Dit bericht beschrijft een adres in Zeist waar tijdens de bezetting een of meerdere joodse onderduikers verbleven. Een overzicht van dergelijke adressen en de daar geregistreerde onderduikers is te vinden via bekende onderduikadressen.
Wie weet meer? Suggesties voor correctie, wijziging en aanvulling kunnen doorgegeven worden via het contactformulier op deze site.
(Zie het Onderduikboek, pagina’s 119-124, en het Supplement, pagina’s 51-64; aangepast)
In memoriam de volgende joodse mensen waar onderduik of andere hulp aan geboden werd:
- Necha Jachcel, gescheiden van Hugo Kafka, geen beroep (Wisnicz-Tsjecho-Slowakije, 19 maart 1897 – Auschwitz, 28 januari 1944), bereikte leeftijd van 46 jaar (had tijdelijk onderduik gekregen op 2e Dorpsstraat 32b)
- Eveline Wallig-Peekel, weduwe (Amsterdam, 16 oktober 1882 – Auschwitz, 14 september 1942), bereikte de leeftijd van 59 jaar
- Adolf Kassel, gewezen bankier (Aschaffenburg-Duitsland, 21 april 1879 – Auschwitz, 27 augustus 1943), bereikte de leeftijd van 64 jaar
- echtgenote Olga Kassel-Midas (Fürth-Duitsland, 6 augustus 1889 – Auschwitz, 27 augustus 1943), bereikte de leeftijd van 54 jaar
Drie overige onderduikers op 2e Dorpsstraat 32b:
- Minna Leiter-Berliner, weduwe, modiste (Posen-Polen, 21 mei 1891 – op 11 maart 1949 naar New York geëmigreerd, overleden in 1952)
- Noach Polak, inkoper (Rotterdam, 11 oktober 1898 – Johannesburg-Zuid-Afrika, 2 juni 1957)
- echtgenote Tilly Polak-Weismann (Grimsby-Engeland, 8 november 1905 – Kaapstad-Zuid-Afrika, 29 juli 1985)
Namen van een aantal joodse onderduikers die geholpen werden door Gerrit Leijte en medewerkers (eigen aantekeningen):
- mejuffrouw Bloemist: vermoedelijk Betsy Caroline Bloemist, ongehuwd, stenotypiste, verpleegster (Arnhem, 2 mei 1916 – Wilhelmshafen-Duitsland, 1 november 1945).
- B. Gomperts
- gezin Brilleman (3x)
- gezin Davidson (3 personen)
- Nichs Franke (?)
- Iwan Herzberg, gescheiden, procuratiehouder (Tilsit-Duitsland, nu Sovetsk-Rusland, 19 december 1884 – Amsterdam, 17 februari 1954)
- Hol, geen nadere gegevens
- Max Hoofien, handelsagent (Amsterdam, 7 september 1899 – Amsterdam, 3 maart 1986)
- echtgenote Leentje Hoofien-Markus (Amsterdam, 13 februari 1911 – Amsterdam, 21 december 1987)
- Fientje de Jong, geen nadere gegevens (mogelijk gaat het hier om Sabina of Sabientje de Jong?)
- Leopold Landsberger, rechtskundige (Berlijn-Duitsland, 26 februari 1887 – Den Haag, 22 februari 1949).
- echtgenote Hedwig Elli Landsberger-Stiasny (Görlitz-Duitsland, 8 april 1887 – Amsterdam, 29 september 1980)
- Waterman, geen nadere gegevens
- echtpaar Weyll (schrijfwijze kan anders zijn); later door hun voormalige onderduikgever in Woudenberg verraden en op hun nieuwe onderduikadres in Amersfoort gearresteerd. Hun lot is onbekend, bij gebrek aan nadere gegevens
Behalve deze namen is het beslist niet onwaarschijnlijk dat de groep van Gerrit Leijte bijvoorbeeld betrokken is geweest bij het onderduiken van Lea en Estella Schrijver en Levie Witzenhausen, op de bovenverdieping van Frederik Hendriklaan 82. Op de benedenverdieping zat immers de elektriciteitszaak van Leo Kortlandt, een naaste medewerker van Gerrit Leijte.
Jodenhelpers:
- Gerrit Leijte, weduwnaar, tijdens de bezetting eigenaar NV Leyte’s rijwiel- en motorhandel (Raamsdonk, 25 februari 1885 – Zeist, 20 januari 1956)
- zoon Marinus Hendrik Leijte, handelsreiziger (Zeist, 13 maart 1921 – Rijswijk, 3 augustus 2004), en
- echtgenote Maria Leijte-Prins (Breukelen-Nijenrode, 7 december 1916 – Zeist, 10 december 1992)
- > Tijdens de bezetting drie kinderen (1942, 1943 en 1944)
Weduwnaar Gerrit Leijte, eigenaar van NV Leijte’s rijwiel- en motorhandel op 2e Dorpsstraat 32b, was er vroeg bij met zijn hulp aan joodse onderduikers. Hij had enkele helpers die de onderduikers aanvankelijk vooral in Woudenberg onderbrachten. Leijte werd verraden en gearresteerd. Hij doorstond bij het Haagse Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitspolizei martelingen zonder ook maar één naam prijs te geven wat betreft zijn illegaal werk. Die fysieke en mentale kracht was weinigen gegeven. En het was toch niet de minste sadist die Leijte in Villa Windekind onderhanden had genomen: oorlogsmisdadiger Kees Kaptein.
Toen Kaptein eind 1945 verhoord werd, bevestigde hij dat Gerrit Leijte zich moedig had gedragen, zonder de mishandelingen te bekennen:
‘Bij de arrestatie van Leyte zijn door mij enkele vragen gesteld aan hem, die hij niet wenschte te beantwoorden na herhaald vragen is door mij een harde toon aangeslagen om Leyte te intimideren. Toen hij daarop nog weigerde te antwoorden is het voorgekomen, dat ik dezen man enkele slagen heb toegebracht, in den hoop, dat hij de gevraagde gegevens zou verstrekken, waardoor ik dan deze arrestatie achterwege had kunnen laten.
Leyte heeft geweigerd de gevraagde gegevens te verstrekken. Leyte is daarom met zijn zoon en zijn broer overgebracht naar het politiebureau te Utrecht en vervolgens via Windekind naar de strafgevangenis te Scheveningen. Nadien is Leyte nimmer meer in Windekind door mij verhoord en wel is Leyte door mij eenmaal verhoord in de gevangenis te Scheveningen. Ik ontken ten sterksten, dat ik Leyte ook in de strafgevangenis geslagen zou hebben. Inderdaad heb ik bij dit verhoor aan Leyte enkele vragen gesteld, doch al spoedig is de gehele zaak door Leyte en mij op een accoordje gegooid, doordat ik aan Leyte toestemming gaf, om onder geleide van een agent van politie naar Zeist te vertrekken, begreep ik zeer goed, dat hij daar maar al te gauw onder zou duiken, hetgeen zeer wel mogelijk was, daar hij slechts een man ter bewaking bij zich had, die hem dag en nacht zou moeten bewaken hetgeen in de practijk natuurlijk onmogelijk is. In verband met de zwangerschap van de vrouw van den zoon van Leyte, heb ik deze tevens mede laten gaan naar Zeist. Enkele dagen later heb ik den broer op vrije voeten laten stellen. Na de onderduiking van de heeren LEYTE, heeft agent van den Berg hiervoor van mij geen last gehad. Het motief waarom ik aan de familie de zoo opgelegd kans tot ontsnapping gegeven heb, is de volgende:
‘Toen ik Leyte wederom ontmoette in de strafgevangenis te Scheveningen, trok hij enigszins met zijn been. Ik schrok hier danig van en heb mij direct met den dokter in de gevangenis in verbinding gesteld om te informeren, waar dit door kwam. De dokter deelde mij mede, dat deze trekking veroorzaakt werd door zenuwen. Door dit geval was ik echter dusdanig geschrokken dat ik aan Leyte de kans tot ontsnapping in de hand gaf, door hem en zijn zoon onder bewaking van politie te plaatsen. Dit was de eenige wijze, waarop ik iets voor Leyte kon doen.’
