel Beckman is Van S. in 1937 vroegtijdig gepensioneerd, op bijna 45-jarige leeftijd. Na een gemengd huwelijk in Nederlands-Indië met een onderwijzeres is hij in 1924 tijdens een verlof in Meppel hertrouwd met de joodse Marie M.

Ze krijgen vier kinderen. Tijdens bezetting zijn ze naar Duitse begrippen ‘voljoods’, en het gezin wordt daarom ook geteisterd door de stroom van anti-joodse maatregelen. Zo moeten de kinderen op 1 september 1941 van school af. Dochter Hetty (1932) zit bijvoorbeeld nog maar net 8 dagen in de derde klas. Haar vader zet op 8 september banken in de zijsuite van hun huis op Roeltjesweg 18. ’s Morgens geeft hij les aan de jongere kinderen en ’s middags aan de oudere kinderen. Medio januari 1942 wordt er in een villa op Utrechtseweg 64 in Hilversum een joodse school ingericht, waar Fik van S. zijn onderwijs voortzet.

Dat duurt tot 22 september 1942. De dreiging is dan zo groot, dat het echtpaar Van S.-M. het zware besluit neemt om het hele gezin onder te laten duiken. De onderduik wordt goed voorbereid. Zo krijgen de kinderen allemaal persoonsbewijzen met valse namen. Hetty van S. heet voortaan bijvoorbeeld ‘Hetty van de Bos’. Het huis op Roeltjesweg 18 in Hilversum wordt verzegeld en het gezin gaat naar een ander gezin (Dasberg) in Hilversum. Daar nemen ze afscheid van elkaar. Vader Van S. zegt tegen zijn kinderen dat ze elke avond om 8 uur aan elkaar moeten denken.

Vervolgens worden de kinderen Louk, Lenny en Hetty door de bevriende helper Hans Roelants naar het station in Hilversum gebracht, van waar George Helenus Ferguson, voormalig directeur van de Openbare MULO-school in Tondano (Celebes), ze meeneemt naar Soest. Ferguson is een bekende van Fik van S. die vanaf 1931 ook schoolhoofd in Tondano is geweest. Lenny en Hetty van S. worden in huis genomen door het echtpaar Ferguson-Visser, op Hartmanlaan 4, terwijl hun broer Louk (Louis) op nummer 7 kan worden ondergebracht bij de 68-jarige Ank van Vlaardingen en haar zuster. Ank van Vlaardingen, ook betrokken bij het Leger des Heils, is bekend van haar boek ‘Mijn Jordanertjes’ en spreekbeurten over haar ervaringen als onderwijzeres in de Amsterdamse Jordaan.

Zelf gaat het echtpaar Van S.-M. met jongste zoon Harry op de fiets naar Zuilen bij Utrecht, waar ze op twee afzonderlijke adressen onderduiken.

Joodse onderduikers kunnen zelden lang op een en hetzelfde adres blijven. Zo ook de leden van het gezin Van S.-M. Soms zijn ze even met zijn tweeën ergens, dan weer alleen.

Marie van S.-M. kan op zeker moment naar Driebergen. Fik van S. en dochter Lenny gaan naar een ander adres in Soest, en Harry kan na 6 weken in Zuilen naar Soest, waar hij voor de duur van een jaar herenigd wordt met zijn zusje Hetty. Een van zijn eerste vragen op Hartmanlaan 4 is ‘Zijn de muren hier ook dun?’ Hij mocht op het Zuilense adres namelijk niet huilen.

In Soest mogen ze ook niet naar buiten, en moeten ze elke dag oefenen in schuilen in een ruimte onder de zoldervloer. Hetty, die later onderwijzeres wil worden (en het ook zal worden) leert broertje Harry alles wat zij weet tot en met de derde klas lagere school. Dat doet ze zo goed dat Harry, als hij in juni 1944 in Voorschoten naar school mag, al na een maand naar de derde klas over kan gaan.

Op kerstavond 1943 brengen de bevriende Hilversummers Hans Roelants en Huub Kloosterman Hetty en Harry van S. naar een onderduikadres in Hilversum, waar meer joodse kinderen ondergedoken zijn. Ook daar mogen de kinderen niet naar buiten en moeten ze veel stil zijn.