Gelet op de zeer gewelddadige reputatie van Kees Kaptein is zijn verklaring niet geloofwaardig. Kapteins beweerde zorgzaamheid staat in schril contrast met de verklaringen van veel andere slachtoffers.
Op 9 maart 1948 stond de 33-jarige Kaptein terecht voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag. Een ziekelijke antisemiet die volgens een getuige begon te rillen, en het schuim op de mond kreeg, als hij joodse mensen zag. Hij zou honderden van hen – er werd een getal van 1.400 genoemd – hebben gearresteerd en ook de nodige jodenhelpers. Kaptein maakte tijdens de zittingen de indruk dat hij geestelijk niet in orde was. Toen getuigen verklaarden dat hij hen met een stoelpoot had geslagen, en dat zij in een badkuip met koud water hadden moeten zitten, leek hij dat met een knikje te bevestigen. Maar de sadistische methoden waarmee hij zijn arrestanten bekentenissen had afgedwongen, bekende hij niet. Met één uitzondering. Toen de inmiddels 63-jarige Gerrit Leijte in de getuigenbank verscheen, vroeg de rechtbankpresident: ‘Hij heeft u nog al toegetakeld. Is het niet?’ Leijte gaf ten antwoord dat hij had gebloed als een rund en dat zijn hoofd eruit had gezien als een rode kool. Desgevraagd door de advocaat-fiscaal – ‘Dit is de enige maal dat u de mishandeling bekent, nietwaar?’ – antwoordde de verdachte: ‘Die vraag had ik verwacht. Ik geef toe, dat ik in dit geval fout ben geweest.’ Kennelijk had Gerrit Leijte ook bij deze oorlogsmisdadiger respect afgedwongen.
Gerrit Leijte werd zo zwaar mishandeld omdat Kaptein – die overigens ter dood veroordeeld zou worden en op 21 juli 1949 op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd werd– door verraad wist dat de groep van Leijte tientallen joodse onderduikers hielp.
Wie was Gerrit Leijte? Na onderzoek en vooral door mededelingen en documentatie van zijn kleinzoons Gert en Cees Leijte blijkt dat hij in de vooroorlogse jaren een prominente en actieve inwoner van Zeist was. Toen de bezetting begon, kon Leijte bogen op een indrukwekkend curriculum vitae wat betreft sociaal-maatschappelijke activiteiten. Zijn daarbij betoonde organisatorische vermogens, inventiviteit en daadkracht benutte hij tijdens de bezetting voor illegaal werk, zoals hulp aan tientallen joodse onderduikers. Als hij niet gezwegen had, waren veel helpers en onderduikers in grote tot fatale problemen gekomen.
Gerrit Leijte (Raamsdonkveer, 1885) bracht zijn eerste acht jeugdjaren door in Amsterdam-Centrum, en kwam daar, na een Rotterdams intermezzo van vijf jaar, rond de eeuwwisseling weer terug. De baan van zijn vader als (scheeps)machinist bracht diens gezin met uiteindelijk negen kinderen naar verschillende woonplaatsen, en in die plaatsen werd ook nog regelmatig verhuisd. Gerrit Leijte vervulde zijn militaire dienstplicht in 1905 bij het 2e regiment vestingartillerie. Daarna woonde hij (22 jaar oud) samen met de drie jaar oudere Anna Maria Antonetta van Beek (Amsterdam, 1882). Zij had haar beroep van verpleegster verruild voor een bestaan als officier bij het Leger des Heils. In 1907 gingen ze elk hun eigen weg. Gerrit Leijte was inmiddels ook officier bij het Leger des Heils en zijn uitvalsbasis was de vestiging van het Leger op Spuistraat 40. In 1907, 1908 en 1909 ging hij achtereenvolgens naar Middelburg, Gouda en Sneek. In laatstbedoelde plaats maakte hij kennis met de vrouw waar hij mee zou trouwen, Antje Vierstra. Zijn band met het Leger des Heils bleef, maar hij zocht een andere broodwinning.
Zijn vader was inmiddels aan de Havenstraat in Hilversum een fietsenzaak begonnen, en bij hem leerde Gerrit Leijte het vak. Vervolgens vestigde de toen 25-jarige Leijte in maart 1910 zelf een rijwielreparatie en -stalling op 2e Dorpsstraat 32b in Zeist. Daarmee bracht hij het aantal lokale fietsenzaken op tien, inclusief twee fabriekjes. De zaak liep meteen goed, ook getuige de vele, later creatieve advertenties die Leijte in De Zeister Courant plaatste. Al in 1911 bestelde de Gemeente Zeist een driewielige Simplex brancard bij hem, welke noviteit de nodige aandacht trok. En in september 1912 kon hij trots bekend maken dat het Ministerie van Koloniën bij hem rijwielen van het fabricaat Vierkleur had besteld voor de Post en Telegrafie in Nederlands Oost-Indië.
Gerrit Leijte was bepaald niet wars van vernieuwing op fietsengebied. In 1917 presenteerde hij een draaibare pedaalkruk die moest voorkomen dat de trappers van een fiets bij het wegzetten in de spaken van een andere fiets kwamen. Hij overwoog een patent op deze vinding. In 1918 verwierf hij de alleenvertegenwoordiging voor heel Nederland van een door een inwoner van Driebergen uitgevonden houten rijwielband die enigermate kon concurreren met een luchtband. Daar zou in de Zeister Courant van 30 september 1944 trouwens nog eens aan herinnerd worden, uiteraard zonder te memoreren dat Gerrit Leijte op dat moment vanwege illegale activiteiten ondergedoken was. In 1924 leverde hij speciale brancards aan de Zeister gemeentepolitie en in 1926 kwam hij met een nieuw product voor Nederland, in de vorm van de tweewielige wegschaats – voorloper van de vierwielige schaats voor inline-skating, en het jaar daarop met de trommelrem als nieuwigheid.
Hij had al in het prille begin (alleen)vertegenwoordigingen voor Zeist verworven voor fietsen van de merken Simplex, Vierkleur, Voorpost en Rover. Bij de levendige lokale fietsenhandel werden verder merken als Fongers, Royal Enfield en Burgers/ENR gevoerd.
Intussen was het privé niet altijd rozengeur en maneschijn voor Gerrit Leijte.
Dat hij in de zomer van 1910 weer onder de wapenen geroepen werd voor het 2e regiment vestingartillerie bleek nog een tegenvaller die herhaald uitgesteld kon worden. Uiteindelijk werd hij in 1914 korte tijd gemobiliseerd bij Fort Velsen bij Beverwijk, tot hij in datzelfde jaar werd afgekeurd voor de militaire dienst (1914).
Maar vooral zou het huwelijk dat hij in maart 1910 was aangegaan met de acht jaar oudere, Friese Antje Vierstra uit Sneek geen succes worden. Uit dit huwelijk waren drie dochters en een zoon voortgekomen (1911-1975, 1912-2011, 1915-1973 en 1916-1917), waarvan de laatste als baby overleed. Begin 1919 kwam het tot een scheiding. Het huwelijk en de scheiding zouden later ontbreken op zijn persoonskaart in het bevolkingsregister.
Gerrit Leijte bleef niet lang alleen. Twee maanden later hertrouwde hij al weer met de Haagse heilsoldate Wilhelmina Johanna Gertenaar (1888), met wie hij in 1921 zoon Marinus kreeg. Ze was in Zeist, behalve voor het Leger des Heils, actief bij de Zeister Dames Gymnastiek Vereniging Hygiëa en bij de Vrouwenbond. Het huwelijk duurde slechts 12 jaar. Mien Leijte-Gertenaar stierf na een lange lijdensweg op 23 mei 1931 aan een hersentumor, op pas 43-jarige leeftijd. Had de van oorsprong Nederlands Hervormde Gerrit Leijte het geloof achter zich gelaten? In de overlijdensadvertentie was geen verwijzing te vinden. Vaststaat volgens zijn nazaten dat echtgenote Mien zijn grote liefde was geweest en dat hij door haar lijdensweg en overlijden zwaar geraakt werd.
Gerrit Leijte had zich in het achterliggende decennium ontpopt tot een uiterst prominente Zeistenaar, door veelzijdige sociaal-maatschappelijke activiteiten. In die jaren was het een maatschappelijke eer om benoemd te worden tot lid van comités en met lichte overdrijving zou men kunnen stellen: geen Zeister comité zonder fietsenhandelaar Leijte. En zijn deelname was bepaald niet ornamenteel van aard. Hij was, en bleef tot in 1938, een drijvende kracht – de ‘ziel’ – van menig comité, en werd wel eens een ‘duivelskunstenaar’ genoemd in zijn hoedanigheid van penningmeester: hoe kostbaar feestelijkheden ook waren geweest, er was steeds een batig saldo.
Leijte was actief lid van het (neutrale) Oranje-comité, waarvan hij later penningmeester werd, hij was commissaris van de Zeister glasverzekeringsmaatschappij Saestum en bestuurslid van de Zeister Handelsvereniging.
Daarnaast was hij op enig moment voorzitter van de afdeling Zeist-Driebergen van de Bond van Rijwielherstellers en -Handelaren in Nederland (BHRN), lid van het Comité dat het 45-jarige bestaan van het Koninklijke Zeister Harmonie Muziekgezelschap op moest luisteren (1927), betrokken bij de organisatie van de vijfdaagse Algemene Middenstands Tentoonstelling (AMITO) in Zeist, penningmeester van het bestuur van de gymnastiekvereniging Bato, later gewoon bestuurslid en uiteindelijk erelid van Bato, erelid van de Zeister Dames Gymnastiek Vereniging Hygiëa, penningmeester van de Vereniging Sportpark Zeist (vanaf 1928), lid van de tentoonstellingscommissie van de Zeister Huisvlijttentoonstelling (1928), organisator van het plaatselijke Sinterklaas-feest voor 700-800 kinderen (1928), betrokken bij de organisatie van vier openluchttoneelvoorstellingen achter het Slot (1929), lid van het Comité van Voorbereiding van de viering van de 21e verjaardag van Prinses Juliana (1929-1930), penningmeester van het bestuur van de nieuw opgerichte Zeister Veteranen Turnvereeniging (1930), plaatsvervangend lid van het Stembureau voor Stemdistrict 1, gemeentehuis (1931), lid van het Comité van Uitvoering voor de Etalage- en Verlichtingsweek (1931), lid van het Comité van Bijstand voor het natuurbad ‘Mooi Zeist’ (vanaf 1932), jurylid van het Bloemencorso Zeist (1934), penningmeester van de Buurtvereniging Dorpsstraten/Rond, lid van de Commissie Reclamecampagne van die buurtvereniging (1935), gekozen lid van het bestuur van de Afdeling Zeist-Bunnik van de Liberale Staatspartij (1935-1938) en lid van de subcommissie Dorps- en kinderspel van het Oranje-comité (1938, ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum van Koningin Wilhelmina).
Of deze opsomming compleet is? Bovendien was zijn zaak op 2e Dorpsstraat 32b steevast afhaalpunt voor prijzen en toegangskaarten voor evenementen.
En dan was Gerrit Leijte zelf ook nog eens een sportman. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij (42 jaar oud) op Koninginnedag 1927, op door mede door hemzelf georganiseerde sportwedstrijden, de 100 meter bij de veteranen in 14,3 seconde won.
Memorabel is nog dat Leijte bij zijn bestuurlijke activiteiten op gymnastiekgebied en bij de Oranje Vereniging Zeist samenwerkte met de latere illegaal werker Gerrit Vermeulen (zie Eikenlaan 14) en Holocaust-slachtoffer Jo Bannet (zie Waterigeweg 31).
Meer dan genoeg voor een onderscheiding, maar die zou Gerrit Leijte nooit krijgen. Dat had waarschijnlijk te maken met zijn handel en wandel in de privésfeer. In 1932, een jaar na de dood van zijn tweede echtgenote, veranderde er veel voor hem. Zijn zoon Marinus ging in de zomer van 1932 naar een tante in Ermelo, en hij werd toen ingeschreven als leerling aan het Christelijk Lyceum in Harderwijk. Zelf ging weduwnaar Leijte eind 1932 wonen op Julianalaan 131 in De Bilt.
Daar trok de vier jaar jongere Polly (Gerarda) Wiers-Tismeer bij hem in. Ze was in Indonesië gescheiden van tafel en bed, failliet verklaard – wat ze met succes aangevochten had – en in september 1931 teruggereisd naar Nederland.
Het was de start van een relatie die bijna 25 jaar zou duren, tot de dood van Gerrit Leijte. Hoewel Polly Tismeer anderhalf jaar later alsnog definitief scheidde van haar echtgenoot – de scheiding werd uitgesproken in Batavia – bleven zij en Gerrit Leijte ongetrouwd. Hun relatie had ogenschijnlijk kenmerken van een LAT-relatie, maar dat werd toen nog niet zo genoemd.
Deze voorgeschiedenis is in zoverre van belang, dat die zou kunnen verklaren waarom Gerrit Leijte later elke erkenning in Zeist moest ontberen. Als eerder zelf gescheiden man ‘hokken’ met een aanvankelijk formeel nog getrouwde en later gescheiden vrouw was in de eerste helft van de 20e eeuw volstrekt not done. De relatie zou geen stabiele factor in beider leven vormen, gelet op een aantal opmerkelijke verhuisbewegingen:
- december 1934, van De Bilt naar de Nobelstraat 1 C bis, hartje Utrecht
- april 1936, terug naar De Bilt, Julianalaan 255
- maart/april 1937, naar Maliebaan 31 in Utrecht (in 1939 zou in dat gebouw de propaganda-afdeling van de NSB gevestigd worden)
- september/oktober 1937, weer terug naar De Bilt, Julianalaan 273
- januari 1938, naar het eerdere Biltse adres Julianalaan 255
- maart/april 1940, naar Weteringschans 116 in Amsterdam, het domein van beider jeugd
Wat daar nu achter zat?