Iets meer dan twee maanden later wordt Harry van S. naar Zeist gebracht, in maart 1944. Op Acacialaan 18a bij Bertie Beckman-Halkema en haar twee zoons zijn ook zijn ouders, met wie hij vier dagen samen doorbrengt. Of zijn ouders daar al langer zijn, en of zijn zusje Hetty daar ook bij is, staat niet vast. Zij wordt in elk geval door haar Soester onderduikgeefster Dolly Ferguson op een gegeven moment naar Driebergen gebracht, bij een 88-jarige vrouw op de Zonnelaan. In Driebergen gaat ze naar school en tijdens een wandeling ziet ze Max Sturhoofd, die ook in Driebergen op school zit en die ze uit Hilversum kent. (Max zit met zijn ouders en broer ondergedoken op Berkenlaan 7 in Zeist.) De kinderen mogen niet laten merken dat ze elkaar kennen. Twee maanden voor de bevrijding zal Hetty naar een ander onderduikadres in Driebergen moeten verhuizen, waar ze herenigd zal worden met haar ouders.

Dramatische ontwikkelingen in het laatste oorlogsjaar

Hoe lang Harry van S. op Acacialaan 18a blijft, is niet bekend, maar nog in de loop van het voorjaar van 1944 brengt de jongste zoon van Bertie Beckman-Halkema, de dan nog pas 16-jarige Jan, Harry naar Den Haag. Daar wordt Harry voor de duur van een week ondergebracht op Ieplaan 42, bij Maria Clara Halkema, een zuster van Bertie, die getrouwd is met de arts Louis Marie Frans Vogelzang. Er is kennelijk geen plaats voor hem, want hij moet telkens tussen patiënten in de wachtkamer zitten en eet met twee dienstmeisjes in de keuken. Na een week wordt hij ’s avonds over een heg getild – een blijvende traumatische ervaring – en komt hij terecht bij een verpleegster die een relatie heeft met een NSB’er (later geliquideerd).

Op dat adres blijft Harry van S. hooguit enkele weken. Gelukkig kan de jongen in juni 1944 terecht bij het gezin Weenink, op Voorstraat 33, in Voorschoten. Hij geldt daar als het Indische neefje ‘Harry de Graaf’ en mag naar school en op straat spelen. Zoals al eerder vermeld, hebben de lessen van zusje Hetty in Soest beklijfd, en Harry blijkt een intelligente jongen, want na 14 dagen in de 2e klas mag hij door naar de 3e klas, waar hij de beste leerling is. Hij zit nu op zijn laatste onderduikadres en hij zal zijn onderduikgevers daar altijd als pleegouders blijven beschouwen en het daar ook ondergedoken joodse meisje Lenie Troostwijk als pleegzus.

Intussen is de onderduik van broer Louk in Soest eind april uitgemond in een drama. Toen hij ‘s avonds even buiten wandelde, is Louk opgepakt. Op 7 mei 1944 is hij ondergebracht in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork en op 19 mei is hij al op straftransport gezet. Louk van S. zou aan eind van de zomer in 1944 sterven in een concentratiekamp, 18 jaar oud. Maar dat zal later pas bekend worden.

Omdat Louk het onderduikadres van zijn zusje Lenny in Soestduinen kent, wordt zij ondergebracht op een ander adres. Ze komt terecht bij het echtpaar Arie en Krijntje Versteeg-Kamerling in Alphen aan de Rijn. Het is haar vijftiende onderduikadres, maar hier zal ze tot de bevrijding mogen blijven.

Ook de echtgenoot van Bertie Beckman-Halkema treft een tragisch lot. Zijn straf zit er in 1944 op, en zijn echtgenote wacht urenlang aan de grens op hem, maar om onduidelijke redenen komt hij dan niet vrij. De Duitse autoriteiten zijn vergeten om door te geven dat majoor Karel Beckman in ‘Schutzhaft’ genomen is, de eufemistische term die nazi-Duitsland gebruikt voor het, zonder gerechtelijke uitspraak, arresteren en in bewaring stellen van personen die de regering onwelgevallig zijn. Schutzhaft kan niet bij een rechtbank aangevochten worden. Er is ook geen bescherming door een rechtbank tegen mishandelingen tijdens deze zogenaamde preventieve hechtenis.

Karel Beckman wordt overgebracht van Kamp Siegburg naar het concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg. Vanuit daaruit schrijft hij op 8 juli en 6 augustus 1944 nog twee, vanwege de censuur in het Duits gestelde brieven aan zijn echtgenote in Zeist. Maar op 20 november 1944 sterft hij in het kamp op 56-jarige leeftijd, officieel aan een hartinfarct. Maar de omstandigheden van zijn dood zijn niet bekend. Naar verluidt, zou hij door een bewaker-medegevangene (kapo) zo mishandeld zijn, dat hij in een coma raakte en waar hij niet meer uit raakte.

Terwijl Harry van S. in Voorschoten verblijft, en zusje Lenny in Alphen aan de Rijn, maken zijn ouders en zusje Hetty de beruchte Hongerwinter mee in Driebergen. Moeder en dochter moeten met een gammel karretje ook de boer op, om eten op te halen. Dat is natuurlijk een levensgevaarlijk avontuur voor joodse onderduikers. Marie van S.-M. draagt een lange broek, wat in het christelijke Kootwijkerbroek niet op prijs wordt gesteld: ‘Wat bennie nou, een man of een wief?’ Dan rolt ze haar broekspijpen maar weer op. Maar in Kootwijkerbroek worden ze wel warm ontvangen door een boer, waarna ze met een vol beladen gammel karretje terug kunnen keren naar Driebergen, wat over de berg van Austerlitz nog een hele toer blijkt te zijn.

Kort voor de bevrijding scheelt het weinig of Bertie Beckman-Halkema verliest nog een kind. Ze heeft het nodige te stellen gehad met haar jongste zoon Jan die niet onder wilde doen voor zijn oudere broers. Hij heeft haar geholpen bij haar hulp aan joodse onderduikers, maar was ook betrokken bij illegale activiteiten van een groep jongeren in Zeist, waarvan Fritz van Hattem gefusilleerd werd (wegens sabotage van een telefoonkabel). In maart 1945 zit de dan 17-jarige Jan in de gevangenis. Daarmee komt hij in aanmerking voor executie, in het kader van de zware represaillemaatregelen voor de aanslag op de höhere SS- und Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen, SS Obergruppenführer Hanns Albin Rauter. Volgens de latere Yad Vashem-verklaring voor zijn moeder wordt Jan Beckman inderdaad geëxecuteerd, maar in werkelijkheid wordt de jongen vrijgelaten, waarschijnlijk vanwege zijn leeftijd, en kan hij naar Zeist terugkeren.

Over het gezin Beckman-Halkema na de bevrijding

Hans en Rob Beckman hebben tijdens een moeizame thuisreis onder andere Zeistenaar Willem Walraven ontmoet, die in Zeist wel is ontkomen aan arrestatie maar uiteindelijk toch in een concentratiekamp is beland. Op 2 juni 1945 arriveren de broers in Zeist. Op woensdag 27 juni 1945 wordt op hun adres het Comité voor Zeist en Omgeving van Politieke Gevangenen opgericht, met als voorzitter Willem Walraven.

Ze fungeren nog een korte tijd als bewaker in het kamp voor politieke delinquenten in Slot Zeist, maar dat bevalt hen niet. Ze pakken hun leven en militaire opleiding weer op.

Er is dan niet meteen zekerheid over het lot van vader Karel Beckman. Die zekerheid komt medio september 1945. Het gezin plaatst een overlijdensadvertentie in het Zeister Nieuwsblad en de Zeister Post.

Het zo zwaar getroffen gezin Beckman-Halkema ontvangt later veel erkenning voor hun verzetswerk.

Op 9 mei 1951 reikt koningin Juliana het Kruis van Verdienste uit aan Hans Beckman.

In 1952 wordt er in Zeist een laan naar Karel Beckman vernoemd: de Karel J.C. Beckmanlaan. Na de scheiding van zijn eerste echtgenote zal Rob Beckman trouwen met Hermine Tellegen, dochter van de tijdens de bezetting gefusilleerde Zeister illegaal werker Toon Tellegen. De Antonius O.H. Tellegenlaan is een zijstraat van de Karel J.C. Beckmanlaan in de Zeister verzetswijk.

Op 12 februari 1965 legt majoor Hans Beckman – zijn broer Rob is ook officier geworden – een uitgebreide verklaring af tijdens een Auschwitz-proces in Frankfurt. Hij is dan getuige à decharge voor de voormalige kampfunctionaris Hans Stark. (Stark wordt veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, waarvan hij er vier uit zal zitten.)

Dertig jaar na 1952 komen pas ook de illegale activiteiten van Bertie Beckman-Halkema kennelijk beter in beeld. Zij wordt op 5 mei 1982 onderscheiden met het Verzetsherdenkingskruis. Zoon Hans Beckman wordt op 10 oktober 1985 ook nog door Yad Vashem erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren, voor zijn hulp aan joodse gevangenen in het kamp Auschwitz. In 1994 onderneemt hij nog een intensieve, maar vruchteloze zoektocht naar president Schmidt van de Krijgsraad in Besançon.

Zijn moeder wordt 11 november 1986 postuum erkend door Yad Vashem als Rechtvaardige onder de Volkeren. Helaas op basis van een onjuiste verklaring, maar de onderscheiding is onmiskenbaar verdiend. Volgens zoon Hans heeft ze niet alleen joodse onderduikers in huis gehad, maar zulke onderduikers ook naar adressen in Zeist en elders in het land gebracht.