Al die tijd bleef de rijwielhandel – later annex motorreparatiebedrijf – gevestigd op 2e Dorpsstraat 32b. Ook bleef Gerrit Leijte actief in Zeist, bijvoorbeeld voor de Oranjevereniging. Zo droeg hij in augustus 1934 het vaandel van de vereniging tijdens het grootse onthaal van de nieuwe burgemeester jonkheer Marie Louis van Holthe tot Echten. En hij werd, ondanks dat hij elders ingeschreven stond, zelfs penningmeester van de buurtvereniging Dorpsstraten/Rond. Het is dus aannemelijk dat hij regelmatig in Zeist verkeerde.
Een paar maanden na de verhuizing naar Amsterdam, volgde een stap in zijn leven, die bepalend lijkt voor Leijtes hulp aan joodse onderduikers. Ogenschijnlijk scheidden zijn wegen en die van Polly Tismeer in september 1940, enkele maanden na de Duitse inval. Hij keerde volgens het bevolkingsregister terug op 2e Dorpsstraat 32b en zijn vriendin verhuisde binnen Amsterdam naar het adres Beethovenstraat 85 I. In werkelijkheid woonden ze vaak samen op laatstbedoeld adres, al weken ze samen ook regelmatig uit naar Lageweg 5 in Zeist.
De Beethovenstraat bevond zich in een relatief nieuwe stadswijk. Bijzonder aan de buurt was dat er zich veel joodse vluchtelingen uit Duitsland hadden gevestigd. In 1941 was ongeveer 1 op de 3 bewoners joods (en veelal Duits), 37% van de bewoners. De bijnaam van de straat was daarom de ‘Brede Jodenstraat’ of ‘Klein Duitsland’, en tramlijn 24 ernaar toe werd de ‘Berlijn-Express’ genoemd. Er was daar een Duitse enclave ontstaan, met Duitse winkels in Duitse levensmiddelen, Duitse boekhandels en Duitse restaurants en pensions. Oudere vluchtelingen integreerden nauwelijks door hun leven in die enclave en werden daarom vaak als arrogante Duitsers gezien.
De Beethovenstraat zou tijdens de bezetting een tranendal worden, waar 18.000 joodse inwoners van Amsterdam tijdens razzia’s hardhandig op de tram werden gezet. Niemand in de straat kon zich onttrekken aan het onmetelijke drama van de jodenvervolging. In 1942 waren er zelfdodingen, zowel door vergiftiging als door een sprong uit een raam.
De drie verdiepingen boven Beethovenstraat 85 I werden bewoond door joodse mensen. Al in augustus 1942 zouden zeven van de negen bovenburen gedeporteerd worden. En nog diezelfde maand vermoord worden, maar dat wist men toen nog niet.
Latere verklaringen en documenten bevestigen dus dat Gerrit Leijte niet uitsluitend op 2e Dorpsstraat 32b woonde, maar ook op Beethovenstraat 85 I. In Amsterdam raakten hij en Polly Tismeer in een vroegtijdig stadium betrokken bij de hulp aan joodse onderduikers. Zo werd Leijte al begin juli 1942 gevraagd of hij onderduik kon regelen voor twee joodse kinderen. Hij stond op dat moment kennelijk al bekend als jodenhelper. Toen hij op het onderduikadres van de ouders kwam, trof hij daar een andere jodenhelper, de 24-jarige half-joodse Albert Johan Brommet.
Diens vader, de joodse textielverkoper Lion Brommet (Veendam, 1892) die op Beethovenstraat 124 II woonde, en joodse onderduikers in zijn woning verborg en hielp om elders onder te duiken, liep zelf geen acuut gevaar, omdat hij gemengd gehuwd was. Die onderduikershulp zou hem bijna de kop kosten, want hij belandde op 26 mei 1944 in de strafbarak 67 van Kamp Westerbork – met de dreiging van deportatie – maar werd na drie maanden overgeplaatst naar een gewone barak en tenslotte weer vrijgelaten.
Lion Brommet en zijn medewerkers verleenden hulp aan joodse onderduikers en staken daar ook geld in. Toen de kosten van de hulp aan de twee kinderen ter sprake kwamen, hoorde Leijte de jonge Brommet tegen de joodse vader zeggen: ‘Maak je daarover maar geen kopzorg, hoeveel moet je hebben: 3.000 of 5.000 gulden? De redding van je kinderen is het voornaamste.’ Gerrit Leijte maakte vervolgens kennis met de rest van het gezin Brommet-ten Wolde (ouders en drie zoons) en leerde ze kennen als bona fide illegaal werkers die dag en nacht in de weer waren om familieleden en andere joodse mensen in veiligheid te brengen. Leijte sloot zich aan bij de Groep-Brommet en maakte daarbij veelvuldig gebruik van zijn verbinding met zijn formele woonplaats Zeist.
Het was in elk geval handig dat Gerrit Leijte zowel een pied à terre in Amsterdam als in Zeist had. Al op 14 augustus 1942 hielp de Groep-Brommet/Leijte bijvoorbeeld de weduwe Minna Leiter-Berliner van Beethovenstraat 87 III onderduiken, waarbij ze eerst korte tijd ondergebracht werd op 2e Dorpsstraat 32b.
Gerrit Leijte hielp waar hij kon en dat raakte bekend. Zo ontving hij medio september 1942 op Beethovenstraat 85 I een brief van de ‘Emigratie-afdeling’ van de Joodse Raad voor Amsterdam. Blijkbaar trad Leijte op als vertegenwoordiger van een bovenbuurvrouw, de weduwe Eef (Eveline) Wallig-Peekel – zijn naam stond ook als ‘kennis’ vermeld op de achterkant van de Joodse Raad-kaart voor haar. Haar beide dochters waren al gedeporteerd. Over hun lot was toen niets bekend, maar ze waren al op 10 augustus vermoord. De weduwe bevond zich zelf in Kamp Westerbork, en was geselecteerd voor het transport op 11 september naar Auschwitz. Gerrit Leijte werd verzocht om – op de dag waarop de brief geschreven was – voor half drie ‘s middags schoenen, een winterjas (‘alles ook voor dochter’), chocolade, jumpers, toiletpapier en proviand voor 3 dagen te bezorgen bij het bureau van de Emigratie-afdeling. Eef Wallig-Peekel zou vier dagen later meteen na aankomst in Auschwitz vergast worden.
Behalve de weduwe Wallig-Peekel woonde op dezelfde verdieping Beethovenstraat 85 II het joodse echtpaar Adolf en Olga Kassel-Midas. Adolf Kassel was in Frankfurt bankier geweest. Uit een brief die hun zoon Heinrich Kassel – die zijn naam toen al had laten veranderen in Henry Cassel – twee jaar na de bevrijding aan Gerrit Leijte zou schrijven, bleek dat Leijte het echtpaar Kassel-Midas ook geholpen had. Ze woonden tot juli 1943 op Engweg 9 in Driebergen, een onderduikadres voor minstens nog drie andere joodse mensen.
Op donderdag 22 juli 1943 zouden Adolf en Olga Kassel-Midas gearresteerd worden. Gerrit Leijte was toen zelf een week eerder gearresteerd. Een marechaussee bracht het echtpaar Kassel-Midas naar Bureau Joodse Zaken van de Sicherheitsdienst, in Amsterdam, tegelijk met agent van politie Bartholomeus Antonius Witteman uit Haarlem. Witteman zou wegens jodenhulp via Kamp Vught naar Dachau worden gedeporteerd, waar hij zou sterven. Het echtpaar Kassel-Midas was al op 24 augustus 1943 gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze drie dagen later na aankomst vergast waren.