De belangrijke jodenhelper Albertus Marinus van Kranen (Oosterbeek, 8 oktober 1899 – Rheden, 29 december 1986), die tijdens de bezetting in Heerlen woonde, had daar in 1974 al een indrukwekkende verklaring over afgelegd. Zie voor het werk van PTT-ambtenaar Van Kranen ook de beschrijving van het adres Amalia van Solmslaan 28, vanwaar hij het gezin Davidson-de Jong naar Limburg bracht. Albertus van Kranen in een brief in augustus 1974 : ‘In Zeist werkte ik samen met mevrouw Beckman-Halkema, die heel veel illegaal werk deed.’ Volgens Van Kranen was ze daar permanent mee bezig. Maar feitelijk was zijn verklaring bedoeld voor het illegaal werk van de jonge Jan Beckman. Van Kranen noemde in dat verband door Jan verrichtte koeriersdiensten, maar bevestigde ook dat de jongen op 16-17-jarige leeftijd het intensieve illegaal werk van zijn moeder ondersteunt. Van Kranen verklaarde dat Jan veel meer deed:

‘*Voor mij heeft hij veel gedaan.

Hij bracht o.a. een oude joodse dame van Zeist naar Heerlerheide. Omdat het onveilig in Zeist was geworden moesten een joodse moeder en dochter die vanuit Amsterdam daar ondergedoken waren vanuit Zeist weg. Jan bracht me naar het adres zaterdagsmorgens en zondagsmorgens ging hij weer met me mee om de dames op te halen. Hij in gezelschap van de dochter – ik met de moeder. Jan bracht ons naar station Utrecht vanwaar ik met het tweetal naar Limburg ging en daar liet onderduiken.

Een andere keer een ongeveer zelfde geval. Een echtpaar zat in Zeist – ’t werd er onveilig – ik zorgde voor een adres in Limburg. Zaterdagsavonds logeerde ik bij de familie Beckman. Zondagsmorgens ging Jan met de joodse vrouw en ik met de man naar station Utrecht, vanwaar ik met het echtpaar doorspoorde naar Limburg en daar liet onderduiken.

Jan was toentertijd ‘n zenuwpees, maar zijn werk deed hij uitstekend*.’

Tot slot memoreerde Albertus van Kranen dat de gezondheid van Jan Beckman er in de loop der jaren niet beter op was geworden. Hij weet dat aan de uitzonderlijke en stressvolle omstandigheden van Jans ouderlijke gezin gedurende de bezetting.

Over het gezin Van S.-M. na de bevrijding

Voor het gezin Van S.-M. is er na de bevrijding ook alle reden voor verdriet. In eerste instantie ontvangt het echtpaar Van S.-M. het bericht dat zoon Harry er niet meer is, maar dan worden ze toch verwezen naar Voorschoten. Daar koesterde men al de hoop om pleegzoon Harry te kunnen adopteren, maar Fik van S. fietst op 5 juli 1945 met een tandem naar Alphen aan de Rijn, waar hij dochter Lenny ophaalt, en daarna doorfietst naar Voorschoten. De volgende dag ondernemen vader, dochter en zoon een moeizame fietstocht, waarbij ze onderweg een flinke val maken.

Op 14 juli gaat het gezin terug naar Hilversum.

Zonder zoon Louk. Een jaar of wat later zal het Rode Kruis bevestigen dat zoon Louk vermoord is op een onbekende plaats en datum. Dat zal levenslang een diepe wond blijven voor het echtpaar Van S.-M. Vooral Fik van S. kan de oorlogsgebeurtenissen toch al moeilijk verkroppen. Hij heeft maar liefst op 25 onderduikadressen ondergedoken gezeten, en heeft dus extra ellendige jaren achter de rug. Ook het gedrag van zogenaamde ‘bewariërs’ is onverteerbaar voor hem – zo krijgt hij zijn dierbare en kostbare postzegelverzameling niet meer terug. Echtgenote Marie van S.-M. lijdt ook onder het verlies van Louk, maar kan de andere gebeurtenissen beter een plek geven. Zij spant zich in om de verschillende onderduikgevers erkend te krijgen door Yad Vashem.

De blijmoedige tekst in het overlijdensbericht van Marie van S.-M. zal tientallen jaren boekdelen spreken: ‘Allen die ik in mijn leven heb leren kennen wil ik bedanken, voor de vriendschap die we samen opgebouwd hebben. Ik heb een lang, rijk leven gehad.

Op 18 mei 2024 wordt niet alleen voor Harry en Hetty van S. een gedenksteen gelegd, maar ook voor Karel en Bertha Beckman-Halkema, dochter Tineke en de zoons Hans en Rob (zoon Jan werd vergeten en de informatie op de stenen is zeer onvolledig). De gedenksteen van Harry en Hetty van S. is inmiddels op hun verzoek weer verwijderd, omdat zij nog in leven zijn. Ze waren er niet van op de hoogte gesteld dat er voor hen een gedenksteen gelegd zou worden en hebben daarvoor namens de gemeente Zeist nadien verontschuldigingen gekregen van wethouder Van Dijk die de gedenkstenen onthuld had.

Bronnen:

  • Mededelingen Harry van S.
  • De Zeister courant van 24 augustus 1940, ‘Voor de tweede maal bommen op Zeist. Een meisje van 18 jaar het slachtoffer’
  • Archief Eemland, collectie Stichting Nationaal Monument Kamp Amersfoort, beheersnummer 0280, inventarisnummer 167, brief van 1 augustus 1942 van Karel J.C. Beckmann
  • Gemeentearchief Zeist, 3500-257, politiedagrapporten 7 januari en 17 maart 1943
  • deportes-politiques-auschwitz.fr, biografie Johan Frederik (Hans) Beckman
  • www.mahnmalkoblenz.de, Autobiografie eines niederlaendischen widerstandskaempfers, Auschwitz-ueberlebenden und gerechten unter den voelkern (Nederlands rapport van Hans Beckman over zijn oorlogservaringen)
  • NIOD, archief 250d, Kampen en gevangenissen, inventarisnummer 489, verklaring H. Dallmann
  • NIOD, archief 244, Europese dagboeken en egodocumenten, inventarisnummer 996, oorlogsdagboek S. Koster (beperkt openbaar)
  • brabantsegesneuvelden.nl (Karel Beckman, Breda, 1888)
  • Nieuwe Zeister Courant 23 augustus 1968, Karel J.C. Beckman
  • Geheugen van Zeist, Zeister Nieuwsblad en Zeister Post van 11 respectievelijk 12 september 1945, overlijdensadvertentie van Karel J.C. Beckman, en ‘Karel J.C. Beckman, verzetsstrijder’
  • Verhalen bij een oorlogsmonument in het Visser ’t Hooft Lyceum in Leiden, ‘Het verhaal van Eugenie Christiane Beckman’ (en van Hans Beckman)
  • Youtube (www.youtube.com), ‘Zeuge Johan Frederik Beckman im Frankfurter Auschwitz-Prozess, 12.02.1965’
  • Reddingsverhalen Yad Vashem voor Johan Frederick Beckman en Bertha Beckman-Halkema (onjuist)
  • Verzetsmuseum Amsterdam, objectnummer 19574, archief van Johan Frederik (Hans) Beckman (Pontianak [Nederlands-Indië], 28 december 1919 – Leiden 13 februari 2011), verzetsdeelnemer
  • Brief van augustus 1974 van A.M. van Kranen

1. Acacialaan 18a

2. Het gezin Beckman-Halkema in Nederlands-Indië

3. Karel Beckman en dochter Tineke

4. Tineke Beckman (1922)

5. Het bericht over de bominslag in De Zeister Courant van 24 augustus 1940

6. Na de bominslag stonden mensen te kijken bij het tuinhek van Acacialaan 18a

7. Karel Beckman voor zijn arrestatie

8. Berta Beckman-Halkema

9. Karel Beckman, getekend in 1941 of 1942, toen hij al gevangen zat

11. Hans Beckman als gevangene 45218 in Auschwitz

12. Rob Beckman als gevangene 45219 in Auschwitz

12.a. Heinz Dallmann, de joodse Zeistenaar die Auschwitz ook overleefde

13. Het woonhuis Acacialaan 18a werd hersteld en staat er anno 2020 nog

14. Bericht in De Zeister Courant van 10 april 1943, waarmee Bertha Beckman en haar twee nog thuiswonende zoons hun helpers bedankten

16. Overlijdensbericht voor Karel Beckman in de Zeister Post van 12 september 1945

17. Overlijdensbericht voor Karel Beckman in het Zeister Nieuwsblad van 11 september 1945

18. Bertha Beckman-Halkema

19. Rob Beckman na de oorlog

20. Hans Beckman rondde na de oorlog zijn militaire opleiding af

21. Hans Beckman trouwde met ex-concentratiekampgevangene Noëmi Tirpin

22. De op 18 mei 2024 voor Acacialaan 18a gelegde gedenkstenen voor Karel en Bertha Beckman-Halkema en hun kinderen Tineke, Hans en Rob