Door zijn samenwerking met de groep-Brommet werd Gerrit Leijte een van de vroegste jodenhelpers in Zeist. Hij beperkte zijn illegale activiteiten overigens niet tot die hulp, maar deed ook werk voor de Zeister Groep Oranjekrant, waar verder onder meer Cornelis Sijsling – zie Biltseweg 4 – en Jo Snelleman – Waterigeweg 80 – deel van uitmaakten. Verder ontwierp hij een serieus plan voor een blokkade van het Merwedekanaal bij Utrecht. Maar vooral was Leijte actief voor de Groep-Brommet/Leijte. Voor de veeleisende activiteiten van die groep rekruteerde hij in Zeist een aantal helpers, waaronder zijn eigen zoon Marinus en diens echtgenote die als koerierster dienst deed. Had Leijte geen connecties op het nabijgelegen Zeister gemeentehuis? De door hem geholpen onderduikers werden – voor zo ver bekend – niet vals geregistreerd in de bevolkingsadministratie. Niet bekend is hoe zijn groep problemen met persoons- en distributiebewijzen oploste. In totaal beheerde Gerrit Leijte circa 200 bonkaarten voor onderduikers, waarvan een onbekend deel voor onderduikers in Amsterdam. Er is geen volledige registratie van de joodse onderduikers die Leijte hielp, behalve de vier onderduikers die in elk geval ook voor kortere of langere tijd op 2e Dorpsstraat 32b verbleven.
Leijte administreerde de bonkaarten op verbasterde namen van zogenaamde kopers van gevulkaniseerde fietsbanden. Voor die bonkaarten werkten Brommet en Leijte ook samen met andere jodenhelpers in Amsterdam, zoals de groep ‘Stef’ (H. Noordinga) en W. Enders c.s. Over die andere groepen is weinig bekend?
Circa twintig mensen waren betrokken bij Leijtes hulp aan joodse onderduikers. Onder die helpers bleken dubieuze figuren te zitten, zoals de half-joodse beroepsinbreker Adriaan ‘Zwarte Arie’ Vega uit Amsterdam en Zeistenaar ‘Philip Kraanhout’ (gefingeerde naam),
Met de Amsterdammer Vega kwam Gerrit Leijte in contact via een Zeister beroepsinbreker die inwoonde op Van de Poll-laan 6. Diens kostbaas slachtte clandestien en zijn kostganger verkocht het vlees in criminele kringen in Amsterdam. Nadat hij zijn tewerkstelling in Duitsland ontvlucht was, had Vega een handel in vervalste persoonsbewijzen opgezet. Hij rekende hoge prijzen, volgens een latere verklaring van zijn schoonvader zo’n 500 gulden per stuk. Via die handel kwam hij in contact met joodse onderduikers en illegaal werkers. Hij besefte al gauw dat onderduikershulp veel lucratiever kon zijn. Dat kwam hij uitleggen aan de clandestiene slachter op Van de Poll-laan 6. De kostbaas riep zijn bovenbuurman erbij. Arie Vega spiegelde beide mannen interessante bedragen voor. Per persoon konden ze 1.000 gulden verdienen per onderduiker waar een adres voor gevonden wordt (het zou uiteindelijk 100 gulden worden). Dat leek de clandestiene slachter wel interessant en hij besprak het met zijn kennis Gerrit Leijte. Die vroeg om eerst die Vega eens goed na te trekken. Dat leverde – onbegrijpelijk – geen nadelige berichten op over Vega en er ontstond een vriendschappelijke relatie tussen hem en Gerrit Leijte.
Arie Vega had meer goede contacten in de ‘bovenwereld’. Zijn schoonzuster werkte bij een echtpaar waarvan de joodse echtgenoot als restaurateur van antieke schilderijen veel relaties had. Vega deed soms boodschappen voor het echtpaar en ze vertrouwden hem. Toen een kennis uit Den Haag moest onderduiken, vroegen ze Vega of die niet kon helpen. Desgevraagd door Vega werkte Leijte mee. Vega mocht het echtpaar Polak-Weissmann naar hem toe brengen.
In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1942 voordat het joodse echtpaar naar Zeist werd gebracht, sliep Vega bij hen in huis. Een paar dagen nadat de onderduikers in Zeist op 2e Dorpsstraat 32b waren afgeleverd, vroeg Noach Polak aan zoon Marinus van Gerrit Leijte, of die bij hem thuis nog enkele benodigdheden op wilde halen. Marinus Leijte trof de woning in Den Haag totaal leeg aan. Pas later zou duidelijk worden dat Adriaan Vega, diens echtgenote en een criminele vriend uit Zeist verantwoordelijk waren voor deze diefstal.
Intussen werd het echtpaar Polak-Weissmann buiten medeweten van Arie Vega ondergebracht bij het echtpaar Marinus en Maria Leijte-Prins, op 2e Dorpsstraat 32b. Niet veel later zou het echtpaar elders in Zeist onderduiken. In elk geval zouden ze bij de bevrijding ondergedoken zitten op Kroostweg 11. Ze zouden rond 1950 emigreren naar Zuid-Afrika, waar Polak directeur zou worden van Engineering Developments Pty Ltd. Zes jaar na zijn overlijden in 1957 zou zijn weduwe hertrouwen met Frank Muller. Ze zou overlijden in 1985.
Zelf nam weduwnaar Gerrit Leijte soms ook tijdelijk joodse onderduikers in huis. In het najaar van 1942 liet hij zijn plaatsgenoot en helper Philip Kraanhout Minna Leijter-Berliner en Necha Jachcel en een joods echtpaar naar Woudenberg brengen. Die moesten daar 220 respectievelijk 300 gulden per maand voor betalen. Het joodse echtpaar vertrok op zeker moment naar Amersfoort, maar hun verblijfplaats werd twee dagen later door hun voormalige Woudenbergse onderduikgever bij verhoor prijsgegeven aan de Sicherheitspolizei, waarna het echtpaar op 28 oktober 1942 gearresteerd werd. Uit veiligheidsredenen werden de twee joodse vrouwen toen naar Gerrit Leijte in Zeist gebracht. Waar hij Minna Leijter-Berliner en Necha Jachcel vervolgens onderbracht, is niet bekend. Necha Jachcel zou gearresteerd worden, op 30 november 1943 als strafgevangene in Kamp Westerbork worden geïnterneerd en op 25 januari 1944 naar Auschwitz worden gedeporteerd. Meteen na aankomst op 28 januari werd ze vermoord. Minna Leiter-Berliner overleefde de bezetting en zou Gerrit Leijte bedanken voor zijn hulp.
In de aantekeningen van Gerrit Leijte wordt ook het gezin Davidson (drie personen) genoemd. Mogelijk worden hiermee Emanuel en Hanna Davidson-de Jong en hun zoon Leonard bedoeld. Zij zouden hun onderduik beginnen op Frederik Hendriklaan 31 en Amalia van Solmslaan 28.
Een andere joodse onderduiker die Gerrit Leijte en zijn medewerkers hielpen, blijkens een naoorlogse dankbetuiging, was de voormalige Berlijnse advocaat mr. dr. Leopold Landsberger. Die genoot faam als groot kenner van het internationaal recht. Hij was in 1937 naar Nederland gevlucht en had zich in Den Haag gevestigd.
Toen ze daar weg hadden gemoeten van de bezetter, hadden Leopold en Hedwig Elli Landsberger-Stiasny van 1940 tot 1942 gewoond op Professor Sproncklaan 28 in Zeist. Landsberger hielp zelf weer lotgenoten. Zijn echtgenote en hij zouden later ook hulp krijgen van illegale werkers op het gemeentehuis, die hen op 10 juli 1944 in Zeist ‘legaliseerden’ als de vrijgezelle accountant ‘Leopold Louis Bakker’, geboren in het Zwitserse Bern, respectievelijk de verpleegster ‘Elli Reits’, echtgenote van Jan Timmerman en geboren in het Zwitserse Burgdorf. Als adres werd Driebergseweg 10a in Zeist genoteerd, maar dat adres bestond niet. Op Driebergseweg 3 woonde de gemengde gehuwde joodse onderduiker Kurt Selowsky die joodse onderduikers hielp. Zie Sparrenheuvel 2-4-6.
Na de bevrijding zouden de voormalige Zeistenaren Leopold Landsberger en Kurt Selowsky, samen met mr. Alex de Haas voor het Nederlandse Rode Kruis het lot van joodse gedeporteerden uit Nederland onderzoeken. In september 1947 verscheen hun eerste rapportage, onder de titel ‘Het dodenboek van Auschwitz’.
Binnen de door Gerrit Leijte georganiseerde jodenhulp werd door sommige helpers geweldig gerommeld. Vega en zijn echtgenote waren in september 1942 met vier rijke joodse mensen ondergedoken in een zomerhuis in Apeldoorn. Dat had hij kunnen huren door bemiddeling van een relatie van Leijte in Amerongen, waar de eigenaren van het zomerhuis op hun beurt ondergedoken zaten. Hij verdiende uitstekend aan die onderduik. Bij een inval door politiemannen, die op zoek waren naar een van de vorige bewoners, werden de onderduikers echter gearresteerd. Vega en zijn echtgenote wisten te ontkomen. Hij liet de arrestatie aan vader en zoon Leijte in Zeist weten – ‘de schilderijen zijn van de muur gevallen’ – en ging weer aan de slag met zwarthandel en illegale activiteiten.
Hij werd daar in belemmerd, omdat zijn naam bij de arrestatie bekend was geworden en de Sicherheitspolizei op de hoogte raakte van zijn illegale activiteiten. Vega wilde zijn handen vrij hebben en het leek hem beter om een ‘deal’ te sluiten met de Duitsers. Van de zwarte handel in tabak en vlees kende hij een belangrijke andere onderwereldfiguur in Amsterdam. Dat was Dries Riphagen, die lucratief samenwerkte met verschillende Duitse instanties, het laatst voor Bureau Joodse Zaken van de Amsterdamse politie. Het was zijn taak, samen met andere Amsterdamse onderwereldfiguren om de zwarte markt te ontmantelen en om joods bezit op te sporen. Riphagen bracht Vega in contact met de leiding van de Sicherheitspolizei. Vega beloofde onderduikadressen door te geven als de Sicherheitspolizei hem verder zijn gang liet gaan. Samen met Dries Riphagen en de al even beruchte Haagse Sipo-agenten Kees Kaptein, Huls en Dick Verbaan reed ‘Zwarte Arie’ naar de door hem verraden onderduikadressen. Onder meer naar Amerongen en Zeist.
Hij verraadde ook Gerrit Leijte. Op vrijdag 16 juli 1943 reed de Sicherheitspolizei naar Zeist. De inval op 2e Dorpsstraat 32b werd uitgevoerd door zware oorlogsmisdadigers als Dries ‘Al Capone’ Riphagen, Kees Kaptein, Bernard Huls en Dick Verbaan. Toen Gerrit Leijte die middag omstreeks vier uur thuiskwam, werd hij daar geconfronteerd met vijf mannen die medewerkers van de Sicherheitspolizei bleken te zijn. Wat later voegde zich een bekende bij het gezelschap, Adriaan Vega. Er waren geen joodse onderduikers gevonden – die waren twee weken eerder vertrokken – maar alles wees er op dat die er wel waren geweest. Bovendien werd er veel illegaal propagandamateriaal gevonden. Kees Kaptein vroeg Gerrit Leijte waar het joodse echtpaar Polak-Weismann ondergedoken was en wie hem regelmatig distributiebescheiden voor onderduikers bracht. Toen Gerrit Leijte zich van de domme hield, en zei het niet te weten, gaf de SD-medewerker hem enkele klappen in zijn gezicht en vervolgens sloeg hij hem met een bezemsteel in zijn lende. Ook zijn broer en zijn zoon Marinus werden mishandeld door Kees Kaptein.
Gerrit Leijte, zijn broer Harry, zijn zoon Marinus en zijn vriend Leo Kortlandt werden gearresteerd op 2e Dorpsstraat 32b. Vega had uiteraard Gerrit Leijte aangewezen als leider van de organisatie. Er werd het nodige bezwarende materiaal gevonden, te weten een stapel Oranjekranten en 200 levensmiddelenkaarten. Te ontkennen viel er dus niet veel, ook al niet omdat de verrader wist te vertellen dat Gerrit Leijte bonkaarten voor 80 onderduikers verzorgde – in werkelijkheid waren het er dus ongeveer 200 – en namen van geholpen onderduikers noemde. Bovendien was hij betrokken geweest bij de uitwerking van Leijtes sabotageplan voor het Merwedekanaal. Hij wist echter niet hoe Leijte de bonkaarten administreerde en ook was hem niets bekend over onderduikplaatsen. Die informatie moest de Sicherheitsdienst vooral uit Leijte zien te halen.
Leijte senior en junior werden bij de arrestatie al zwaar mishandeld. De arrestanten werden naar het politiebureau in Utrecht gebracht. Onderweg probeerde Vega Leijte nog uit te horen: ‘Hoe is het met Polak?’, maar die trapte daar niet in. De volgende dag werden de arrestanten naar de villa Windekind in Scheveningen gebracht, waar het Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitspolizei zetelde, en tenslotte naar de strafgevangenis in Scheveningen. Op 19 juli 1943 werd Gerrit Leijte uit de gevangenis gehaald en voor verhoor naar Windekind gebracht. Kees Kaptein stelde hem daar opnieuw de vraag hoe hij aan de distributiekaarten voor onderduikers kwam. Toen Gerrit Leijte bleef zwijgen, begon Kaptein weer te schelden, te vloeken en zijn slachtoffer met zijn vuisten bont en blauw te slaan. Dagelijks werd Leijte opgehaald uit het ‘Oranjehotel’, voor verhoor in Villa Windekind van het Haagse Judenreferat IV B 4 van de Sicherheitsdienst, en dan ongenadig onder handen genomen door de beruchte oorlogsmisdadiger Kees Kaptein – na de bevrijding geëxecuteerd – die wist dat Leijte over veel informatie moest beschikken. De Zeistenaar wist de martelingen te doorstaan zonder ook maar één naam te noemen. Toen hij na een week bont en blauw was geslagen, kreeg hij een inval. Hij riep: ‘Ik heb g.v.d. nooit geen namen geweten en ken de mensen niet, maar ik wil jullie helpen, laat mij vrij en geef een paar van die kerels mee, dan kunnen jullie zelf degenen arresteren, die de boel brengen en komen halen!’ Hij stelde Kaptein voor om hem een paar mensen mee te geven naar Zeist, die konden helpen bij de arrestatie van de toeleverancier van de distributiekaarten en van het gezin Polak. Na deze mededeling werd de verhoorder op slag uiterst vriendelijk. Hij aanvaardde het voorstel, maar hield Gerrit Leijte nog acht dagen in de gevangenis in Scheveningen, omdat die ontoonbaar was door de mishandelingen en niet goed kon lopen. .
Gerrit Leijte mocht op 28 juli 1943 onder begeleiding van een ‘foute’ opperwachtmeester van de Staatspolitie. Zijn bewaker kreeg medelijden met de zichtbaar zwaar mishandelde arrestant. Omkoping is ook niet uitgesloten? In elk geval reisden de twee niet rechtstreeks naar Zeist, maar eerst naar Amsterdam. Vermoedelijk had Leijte daar gelegenheid om, al dan niet via Polly Tismeer, andere medewerkers in Zeist en elders te waarschuwen. Op zijn voorstel – ‘anders valt het op’ – bewerkstelligde zijn bewaker vervolgens dat de drie andere arrestanten ook vrijgelaten werden.
Maar vooral liet hij toe dat Leijte als zogenaamd zenuwziek opgenomen werd in de WA-hoeve. Lang bleef Gerrit Leijte echter niet in de inrichting in Den Dolder. Hij dook onder in Amsterdam. Het herstel van de mishandelingen vergde de nodige tijd, waarna hij weer illegaal actief werd. Hij haalde zo verder zonder grote problemen de bevrijding. Zijn zoon Marinus en de anderen waren ook ondergedoken en overleefden zo eveneens de bezetting. Marinus Leijte fungeerde enige tijd als tolk voor de geallieerden.
De hulporganisatie van Gerrit Leijte werd na het verraad door Vega helemaal ontmanteld. De verzorging van distributiebescheiden voor onderduikers wordt overgenomen door uitgever Jo Snelleman die op Waterigeweg 80 woonde. De bonnenadministratie werd niet ontdekt. Vega wist dat Leijte die als fietsbanden boekte, maar niet dat hij dat onder de gevulcaniseerde fietsbanden administreerde. Hoe Snelleman en Leijte met elkaar in contact waren gekomen, is niet duidelijk.
Op 1 oktober 1945 nam Gerrit Leijte tijdelijk het secretariaat van de Afdeling Zeist van de Vereniging Ex-Politieke Gevangenen uit den Bezettingstijd over van Ivo van Voorst van Beesd.
Daarnaast nam hij samen met de joodse Robert Onderwijzer het initiatief tot herdenking op 26 februari 1946 van de Februari-staking die vijf jaar eerder had plaatsgevonden, als het enige massale verzet in Europa tegen de jodenvervolging. Voortvarend werd er een plan uitgewerkt. De herdenking zou plaatsvinden op 26 februari 1946, maar voor het zo ver was, werden beide initiatiefnemers uit het comité gewerkt, omdat ze te weinig status hadden. ‘Geen grote persoonlijkheden.’
De eerste herdenking van de Februari-staking werd een overweldigend succes wat betreft publieke belangstelling, maar werd tevens overschaduwd door politieke verwikkelingen. De Communistische Partij Nederland claimde – niet ten onrechte – namelijk de organisatie van de staking in 1941, terwijl anderen de staking ten onrechte als een spontane actie opvoerden. De communisten organiseerden op 23 februari 1946 een eigen herdenking in de Amsterdamse markthallen, waar circa 30.000 mensen aan deelnamen. Drie dagen later, op 26 februari, woonden naar schatting 50.000 mensen op het Waterlooplein in een sneeuwjacht de andere herdenkingsplechtigheid met veel hoogwaardigheidsbekleders bij. De discussies over de herdenking zouden voortduren tot vijftig jaar na de staking. Zo werd de Russisch-gezinde communisten in de pers voor de voeten gegooid dat ten tijde van de staking het niet-aanvals-pact tussen Duitsland en Rusland nog van kracht was geweest (het Molotov-Ribbentrop-pact). Hoe dan ook, het initiatief van Gerrit Leijte en Robert Onderwijzer was en bleef door anderen overgenomen en onderhevig aan hevig politiek gekrakeel.
Leijtes vriendin Polly Tismeer zou later een uitkering van Stichting 1940-1945 krijgen wegens haar illegaal werk tijdens de bezetting. Maar erkenning was er niet voor Gerrit Leijte. Of het moest de schriftelijke of stoffelijke dank van voormalige onderduikers na de bevrijding zijn. In Zeist raakte zijn naam al gauw volledig in het vergeetboek en zo ook de eerste Zeister hulporganisatie voor joodse onderduikers. De naam Gerrit Leijte komt bijvoorbeeld niet voor in het boek ‘Het Zeister Verzet’.
Het omvangrijke gedenkboek ‘Het Grote Gebod’ beschrijft de geschiedenis van het verzet in de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en de Landelijke Knokploegen (LKP) LO en de LKP, ‘zodat het Nederlandse volk de zin, het karakter en de uitkomsten van dit verzet tot in de volgende geslachten niet zal vergeten.’ Een omvattende geschiedschrijving van onderduikershulp, zoals de hulp aan joodse vervolgden door de Groep Brommet/Leijte, ontbreekt.
Mogelijk was het naoorlogse gebrek aan erkenning te wijten aan zijn, in die tijd niet geaccepteerde huwelijkse moraal – samenwoning met een gescheiden vrouw – en/of zijn vertrek in 1947 uit Zeist naar Amsterdam.
Gerrit Leijte zou tot zijn dood in 1956 samen blijven wonen met zijn vriendin Polly Tismeer, maar hij werd door zijn familie in Zeist begraven en daar is het graf nog steeds aanwezig. Zoon Marinus Leijte was al in 1950 gescheiden van zijn echtgenote Maria Prins en had Zeist en zijn gezin verlaten. Onduidelijk is in hoeverre de spanningen van het illegaal werk mede debet waren aan deze stap die het gezin in ernstige problemen achterliet. Voor dergelijke spanningen was na de bevrijding geen aandacht geweest, maar ze waren groot geweest. De zoons van het echtpaar Leijte-Prins hoorden van hun moeder dat Marinus Leijte op zeker moment tijdens de bezetting zo gebukt was gegaan onder de spanningen, dat hij voortdurend troost had gezocht in de bijbel.
Ondanks de bittere herinneringen aan hun naoorlogse jeugdjaren, waarin hun grootvader en vader zich weinig aan hen gelegen lieten, vinden kleinzoons Gert en Cees Leijte dat er recht mag worden gedaan aan wat die mannen hebben betekend voor Zeist en joodse onderduikers. Vooral Gerrit Leijte, maar ook zoon Marinus, Maria (Leijte-)Prins en de andere bona fide helpers, verdienen postuum eer voor hun illegaal werk gedurende de bezetting.
Dat werk leeft overigens voort in de voornamen van kleinzoon Gert Leijte, die bij zijn geboorte op 5 augustus 1943 vernoemd werd naar de vier mannen die drie weken eerder op 2e Dorpsstraat 32b waren gearresteerd. Voluit heet hij Gerrit (Leijte), Marinus (Leijte), Harry (Leijte), Leonardus (Kortlandt). Hij is dan ook te beschouwen als de vaandeldrager als het om de familiegeschiedenis gaat en het streven naar gepast eerbetoon voor het illegaal werk.
Dat eerbetoon kreeg aanvankelijk voorzichtig gestalte, uitsluitend op twee digitale monumenten. Stichting Oranjehotel heeft de naam G. Leyte geplaatst op het Nationaal Monument Oranjehotel (oranjehotel.org) en Stichting Neerlandsch Verzetsmonument heeft dat op haar monument gedaan (neerlandsverzetsmonument.nl). Maar inmiddels is er meer aandacht geweest voor Gerrit Leijte en het echtpaar Marinus en Maria Leijte-Prins. Zo heeft het Geheugen van Zeist op 5 mei 2022 twee gedenksteentjes laten plaatsen voor 2e Dorpsstraat 32b, voor Gerrit Leijte respectievelijk voor zijn zoon en schoondochter.
Bovendien is aan deze drie jodenhelpers op 2 april 2025 postuum de Yad Vashem-onderscheiding toegekend. In De Volkskrant van 27 januari 2026 heeft journaliste Ellen de Visser ruim aandacht geschonken aan de jodenhulp door Gerrit Leijte en het echtpaar Marinus en Maria Leijte-Prins: op de voorpagina en de pagina’s 14 en 15.
De naam Philip Kraanhout is om privacy-redenen gefingeerd.
Bronnen:
- Mededelingen en documenten van Gert en Cees Leijte, zoals onder meer naoorlogse dankbrieven van Leopold Landsberger en L. Pelley-Hoofien aan Gerrit Leijte, andere documenten en foto’s (kopieën in bezit van de auteurs)
- Gemeentearchief Zeist, oud bevolkingsregister; 1499-1500, register van illegalen, ‘Leopold Louis Bakker’, ‘Elli Timmerman-Reits’
- De Tijd van 9 maart 1948, ‘Ex-politieman willig apparaat der Duitsers S.S. Kaptein voor Bijz. Gerechtshof’
- Het vrije volk van 10 maart 1948, ‘SD-er Kapteyn voor het Hof: brutaler dan ooit’
- Wikipedia (Kees Kaptein, Dries Riphagen)
- www.joodsmonument.nl, Eveline Wallig-Peekel, Adolf en Olga Kassel-Midas en Necha Jachsel
- Stadsarchief Amsterdam, archiefkaarten (diverse personen), politierapporten 1940-1945 (22 juli 1943): arrestatie Adolf en Olga Kassel-Midas
- www.jmind.nl, ‘Onderduikers en hun verblijfplaatsen in Driebergen’, Engweg 9, gezin Van Maanen
- Brief van 17 juni 1947 van Henry Cassel aan Gerrit Leijte
- ITS Arolsen, digitale collecties, Joodse Raad-kaarten voor Eveline Wallig-Peekel, het echtpaar Adolf en Olga Kassel-Midas en Necha Jachcel
- www.jodeninnederland.nl, Leopold Landsberger
- www.geheugenvanzeist, vele krantenartikelen (zoektermen Leijte en Leyte)
- www.delpher.nl
- bevrijdingsportretten.nl (Herinneringscentrum Kamp Westerbork), Lion Brommet
- Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, toegang 2.09.09, inventarisnummers 76399 (BRvC), A. Vega; 253, H.J. Verbaan; 98586-722 en 260, H. Westerdijk
- Zie de bewezen onderduikadressen Frederik Hendriklaan 31, Amalia van Solmslaan 28, Eikenlaan 14 en Kroostweg 11
- Henk Groenendijk, ‘Een jubileumpenning van De Bijenkorf, Den Haag 1936, En de geschiedenis van zijn ontvanger’. In De Beeldenaar van januari/februari 2025
- Ellen de Visser, De Volkskrant van 27 januari 2026, ‘Holocaust-herdenking, Alsnog een medaille voor de hulp aan onderduikers’ (voorpagina en pagina’s 14 en 15)
1. Tweede Dorpsstraat 32b anno 2020
2. Tweede Dorpsstraat 32b in vroeger tijden
3. Kees Kaptein, chef-rechercheur bij het Judenreferat IV B4 van de Sicherheitspolizei, kreeg na de oorlog de doodstraf
4. Villa Windekind in Den Haag
5. Krantenartikelen in maart 1948 over de rechtszaak tegen Kees Kaptein.
6. Het ouderlijk gezin van Gerrit Leijte
7. Gerrit Leijte in 1909 als heilsodaat in Sneek
8. 1914. Gerrit Leijte tijdens de mobilisatie bij Fort Velzen Beverwijk
8.a Werkplaats op Dorpsstraat 32b, met op de voorgrond Gerrit Leijte
8b. Advertentie De Zeister Courant 31 augustus 1912
8c. Advertentie in De Zeister Courant van 13 februari 1915
9. Op 31 augustus 1927 werd een wegschaatswedstrijd op de Laan van Beek en Royen gehouden. Ton Boot uit Purmerend was winnaar. Rechts op de foto Gerrit Leijte
10. Antje Vierstra tijdens een festiviteit in Zeist, verkleed als Friezin, met een versierde fiets
11.a Wilhelmina johanna Leijte-Gertenaar
11.b Rien Leijte, Mien Leijte-Gentenaar en Gerrit Leijte
12. De overlijdensadvertentie van MienLeijte-Gertenaar
13. Het bestuur van het Oranje comité Zeist. Gerrit Leijte staat tweede van rechts
14. Het bestuur van de Zeister Handelsvereniging, met vierde van links Gerrit Leijte
15. Gerrit Leijte (tweede van links op de tweede rij) tijdens een demonstratie van BATO in 1924
16. Gerrit Leijte (tweede van links) bij een hardloopwedstrijd voor veteranen op Koninginnedag 1927
16. Zeist verwelkomt op 24 augustus 1934 de nieuwe burgemeester Van Holthe tot Echten. Gerrit Leijte draagt het vaandel van de Oranjevereniging
17. Gerrit Leijte (rechts) Polly Tismeer en haar zuster met echtgenoot in 1935 in Brussel, ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling aldaar
18. Gerrit Leijte en Polly Tismeer in De Bilt
19. Dorpsstraat 32b voor de Tweede Wereldoorlog
20. Beethovenstraat-Amsterdam
21. De overlijdensadvertentie van Lion Brommet in de Telegraaf
22. Eef Wallig-Peekel
23. Noach Polak
24. Dries Riphagen
25. Marinus (Rien) Leijte
26. Het persoonsbewijs van Maria Leijte-Prins
28. 1944. Leo Kortlandt met de kleinkinderen van Gerrit Leijte, Gert en Willy op het balkon Dorpsstraat 32b. De kleine Willy is overleden op 18 april 1946
29. Fragment uit de brief van 27 juli 1950 van de voormalige bewaker
30. De verwijsbrief waarmee huisarts K. Scheffer Gerrit Leijte op 6 augustus 1943 liet opnemen in de WA Hoeve
31. Rien Leijte (tolk), vader Gerrit en echtgenote Maria met twee geallieerde militairen (juli 1945)
32. Gerrit Leijte
33. Maria Leijte-Prins met haar zoontjes Gert(links), Piet (midden) en Cees
34. De Necrologie voor Leopold Landsberger in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 11 maart 1949
35. Een bedankfles voor Gerrit Leijte van Minna Leiter-Berliner met de voor haar belangrijke datum 14 augustus 1942
36. Op 2 april 2025 werd Yad Vashem aan de familie Leijte uitgereikt in aanwezigheid van de burgemeester van Zeist
37. Brief van 17 juni 1947 van Henry Cassel aan Gerrit Leijte








































